Pensioenfondsen als bank: iedereen blijft het proberen

Grootse plannen, maar geen geld? Kabinet en grote steden mikken op de gevulde pensioenfondsen. Die staan niet te springen.

‘Woonwethouder’ Jan Schaefer (tweede links) bedacht een plan voor meer werk en huizen in Amsterdam. Pensioenfonds ABP moest financieren.
‘Woonwethouder’ Jan Schaefer (tweede links) bedacht een plan voor meer werk en huizen in Amsterdam. Pensioenfonds ABP moest financieren. Rob Croes/Anefo

Het is een klacht die niet wil wijken. „We barsten van de poen en we krijgen het goddomme niet voor elkaar om dat naar de goede projecten te leiden.” Werkgeversvoorzitter Hans de Boer snapt ’t niet. „Hoe kan dat?”, vroeg hij zich ruim drie jaar geleden af in Het Financieele Dagblad.

De meeste van die poen is in handen van ‘onze’ pensioenfondsen. Zo’n 1.400 miljard euro.

De projecten waar De Boer op duidt zijn hier, in Nederland. Zoals de omvangrijke en dure openbaarvervoerlijnen die het kabinet-Rutte III en de vier grote steden in de Randstad ambiëren. De gemeenten hebben dat investeringsgeld niet. Zij zien wel de verleidelijke miljarden die de pensioenwereld belegt voor werkend en gepensioneerd Nederland. Minister-president Mark Rutte (VVD) neemt een ‘regierol’. Dat geeft de steden een sterkere positie tegenover toekomstige financiers. Voor het kabinet is de keus logisch: het vestigingsklimaat is gebaat bij soepeler mobiliteit en impulsen voor de woningbouw.

Lees ook: Rutte neemt regie ov Randstad op zich

Dus wat ligt meer voor de hand? Koppel dat spaarvarken van de pensioenwereld aan maatschappelijk noodzakelijke én rendabele projecten en klaar is Kees. Toch?

De ervaringen van de laatste vijftig jaar zijn anders. De hartekreet van De Boer over de poen die ‘we’ niet investeren is een klassieker. Elk decennium had wel zijn eigen symboolproject. Soms zelfs meer. De onvervulde maatschappelijke prioriteiten zie je terug in de oproepen aan de pensioenwereld.

Afromen

Sommige knelpunten blijken duurzaam. Eind 1969 kwam Tweede Kamerlid Anne Vondeling (PvdA) met een wetsontwerp om beleggingen van pensioenfondsen af te romen ten gunste van investeringen van gemeenten. In zwembaden bijvoorbeeld. Scholen. Gemeenten konden soms geen geld lenen op de kapitaalmarkt, de concurrentie van bedrijven was te groot.

Vondeling wilde dit oplossen met ‘zachte’ dwang. Beleggingsdwang. Als de gemeenten geld tekortkomen, kon de pensioenwereld dat gat wel vullen. Verplicht. Het maatschappelijk middenveld van werkgevers, vakbonden en economische experts in de Sociaal-Economische Raad zag er niks in. Einde wetsvoorstel.

Tien jaar later raakte Nederland in een zware economische crisis. Industriële reuzen bezweken. Huizenprijzen kelderden tot wel 40 procent. De Amsterdamse wethouder Jan Schaefer (PvdA) had een onconventioneel plan voor meer werk en meer nieuwbouw. Hij zette het ABP, pensioenfonds voor ambtenaren en leraren, onder druk. Het ABP was toen nog een verlengstuk van de rijksoverheid. Het fonds kon de druk niet weerstaan en leende Amsterdam geld voor de bouw van 3.000 huurwoningen in de Venserpolder. Het zouden er 5.000 worden. Het ABP nam genoegen met een half procentpunt minder rente dan het marktrendement.

De Amsterdamse PvdA had grote verwachtingen van dit concept. Maar de tijden waren al veranderd. Het kabinet-Lubbers I, van CDA en VVD, voelde niks voor socialistische stokpaardjes.

