Die Japanse walvisstudies, wat stelden ze eigenlijk voor?

Zeebiologie Japan doodde walvissen voor wetenschappelijk onderzoek. En verkocht het vlees. Vorige maand besloot Japan, tegen internationale druk in, de commerciële walvisvaart te hervatten.

Japanse walvisjagers maken overvliegende critici duidelijk wat ze doen met een net gedood dier: ze meten het op voor wetenschappelijk onderzoek.
Japanse walvisjagers maken overvliegende critici duidelijk wat ze doen met een net gedood dier: ze meten het op voor wetenschappelijk onderzoek. Foto John Cunningham/Rex Features Ltd./HH

Genetisch onderzoek wees al uit: er leven twee populaties dwergvinvissen in de noordelijke Stille Oceaan. Maar Japanse onderzoekers wilden ook weten of je aan het uiterlijk van een dwergvinvis kunt zien tot welke populatie hij behoort. Daarom werden de afgesneden flippers van 220 gedode dwergvinvissen bestudeerd. De dieren waren in 2012 en 2013 gevangen voor wetenschappelijk onderzoek. De publicatie staat in het Open Journal of Animal Sciences.

Het soortverschil is te zien, ontdekten de Japanners. Tussen de witte vlek en de zwarte kleur zit bij sommige flippers een stukje grijze huid. Dwergvinvissen die dat hebben, behoren tot populatie O, dwergvinvissen met alleen een witte vlek horen bij populatie J. In de wetenschappelijke publicatie staat een plaatje van een flipper. Hij is zwartig van kleur met in het midden een witte vlek. De kop van het bot steekt er nog uit.

Dit flipperonderzoek is een voorbeeld van wetenschappelijk onderzoek zoals Japan dat jarenlang heeft uitgevoerd. Japanse walvisvangers doodden meer dan 16.000 walvissen voor onderzoek. Was dat een zinvolle dood? Veel wetenschappers vinden van niet.

Walvissen genoeg

Eind december kondigde Japan aan uit de International Whaling Commission (IWC) te stappen. „Na 30 jaar gaan we weer door met de commerciële walvisvangst”, staat op de website van de Japanse overheid. Japan vindt dat de populaties van sommige walvissoorten groot genoeg zijn om te bejagen, maar binnen de commissie ervaart het land onvoldoende ruimte om het jagen weer bespreekbaar te maken. Japan wil daarom de walvisjacht in eigen territoriale wateren en in de exclusieve economische zone van 200 zeemijl hervatten.

Het land wil vanaf juli 2019 dwergvinvissen, Brydevinvissen en Noordse vinvissen vangen. Dat mailt Hideki Moronuki, directeur van het Japanse Visserij Agentschap. Om hoeveel dieren het gaat is niet bekend. „We zijn de vangstquota nog aan het berekenen”, schrijft hij.

Onvoldoende ruimte

De IWC houdt sinds 1946 voor de walvisindustrie de populatie walvissen in de gaten. Toen het halverwege de vorige eeuw erg slecht ging met de walvisstand, bepaalde de commissie dat er vanaf 1986 een vangstmoratorium ingesteld werd. Tot nader order mochten er geen walvissen meer gevangen worden voor commerciële doeleinden. Er is een uitzonderingsmogelijkheid: Artikel VIII. Daarin staat dat het vangen van walvissen mag voor wetenschappelijke doeleinden. Japan maakt daar gebruik van, maar wordt er door media, actievoerders en de wetenschap van beticht het onderzoek als dekmantel te gebruiken. Het vlees wordt, na bestudering, als voedsel verkocht.

De Japanse overheid zegt te stoppen met het vangen van dieren in de Zuidelijke Oceaan, de plek waar veel walvisvangst voor de wetenschap plaatsvond. „Het is eerlijk dat Japan stopt met het vangen van walvissen onder het mom van onderzoek”, zegt Meike Scheidat aan de telefoon. Ze is walvisonderzoeker bij Wageningen Marine Research en lid van het wetenschappelijke comité van de IWC. „Nadeel is dat ze in hun eigen wateren walvissen gaan vangen en dat niemand kan kijken hoe ze dat reguleren.”

