Recensie

Fictieve mediahype rond Ronald Snijders leidt tot flauwe grappen

Cabaret Absurdist Ronald Snijders is zogenaamd een groot succes in zijn voorstelling ‘Groot Succes 2’. Maar die fictieve hit maakt hij niet waar.

Ronald Snijders' parodie het nieuws en de media is een aardig uitgangspunt, maar flauwe woordspelingen hebben de overhand.
Ronald Snijders' parodie het nieuws en de media is een aardig uitgangspunt, maar flauwe woordspelingen hebben de overhand. Foto Jaap Reedijk

Groot Succes 2, de vierde voorstelling van Ronald Snijders, is niet de opvolger van Groot Succes 1. Die voorstelling moet nog gemaakt worden. Het zogenaamde succes van Ronald Snijders loopt als een rode draad door de voorstelling. Op een groot beeldscherm wordt de talkshow ‘Rondom Ronald’ vertoond, waarin de fictieve mediahype rondom Snijders’ nieuwe show heerlijk wordt opgeblazen. Uiteraard speelt Snijders alle gasten zelf.

Deze parodie op het nieuws en de media is een aardig uitgangspunt. In Groot Succes 2 komen allerlei fictieve nieuwsberichten voorbij (‘Oplossingen funest voor problemen’) en houdt Snijders een onzinnige persconferentie waarin Duivendrecht wordt voorgesteld als een rampgebied. Tot een écht interessante reflectie op mediahypes of fake news leidt dit niet, maar dat is ook niet wat Snijders lijkt te beogen. Snijders noemt zichzelf absurdist en lijkt voornamelijk aangename verwarring te willen stichten.

Meligheid

Helaas leidt Snijders’ absurdisme al te vaak tot meligheid. Hij vertelt vooral flauwe woordgrappen en slechte moppen. Zo omschrijft hij de journalisten op zijn persconferentie als „de mensen van de handsinaasappels, of nee… de pers”, presenteert hij slecht bedoelde marketingslogans voor steden („Amsterdam: de stad waar je wél dood gevonden wilt worden”) en doet hij een voorstelrondje met de zaal, waarin hij toeschouwers vraagt wat hun voorstel is.

Snijders staat in de traditie van Herman Finkers en Monty Python, maar bereikt nooit het niveau van zijn voorgangers. Daarvoor kleurt hij te keurig binnen de lijntjes en zijn zijn spelletjes met de logica te voorspelbaar.

De liedjes, waarin een verrassende rol is weggelegd voor Herman van Veen, vormen een prettige afwisseling met de conferences, maar missen scherpte. Aan het slot vertelt Snijders een verhaal waarin zogenaamd alle lijntjes bij elkaar komen, maar na het slotapplaus ontmaskert hij dit als de zoveelste absurde wending. Echt onthullend of prikkelend is dat niet. Het is vooral flauw.

    • Dick Zijp