Aanjagen die economie

De woningbouw aanjagen? Waarom niet de héle economie? In 1982 ontwikkelt Lubbers I een nieuw financieringsfonds, de Maatschappij voor Industriële Projecten (MIP). Banken, verzekeraars en pensioenfondsen moeten het geld bij elkaar brengen. Het voelt als nieuwe beleggingsdwang. Tegen de tijd dat de MIP aan de slag kan, is de economie hersteld. Bedrijven kunnen makkelijk geld lenen. De MIP is te laat en alweer overbodig.

De geschiedenis herhaalt zich tien jaar later. Nederland vreest na het bankroet van truckfabrikant DAF, in 1993, voor een recessie. Nu moeten de geldgiganten een zogeheten Industriefaciliteit financieren. Die moet banen veiligstellen en vernieuwing steunen. De recessie komt niet, de Industriefaciliteit blijft een lege huls.

In het vervolg van de jaren 90 groeit de economie als kool. Een fusie- en overnamestorm steekt op. De politieke aandacht in deze liberale jaren verschuift naar de rol van pensioenfondsen als aandeelhouders bij grote ondernemingen. Het links-liberale kabinet-Kok I wil beleggers wel meer zeggenschap geven, maar niet de sluizen openzetten voor een ‘uitverkoop’ van Nederlandse bedrijven. De oplossing? Laat de pensioenfondsen grote aandelenpakketten kopen en hun stemrecht uitoefenen. Het idee flopt. Beleggers krijgen wel meer zeggenschap, maar de pensioenwereld koopt geen extra aandelen.

Als minister Henk Kamp (Economische Zaken, VVD) twintig jaar later de balans opmaakt, omdat hij ook zo’n strategisch plan heeft, blijkt dat pensioenfondsen ‘maar’ 4 procent van hun geld in de ‘iconen’ van de AEX-index beleggen. Niet veel, concludeert Kamp teleurgesteld.

De pensioenfondsen moeten niks hebben van een rol als beschermheer

De pensioenfondsen moeten niks hebben van een rol als beschermheer voor vaderlandse bedrijven. „Als we ons te veel laten leiden door het Oranjegevoel dat kan knellen met het uitgangspunt van goede pensioenen, bevinden we ons op een hellend vlak”, schrijft de Pensioenfederatie, de lobby van de pensioenwereld, aan de Kamer.

Begin 2009 dondert de economie in elkaar. De val van de huizenmarkt in de VS dreigt alles en iedereen mee te slepen. De roep om hulp van pensioenfondsen wordt een schreeuw. Als de overheid geen geld heeft voor broodnodige investeringen in wegen, dijken en andere infrastructuur, kan de pensioenwereld dan niet helpen?

Dat sluit aan bij een rapport uit 2008 van een commissie onder voorzitterschap van oud-minister van Financiën Onno Ruding (CDA). Hij pleit voor meer bemoeienis van particuliere partijen. „We willen een stroomversnelling; het is nu een klein en zielig stroompje”, zegt hij tegen het blad van werkgeversorganisatie VNO-NCW.

Het kabinet organiseert een werkgroep, waarin ook de pensioenfondsen meedoen. Hun rendementswensen botsen met de opvattingen van het kabinet. Het resultaat is een patstelling. Pensioenfondsen investeren wel in infrastructuur, maar vooral buiten Nederland.

De werkgeverslobby

In 2012 en 2013 voert de machtige lobby van VNO-NCW de druk op politiek en pensioenwereld op. Nu gaat het erom de huizenmarkt uit de crisis te trekken. „Pensioenfondsen moeten veel meer investeren in Nederland”, zegt voorzitter Bernard Wientjes in de Volkskrant.

