Emmy Noether leverde de wiskunde voor de natuurkunde van nu

Ongekend Emmy Noether loste met haar wiskunde problemen in de relativiteitstheorie op.

Echt onopgemerkt ging het leven van wiskundige Emmy Noether niet voorbij. Na haar plotselinge dood in 1935 verscheen in The New York Times zelfs een necrologie, geschreven door Albert Einstein, die net als zij in 1933 de Atlantische Oceaan was overgestoken. Einstein was er bij het Institute for Advanced Study (IAS) beland, destijds een mannenclub. Noether was docent geworden bij het Bryn Mawr College voor vrouwen, in Pennsylvania, én een veelgevraagd gastspreker op het IAS. Geen wonder, want „Fraülein Noether” gold als één van „de competentste levende wiskundigen”, schreef de niet om zijn vrouwvriendelijkheid bekend staande Einstein.

In Noethers leven stond de wiskunde centraal. Tijdens haar jongedames-opvoeding was dat nog niet zo aan het licht gekomen. Maar in 1900 had ze net als haar jongere broer Fritz voor het vak gekozen dat ook haar vader, de vooraanstaande Erlangense wiskundeprofessor Max Noether beoefende.

Ze was daarmee geen makkelijke weg ingeslagen. Tot 1904 werd Amalie Emmy Noether in de universitaire collegezalen enkel gedoogd als toehoorder. Toen daarna de wet veranderde, studeerde ze vliegensvlug af en promoveerde in 1907 summa cum laude bij wiskundige Paul Gordan op werk dat ze later zelf afdeed als ‘formule-kreupelhout’. Want zelf werkte Noether liever met abstracte wiskundige concepten zoals groepen, lichamen, ringen en idealen.

Noether werd al snel gevraagd als lid van de deftige Duitse Mathematische Vereniging, en voor lezingen. Maar haar talent kon pas echt bloeien toen haar befaamde collega’s Felix Klein en David Hilbert haar in 1915 uit Erlangen naar Göttingen haalden. Nog datzelfde jaar loste ze een probleem in de relativiteitstheorie op, door te laten zien dat elk systeem met een ‘continue symmetrie’ ook een ‘behouden grootheid’ kent. Met grote consequenties: het standaardmodel van de bouwsteentjes van materie en hun wisselwerking is gebouwd op symmetrieën en Noethers stelling.

Tegelijk bleef Noether zelf letterlijk en figuurlijk in de schaduw: pas in 1919 mocht ze onder haar eigen naam lesgeven, onbezoldigd als ‘Privatdozentin’, en pas vanaf 1922 kreeg ze als ‘buitengewoon hoogleraar’ een schamele toelage. Het weerhield haar er niet van om enthousiast te doceren en om via artikelen over onder meer Noethergroepen en Noetherringen de drijvende kracht te worden achter de ontwikkeling van de moderne algebra. Het eerste standaardwerk daarover, van de Nederlandse wiskundige Bartel van der Waerden (1930), gaat voor een groot deel over haar werk. Noether deelde haar ideeën bovendien zo vrijgevig, dat veel ervan onder de naam van collega’s en studenten zijn verschenen.

Haar vaderland beloonde haar met ontslag, schreef Einstein na haar dood enigszins bitter. Collega Hermann Weyl, uit het Göttingen dat de joodse Noether in 1933 ontvluchtte, had persoonlijker woorden. Hij benoemde haar eerlijkheid, onbaatzuchtigheid, vrolijkheid en rakelde op hoe ze studenten als „kuikens onder haar vleugels” nam. Tegelijk, allicht onbedoeld, ondermijnde hij vakkundig het rolmodel dat Noether voor andere vrouwen had kunnen zijn: „Ze was grof gebouwd en luid van stem (…)”. En: „niemand kon volhouden dat de gratiën aan haar wieg hadden gestaan, maar als wij in Göttingen schertsend aan haar refereerden als ‘der Noether’, was dat ook in respectvolle erkenning van haar kracht als creatieve denker die door de barrière van de seksen leek te zijn gebroken.”

Wie de foto’s van Noether door hedendaagse ogen bekijkt, ziet een warme vrouw met een vrolijk gezicht en intelligente ogen. Haar ‘stelling van Noether’, zei Nobelprijswinnaar en deeltjesfysicus Frank Wilczek onlangs nog in Science: „is een leidraad geweest voor de natuurkunde van de 20ste en 21ste eeuw.”

    • Margriet van der Heijden