‘We gaan door met onderzoek’

Of Japan al het walvisonderzoek stopt, is de vraag. Het Institute of Cetacean Research in Tokio is verantwoordelijk voor het wetenschappelijke onderzoek dat valt onder Artikel VIII. Het instituut vangt de dieren, voert het onderzoek op dode en levende dieren uit, doet walviswaarnemingen en houdt walvisstrandingen bij. Ook beheert het een genetische database van gedode en levende walvissen waar DNA-monsters van zijn genomen. Het instituut antwoordt niet op vragen over het wetenschappelijk onderzoek en het vertrek uit de IWC. „Maak je niet druk”, is het enige wat de woordvoerder zegt. „We gaan door met het doen van onderzoek.”

„De twee wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s die nu lopen onder de uitzonderingspositie van Artikel VIII van de IWC stoppen”, mailt Moronuki van het Japanse Visserij Agentschap. „Wel blijven we biologische data verzamelen van walvissen die commercieel gevangen worden en gaan we door met onderzoek naar levende walvissen. We zullen biopten nemen en waarnemingen doen.”

Sinds 1986 had Japan zes onderzoeksprogramma’s. Er liepen twee programma’s in de noordelijke Stille Oceaan (onder de naam JARPN), twee in de Zuidelijke Oceaan (JARPA) en sinds drie jaar vinden er twee onderzoeken plaats in de buurt van Japan (NEWREP). In totaal zijn daarbij, volgens het IWC, 18 vinvissen, 56 potvissen, 1.359 Noordse vinvissen, 734 Brydevinvissen en 14.156 dwergvinvissen gevangen en gedood. Daarnaast heeft Japan veel onderzoek gedaan waarbij de dieren niet gedood werden.

Maaginhoud

Japanners doen veel onderzoek naar de anatomie van walvissen. Er zijn veel wetenschappelijke artikelen over de lengte van walvissen. Dat geeft inzicht in de populatieopbouw. Het gewicht, de vetdikte en de maaginhoud vertellen hoeveel voedsel beschikbaar is. De hoeveelheid kwik in het vet staat voor de vervuiling in het ecosysteem. Hoe sterker de aminozuren in de ooglens onderling verknoopt zijn, hoe ouder het dier is. En het aantal zwangere vrouwtjes (van de 3.000 gevangen volwassen vrouwelijke dwergvinvissen was meer dan 90 procent zwanger) zegt iets over veranderingen in de voedselvoorraad. Wat vervolgens weer belangrijk is voor het duurzaam beheren van verschillende walvispopulaties.

Doodmaken en bekijken

Veel wetenschappers zijn erg kritisch over het nut van het Japanse onderzoek. Het is niet meer van deze tijd, vinden ze. „Het lijkt op onderzoek uit de 19e eeuw”, zegt Meike Scheidat. „Dat dier gaan we doodmaken en dan bekijken!”

„Al dat anatomische onderzoek kun je ook doen met moderne technieken”, zegt Lonneke IJsseldijk. Bij de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht is zij degene die alle aangespoelde walvissen van de Nederlandse kust ontleedt en onderzoekt. „Je kunt biopten van de huid nemen voor genetisch onderzoek, je kunt walvissen taggen om te weten waar ze hun voedsel halen en waar ze zich voortplanten, je kunt ze met drones volgen. Met de huidige technieken kun je de verspreiding en ontwikkeling van dieren volgen: heel waardevolle informatie, waarvoor een dier niet dood hoeft. Een gedood dier geeft slechts informatie over de gezondheid van het dier op dat moment.”

Het Japanse onderzoek waarbij geen walvissen worden gedood, wordt door de niet-Japanse onderzoekers duidelijk hoger aangeslagen. Het is onderzoek waarbij Japanse onderzoekers in verschillende oceanen de dieren op foto vastleggen en biopten afnemen voor DNA-onderzoek. „Die waarnemingen zijn wel waardevol”, zegt Scheidat.