VNO-NCW vindt in PvdA-partijleider Diederik Samsom een bondgenoot. De pensioenwereld praat en denkt mee, maar als het plan na lang soebatten rond is, steekt ‘Brussel’ een spaak in het wiel. Het riekt naar ongeoorloofde staatssteun. Het kabinet haalt bakzeil.

Het idee dat meer pensioenmiljarden aan de slag moeten in Nederland, krijgt wel een vervolg. Pensioenfondsen en verzekeraars lanceren de Nederlandse Investeringsinstelling. Dat is geen bank of investeerder, maar een schakel tussen professionele kapitaalbeheerders en (maatschappelijke) projecten die nog niet gefinancierd kunnen worden. De eerste plannen reppen in 2014 van een investeringsimpuls van mogelijk 10 miljard. Als de instelling begin 2018 stopt, staat de teller op 1,2 miljard euro. Projecten blijken te klein of het rendement is te onduidelijk, terwijl op de financiële markten na de crisis weer genoeg kapitaal is. Net als bij de MIP dertig jaar eerder heeft de economische dynamiek de ‘planeconomie’ ingehaald.

Het meest concrete politieke plan nu is de staatsinvesteringsbank Invest NL. Oud-minister van Financiën en oud-ziekenhuisdirecteur Wouter Bos (PvdA) heeft daar de leiding gekregen. De overheid steekt er zelf 2,5 miljard euro in. Doel van de bank: katalysator zijn voor lastig te financieren projecten, zoals de energietransitie. Gedroomde mede-investeerders? Professionele beleggers, zoals pensioenfondsen. Het is Den Haag opgevallen dat bijvoorbeeld Deense pensioenfondsen actiever zijn als financier van windparken dan Nederlandse.

Lees ook: Déze investeringsbank moet slagen

Zo blijft iedereen het proberen, ook nu weer de vier grote steden en het kabinet – al reageren de pensioenfondsen doorgaans lauw op alle aanzoeken. Waarom doen die fondsen dat? Ze zijn om te beginnen allergisch voor alles wat ook maar riekt naar beleggingsdwang en politieke projecten. Het pensioengeld van werknemers en gepensioneerden moet renderen. Hoe dat moet, beslissen pensioenfondsen zelf het beste, redeneren zij. Elke politieke inmenging geeft hun het gevoel dat het rendement wel onder de maat van de markt zal (moeten) zijn. Waarom staan overheid of bedrijfsleven anders bij hen op de stoep en boren zij niet de financiële markten aan?

Traditioneel sceptisch

Misschien nog wel belangrijker: ze zijn traditioneel sceptisch over de betrouwbaarheid van de overheid. De pensioenwereld gaat investeringsprojecten aan voor járen. Bij wegen en andere infrastructuur voor decennia. Maar de Nederlandse politiek is grillig, meerderheden en dus (subsidie)beleid kunnen snel wisselen. Tolheffing, rekeningrijden, extra belastingen of heffingen zijn instrumenten om ov-projecten rendabel en financierbaar te maken. Maar dé angst van de pensioenlobby is dat het ene kabinet met een plan komt, de pensioenwereld investeert en een volgend kabinet radicaal een streep zet door de voorwaarden van het miljardenproject. Waar kun je dan op terugvallen? De rechter? Een gepeperde schadeclaim bij de overheid?

Dan stuit je op een echte kopzorg: de afhankelijkheid van diezelfde overheid.

De overheid is wetgever bij pensioenen, stelt fiscale regels vast, formuleert de hoofdlijnen van het toezicht op pensioenfondsen én heeft een dikke vinger in de pap bij de hoogte van de premies voor ambtenaren, leraren en zorgpersoneel. Dat zijn precies de deelnemers in de twee grootste pensioenfondsen, ABP en Zorg en Welzijn, die samen ruim 600 miljard euro aan beleggingen hebben. Daarom staan pensioenfondsen pal voor hun ‘laatste’ vrijheid: hun eigen beleggingsbeleid.