Opinie

Hulp, straf en toezicht bij IS-verdachten kunnen nooit garanties bieden

deradicalisering

Daar wordt aan de deur gebeld, wie kan dat zijn? Ah, het zijn de deradicaliseringstrajectmedewerkers! Als er één beeld na de serie over de ‘aanpak’ van terreurverdachten blijft hangen, is het wel het overheidsgeloof in de maakbaarheid van de mens. Althans in de corrigeerbaarheid van de jonge mannen en vrouwen die zich interesseren voor het kalifaat, de orthodoxe islam en de strijd van IS. En die dat gedachtegoed verbreiden, praktisch steunen en het ter plaatse willen omarmen. Het overheidsantwoord is een ingewikkelde combinatie van wortel en stok. Een aanpak waarin wordt geprobeerd deze jongeren uit hun isolement te praten, naar werk en opleiding. En hen te verzoenen met de Nederlandse democratische rechtsstaat. Juist van het pad af dat naar gewelddadige aanslagen zou leiden. Die aanslagen deden zich (mede daarom?) niet voor.

Deels is dit deradicaliseringsprogramma vertrouwd jongerenwerk voor een doelgroep waarover alleen zorgelijke vermoedens bestaan. Maar deels is het ook formeel staatstoezicht met wijkagenten en (vooral) reclasseringswerkers. Dat is de ‘harde kant’, met een voorwaardelijke celstraf, een enkelband, de plicht om (mee) te doen en soms zelfs het verlies van de Nederlandse nationaliteit als zwaard van Damocles. Daar zijn burgerrechten in het geding: de vrijheid te mogen geloven wat je wil, te mogen reizen en informatie te kunnen ontvangen en verspreiden.

Aan die vaak moeizame en slecht geregisseerde combinatie van hulp, toezicht en straf valt het nodige te verbeteren. Vooral het paardenmiddel van het afnemen van de Nederlandse nationaliteit, controversieel vanaf dag één, blijkt contraproductief. Het bevordert juist radicalisering, zo leert de praktijk. De maatregel was van begin af al aan discriminerend. Alleen verdachten met dubbele nationaliteit komen er immers voor in aanmerking. Het zou goed zijn als dit middel permanent in de kast van de minister blijft.

Hoe sceptisch men intussen kan zijn over het nut van praten en coachen, een overheid die zich ook daarop richt geniet de voorkeur boven een louter repressieve staat die alleen aan celstraffen, denaturalisatie en uitwijzen denkt bij ‘terreur’. En bij deradicalisering aan heropvoedingskampen. In die zin past dit programma in een Nederlandse traditie, waarin na afstraffing, herstel en rehabilitatie voorop staan. En preventie een vaste plaats heeft.

Tegelijk valt op hoezeer deradicalisering nog onbekend terrein is. Uit de Amsterdam-reportage rijst het beeld van een groot live sociaal experiment op, met tegengestelde belangen, ongecontroleerde informatiestromen, rolverwarring op vele niveaus en onverwachte effecten. Zie de reclasseringswerker die zich als politietipgever ontplooit. Met name daar liggen beperkingen. De reclassering mag (pas) informatie over een cliënt delen met het Openbaar ministerie als er ernstige schade dreigt voor anderen of de samenleving. Dat zal bij een terreurverdachte qualitate qua al snel het geval zijn. Die zal de reclassering ook maar beperkt vertrouwen. De reclassering zal op zijn beurt nooit in een situatie willen komen waarin een aanslag wordt gepleegd die het redelijkerwijze kon zien aankomen.

Bij deradicalisering onder overheidsregie passen dus bescheiden verwachtingen. Uiteindelijk zal deze groep bij zichzelf te rade moeten gaan. Kan of wil men zich niet aanpassen, dan moet men dissident kunnen blijven. Geweldloos natuurlijk.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.