Dat onderzoekers het Japanse walvisonderzoek niet erg serieus nemen blijkt ook uit cijfers. In het blad Marine Policy zijn wetenschappelijke publicaties van walvisdodende landen vergeleken met publicaties van niet-walvisdodende landen. Japan, en ook Noorwegen en IJsland (de landen die aan walvisvangst doen) kregen slechts 33 procent van hun artikelen gepubliceerd in peer-reviewed tijdschriften. Dat zijn tijdschriften waarin de artikelen vooraf door vakgenoten zijn beoordeeld. Landen die niet aan walvisvangst doen (in dit geval Australië, Nederland, Zweden en de Verenigde Staten) lukt dit twee keer zo vaak. Ook worden publicaties uit Japan, Noorwegen en IJsland vier keer minder vaak geciteerd in andere publicaties.

Vetlaagdikte

Of dat komt door gebrek aan kwaliteit of door afkeer van de methode is nog wel de vraag. „Het is waarschijnlijk een keus van de redactie van wetenschappelijke tijdschriften om geen artikelen te accepteren die gebaseerd zijn op gedode walvissen”, zegt Lars Walløe, fysioloog aan de universiteit van Oslo. Hij was hoofd van de Noorse wetenschappelijke commissie bij de IWC, werkt veel samen met Japanse walvisonderzoekers, maar is nog nooit op een Japanse walvisboot geweest. In 2008 publiceerde hij met onderzoekers van het Institute of Cetacean Research uit Tokio over de dikte van de vetlaag van dwergvinvissen in de Zuidelijke Oceaan. „Dat is een belangrijke publicatie”, zegt hij. „De dikte van het vet nam af in de loop van de jaren. Dat betekent dat er minder krill aanwezig is voor walvissen. Het kan komen door klimaatverandering, maar waarschijnlijker ligt het aan een toename van het aantal blauwe vinvissen, bultruggen en vinvissen.” Ook het genetische onderzoek van Japan vindt hij belangrijk.

Strafhof

De duidelijkste beoordeling van het Japanse onderzoek is waarschijnlijk de uitspraak van het Internationale Strafhof in Den Haag geweest. Dat concludeerde in 2014 dat het wetenschappelijke werk van Japan ondermaats was. Australië klaagde Japan in 2010 aan omdat de Australiërs vonden dat de twee JARPA-onderzoeksprogramma’s in de Zuidelijke Oceaan niet legitiem waren. Het Strafhof bekeek daarom of het Japanse onderzoek wel geschikt was voor de uitzonderingspositie van Artikel VIII van de IWC. Het Strafhof riep drie getuigendeskundigen op (een van hen was Lars Walløe, gevraagd door Japan) die keken naar de methodologie, de grootte van de onderzoekspopulatie en de kwaliteit van de wetenschappelijke publicaties.

De rechters van het Strafhof hadden veel kritiek op de Japanse onderzoeksmethode. Ze vonden dat Japan niet genoeg gezocht heeft naar alternatieve onderzoeksmethoden, waarbij walvissen niet doodgemaakt worden. Ook is het niet goed geweest dat Japan niet eerst een goede evaluatie deed van het eerste JARPA-onderzoeksprogramma dat afliep in 2006, terwijl ze in 2005 al met het tweede JARPA-programma begonnen. Daarnaast hebben de onderzoekers te weinig gepubliceerd in peer-reviewed tijdschriften en werkten ze onvoldoende samen met onderzoekers uit andere landen – wat je toch zou verwachten van een onderzoeksprogramma dat de werking van ecosystemen in de Zuidelijke Oceaan bestudeert.

Na deze uitspraak is Japan tijdelijk gestopt met het doden van walvissen voor onderzoek. Maar in 2015 hervatte het land het onderzoek.

Terug naar het flipperonderzoek. Hoe nuttig is die kennis over het uiterlijk van walvissen? „Die kennis vergaren via de jacht is heel onnodig”, zegt Lonneke IJsseldijk. „Vanaf een schip is het lastig te zien tot welke subpopulatie een walvis hoort, voordat je hem vangt.” Ze vertelt dat IJsland vorig jaar „nog een zeldzame hybride vinvis heeft gespeerd. Dat was per ongeluk.”