Opinie

    • Frits Abrahams

Huisman in duur Amerika

Amerika blijft Nederlandse schrijvers fascineren. Alleen al de afgelopen maanden kon ik drie van hun boeken over dit onderwerp lezen: Amerikanen lopen niet van Arjen van Veelen, Zoeklicht op het gazon van Auke Hulst en Ons soort Amerika van Anton Stolwijk. Geslaagde boeken, hoe groot de verschillen ook zijn.

De enige roman is het boek van Hulst, ook al baseerde hij zich voor een belangrijk deel op cruciale fases uit het leven van Richard Nixon. Het inlevingsvermogen van Hulst is even groot als zijn stilistische brille. Je voelt en ruikt met Nixon mee terwijl hij zijn politieke ondergang tegemoet struikelt.

„Hij drukte de loop tegen zijn slaap (nee), zijn voorhoofd (nee), zijn verhemelte (misschien), op zoek naar wat het beste voelde, paste, strafte, ingehouden kokhalzend door de geur van metaal en olie, die ook de geur van oorlog was. Hij probeerde zich iets voor te stellen bij het einde en wat daar voorbij lag.”

Een nadeel, maar tegelijk ook de charme, van zijn boek is dat je niet altijd zeker weet waar de feiten ophouden en de fictie begint.

Van Veelen had aan de feiten genoeg om een indringend beeld te schetsen van een verpauperend Amerika. Hij schreef een journalistiek reisboek met veel aandacht voor zijn directe omgeving, de ‘vergeten’ stad St. Louis, waar hij met zijn partner een poosje woonde. Daar begint en eindigt de overeenkomst met Ons soort Amerika van Anton Stolwijk, die ook met een kostwinnende echtgenote voor een jaartje naar Amerika trok: Cambridge, Massachusetts, een stadje aan de oostkust waar Harvard University is gevestigd.

Ik heb Maarten van Rossem weleens horen zeggen dat hij liever de echtgenoten van de Nederlandse correspondenten in Amerika las dan die correspondenten zelf. Wat de correspondenten te melden hadden, las hij wel in de Amerikaanse pers, voor indrukken uit het dagelijks leven had hij meer aan de thuiszittende partners.

Zo’n partner is Stolwijk, meer nog dan Van Veelen die in zijn boek journalist blijft. Stolwijk is in de eerste plaats de huisman die op de kindjes past en de boodschappen doet. Dat maakt zijn boek minder belangrijk dan de boeken van Hulst en Van Veelen, maar toch is het als spiegel van het gewone leven interessant genoeg. Hij laat niet zozeer de onderkant van de maatschappij zien, zoals Van Veelen doet, maar juist de bovenkant, of preciezer gezegd: de onderkant van de bovenkant – Cambridge geldt als een liberale, welvarende kleine stad.

Alles blijkt betrekkelijk, ook de welvarendheid van Cambridge. Stolwijk ziet potsierlijke luxe, maar ontmoet ook mensen die het hoofd nauwelijks boven water kunnen houden, zoals zijn huisbaas Mario. Voor dergelijke mensen lijkt hij een antenne te hebben.

Cambridge is peperduur; wie zich de weelde niet kan permitteren, heeft er weinig te zoeken. „Hoeveel krijg je eigenlijk betaald?” vraagt hij een bezorger. „Anderhalve dollar per pakket”, antwoordt de man bitter. „En daar moet ik ook nog zelf de benzine van betalen.” „Het is een race naar de bodem”, citeert Stolwijk een blad, „het bedrijf dat zijn bezorgers het meest weet uit te buiten, zal als enige overblijven.”

Als rechtgeaarde Nederlandse burger kon ik na dit boek alleen maar denken: die kant moeten we niet verder op.

    • Frits Abrahams