Ed van Thijn met premier Joop den Uyl op een partijcongres van de PvdA, tijdens het kabinet Den Uyl (1973-1977).

Foto Vincent Mentzel

Ed van Thijn: de man die alles zelf al opschreef

Ed van Thijn Deze oud-PvdA-politicus, burgemeester en oud-minister schreef zelf veel artikelen en boeken. Geen reden voor oud-rechter Willem van Bennekom om hem niet kritisch aan de tand te voelen. (●●●●)

Wat valt er in vredesnaam nog over Ed van Thijn te melden? Dat vraagt zijn biograaf Willem van Bennekom (die nadrukkelijk niet als zodanig beschouwd wil worden) zichzelf ook af in het eerste hoofdstuk van zijn boek over de inmiddels 84-jarige oud-PvdA-politicus, oud-burgemeester van Amsterdam en oud-minister. Van Thijn heeft in de loop van de tijd al alles opgeschreven in diverse boeken en artikelen. Zijn oeuvre beslaat een stapel van zo’n veertig centimeter, stelt Van Bennekom gelaten vast.

Maar het was wel Van Thijn zélf die het opschreef. En daar zit direct het probleem bij die egodocumenten, waarvan de reeks ooit in 1978 begon met het baanbrekende Dagboek van een Onderhandelaar. Hierin beschreef Van Thijn minutieus van binnenuit de mislukte kabinetsformatie van dat jaar en waarom ‘dat tweede kabinet Den Uyl’ er toch niet kwam. De waarheid in die omvangrijke productie is wel erg Van Thijns waarheid.

Leeswijzer

Het interessante van het boek van Van Bennekom is dat hij op fijnzinnige wijze de waarnemingen van zijn hoofdpersoon corrigeert dan wel bijstuurt. En zo is het als het ware een leeswijzer bij de boeken en schrijfsels van Ed van Thijn.

Lees ook: Ed van Thijn: de peetvader van het (succes)volle Amsterdam

Van Bennekom noemt zijn boek in het slothoofdstuk ‘het resultaat van een historische driehoeksmeting’. Gesprekken, documenten en eigen opvattingen zijn een eigen verbinding aangegaan. Deze combinatie heeft een uitgesproken leerzaam, helder en vooral ook mooi geschreven boek opgeleverd over de als Joods kind door de Tweede Wereldoorlog gevormde politicus die zo lang in de schaduw van PvdA-leider Den Uyl stond, zelf naam maakte als burgemeester van Amsterdam, zijn politieke carrière zag eindigen met een getroebleerd ministerschap van Binnenlandse Zaken, en tussendoor zich nog met allerlei andere zaken bezighield waaronder een poging om een oplossing te vinden voor het Palestijns-Israëlische conflict in het Midden-Oosten.

Ontdekkingstocht

Van Bennekom, zelf oud-rechter, is er in geslaagd zijn ‘ontdekkingstocht’, want dat is het, in nog geen driehonderd pagina’s samen te vatten. En dat is een hele prestatie, want het probleem met zijn voorlaatste boek, een biografie van PvdA-politicus Maarten van Traa, was juist dat hij daarin geen maat had weten te houden.

Voor zijn project voerde Van Bennekom, zeven jaar jonger dan Van Thijn, anderhalf jaar lang bijna elke donderdag om half twee een gesprek met hem.

Leven als opdracht is een nieuwsgierigmakend boek. Daarbij is Van Bennekom erg geholpen door het feit dat zijn onderwerp nog leeft. Afgezien van het nodige lichamelijke ongemak dat hem zijn bewegingsvrijheid goeddeels heeft ontnomen en soms het geheugen dat hem even in de steek laat, is Van Thijn nog helder en analytisch van geest. Voor zijn project voerde Van Bennekom, zeven jaar jonger dan Van Thijn, anderhalf jaar lang bijna elke donderdag om half twee een gesprek met hem.

De lezer wordt volop meegenomen in Van Bennekoms zoektocht. Hij beschrijft hoe hij met zijn zwarte Moleskin-boekje tegenover Van Thijn zit, die zelf een schrift heeft ‘waarin hij af en toe een hiëroglief plaatst’. En hij schrijft ook dat Van Thijn na de meeste concepthoofdstukken te hebben gelezen opmerkt dat hij hem ‘hier en daar aan de strenge kant vindt’. Van Bennekom op pagina 259 van zijn boek: ‘Ik schrik ervan. Dat was mijn bedoeling niet. Met welk recht zou ik streng zijn voor deze man die me zijn vertrouwen had gegeven en met wie ik me zo vertrouwd was gaan voelen. Had ik de foute toon aangeslagen, dingen verkeerd gezien misschien?’

Verliefd op hoofdpersoon

Maar ondanks deze curieuze, openlijke gewetenswroeging is Van Bennekom niet in de beruchte val getrapt van het ‘verliefd’ worden op zijn hoofdpersoon. Hij toont zonder meer zijn bewondering voor Van Thijn en geeft toe tijdens de voorbereiding van het boek soms zo dicht bij hem te zijn gekomen dat het op vriendschap begon te lijken. Maar kritisch is hij wel degelijk. Bijvoorbeeld als hij Van Thijns lezing over zijn verwijdering van Den Uyl, begin jaren tachtig, onder de loep neemt: ‘Wat daarbij niet hielp (en helpt) is dat Van Thijn als hij eenmaal het gevoel heeft gekregen te zijn verlaten maar beperkte interesse had en heeft voor de feiten zoals anderen zich die herinneren.’ Dat is een weliswaar keurig verwoorde, maar toch tamelijk dodelijke observatie.

Van Bennekom heeft bewezen dat er nog wel degelijk genoeg bleek te melden over Ed van Thijn. Maar of de echte biografie nu ook nog geschreven moet worden, zoals hij suggereert? Een toekomstig biograaf is met dit boek in elk geval gewaarschuwd en weet waar hij aan begint.

    • Mark Kranenburg