Opinie

De machine draait, maar creëert ongelijkheid

Column Beatrice de Graaf De staat werd gezien als zachte moeder of weer een instelbare machine. Die beeldspraak verraadt de tijdgeest.

Beatrice de Graaf

Anno Domini 1745 heerste grote bedrijvigheid in de straten van Wenen. Het plaveisel werd geveegd, de burgers kleedden zich op hun paasbest en de bedelaars werden eventjes om de hoek geparkeerd. Want over de kasseien van de hoofdstad kwam even later het bed van keizerin Maria Theresia aangedeind, met hemeltje en al. Op de kussens prijkte de blozende en weelderige gestalte van de keizerin, die met haar zuigeling aan de borst letterlijk en figuurlijk in het kraambed, langs de onderdanen werd gevoerd. Een groot gejuich steeg op.

Een vruchtbaar, welvarend, blakend land was het, dat Habsburgse Rijk, en Maria Theresia was daarvan niet alleen de heerseres, maar ook het zinnebeeld. Zij was de Moeder des Vaderlands en kreeg 16 kinderen. Het land, dat was het lichaam van de keizerin. Alles kwam uit haar voort en keerde naar haar terug. Haar regeerperiode, althans een groot deel ervan, is nog steeds de periode waar de Oostenrijkers het gelukkigst op terugkijken. Er was harmonie en voorspoed.

Ach, wie wil dat niet? De staat als moeder, met de overheid als haar weelderige boezem, waar we stevig tegenaan worden gedrukt. Zou dat helpen om politieke onvrede en protest te smoren: de vrouw als moeder terug op de troon?

Barbara Stollberg-Rilinger deed jarenlang onderzoek naar de rituelen van de macht in het Habsburgse Rijk, die voor een substantieel deel samenvielen met de rituelen rond het lichaam van de keizerin. In haar bekroonde biografie over Maria Theresia is dat alles na te lezen.

In haar proefschrift uit 1986 analyseerde ze echter al feilloos hoe het beeld van de staat als lichaam, als organisme, als samenspel van levende delen eind achttiende eeuw zijn langste tijd had gehad. Het maakte in die jaren plaats voor een hele andere beeldspraak. Inmiddels had zich een aantal – burgerlijke – experts omhoog gewerkt die een nieuwe discipline bedachten, de Kameralistik, een soort voorloper van de bestuurskunde, en daar ook een nieuw model bij verzonnen. De staat als organisme, dat was oude politiek.

De moderne tijd, zeker de tijd na de Franse Revolutie, de industriële revolutie, vereiste dat de staat functioneerde volgens voorspelbare, berekenbare en meetbare principes. Er moesten net als in de industrie centrale wetten en regels komen, zodat de staat als machine instelbaar en voorspelbaar opereerde. Her en der een paar extra boutjes en moertjes erbij, wat olie, en voilà, de machine draaide. Met de stoommachine, de geautomatiseerde weefgetouwen en de uurwerken was die beeldspraak bovendien het toppunt van vroegnegentiende-eeuwse technologische innovatie. Meten is weten. Vader en moeder konden achter de loopband, prinsen werden uitgeruild voor vakministers.

De twintigste eeuw zag een paar decennia van terugval in atavistische, bruine lichaamspolitiek. De staat als biologisch organisme dat gezuiverd moest worden van bacillen – dat soort geperverteerde semi-wetenschap. Daarmee was de lichaamsmetafoor ook wel even uit de mode. Vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw maakte de machine in de landen van het postindustriële westen een comeback. Denk aan de regeleconomie, de opmars van de technocraten of het militair industrieel complex van de Koude Oorlog. In Nederland legde Ruud Lubbers de bestuurlijke machinerie in de jaren negentig aan de leiband van BV Nederland, waardoor de metafoor nog meer naar benzine ging stinken.

Hoe zit het nu? Macron sprak vorige week nog over zijn poging om de ‘machine’ van Frankrijk weer aan de praat te krijgen. Hij gaat aan de lokale schroefjes draaien, aan de burgemeesters. Die moeten de hervormingen erdoor drukken die hard nodig zijn om ‘het geblokkeerde systeem’ weer aan de praat te krijgen. Maar zitten de burgers nog op draaiende machines te wachten?

De burgemeester van het Friese Ooststellingwerf, Harry Oosterman, klaagde een paar dagen geleden nog over de overheid die met het klimaatakkoord als ‘een stoomwals over de samenleving’ was gerold. De machines, die denderen wel. Het klimaatakkoord zal er wel komen. Maar de burgers staan niet meer aan de kant te juichen, ze kleden zich niet meer op hun paasbest om te klappen als prins Macron langskomt. Of Rutte op zijn fiets. Ze dragen gele hesjes en zijn boos.

De beeldspraak van de macht is meer dan semantiek. Het zijn morele containers, gevuld met de geest van de tijd. Wanneer het regeerakkoord spreekt over de ‘ondernemers’ als de ‘motor achter economie’, en Nederland als ‘koploper’, dan geeft dat perfect aan waar dit kabinet voor staat: winst en bedrijvigheid. Het probleem is alleen dat meer mensen buiten de boot vallen, Mark Bovens schrijft er al jaren over. Ook in Nederland neemt de inkomensongelijkheid toe (CBS, juni 2018). Lyrisch proza over ‘vaasjes’ is dan slechts een afleidingsmanoeuvre. De machine draait, maar produceert slechts meer ongelijkheid.

Misschien willen de mensen liever een moeder. Een warm lichaam in een groot bed dat naar je toe wordt gedragen. Toch was ook dat een tijdelijke illusie; het Habsburgse lichaam viel uiteen, de onderdanen wilden liever autonomie dan knuffels van de keizerin. Er zijn ook landen die het proberen met het zinnebeeld van de overheid als beschermende vader. Maar ja, daar horen muren bij, of raketten. Welk model zou dan wel werken? Wat denkt u? Wordt vervolgd.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.