Hoe een gevaarlijk zeemonster veranderde in een bestaande walvisachtige

Kunstgeschiedenis De zee-eenhoorn was in de middeleeuwen een berucht monster. Later bleek het een imaginaire diersoort. De narwal bleef over. Marjolein Zijlstra onderzocht opkomst en ondergang van het dier.

Afbeelding van een zee-eenhoorn uit een middeleeuws handschrift (1460)
Afbeelding van een zee-eenhoorn uit een middeleeuws handschrift (1460)

De gewone eenhoorn, die dappere viervoeter met een slanke hoorn op zijn kop, kent iedereen. Minder bekend bij het brede publiek is dat in de middeleeuwen, vanaf de dertiende eeuw, ook een ‘zee-eenhoorn’ rondzwom in de oceaan. Althans, dat geloofde men toen.

Kunsthistorica Marjolein Zijlstra promoveerde donderdag in Leiden op een onderzoek naar die zee-eenhoorn: een imaginaire diersoort die in vergetelheid is geraakt.

Zijlstra laat in haar proefschrift zien hoe een woest en gevaarlijk zeemonster in de loop van vijf eeuwen veranderde in een bestaande walvisachtige: de narwal. Het is iconografisch onderzoek. Zijlstra verzamelde zo veel mogelijk afbeeldingen van zee-eenhoorns – middeleeuwse miniaturen, gravures uit de renaissance, en zeekaarten met zeedieren erop uit de Gouden Eeuw. Ze las daarnaast alles wat er in die eeuwen over het dier geschreven is, om zo te achterhalen waarom die afbeeldingen ooit gemaakt werden en wat ze betekenen.

Vincent de Beauvais (1190-1264), een Franse monnik en auteur van een een encyclopedisch werk over de natuur, beschreef de zee-eenhoorn als eerste: een enorme vis (of walvis) met een vervaarlijke hoorn op zijn kop, waarmee hij schepen kon doorboren.

Het is maar één van de vele zeemonsters en ‘zeewonderen’ die in middeleeuwse zoölogische verhandelingen beschreven worden. De middeleeuwer wist en begreep maar weinig van het dierenleven in de oceaan. Dat prikkelde de fantasie enorm. Men geloofde in die tijd, in navolging van wat de Romeinen erover geschreven hadden, dat de zee extreem vruchtbaar was en dat daaruit de meest uiteenlopende schepsels konden ontstaan. De zee creëerde unieke levensvormen, maar ook wezens die varianten waren van wat er op het land rondliep. Er waren zeehonden, zeewolven, zeebokken, zeezwijnen, zee-eenhoorns, en er was zelfs een wezen dat eruitzag als een monnik en daarom zeemonnik werd genoemd.

Vis met hondekop

De middeleeuwse afbeeldingen van de zee-eenhoorn zijn artist’s impressions van een dier dat men kende van horen zeggen. Het beest wordt soms getekend met een vrij lompe hoorn op zijn kop en soms met een slankere hoorn. Het dier heeft schubben, of niet. Een enkele keer is het een vis met de kop van een hond.

Vanaf het begin van de zestiende eeuw worden zee-eenhoorns systematisch afgebeeld met de hoorn van de landeenhoorn op zijn kop: een dunne, lange, sierlijk gedraaide (gespiraliseerde) hoorn.

Nicolaas Tulp tekende in 1651 een narwalschedel met tand. Anatomisch juist. Maar de narwal die hij erbij tekende kreeg zijn tand ten onrechte op zijn snuit geplaatst.

Daar is een goede reden voor. Men begon namelijk te twijfelen aan het bestaan van de landeenhoorn. Het enige bewijs daarvoor waren de eenhoornhoorns, die al eeuwenlang deel uitmaakten van de curiositeitenkabinetten van heersers en kerkvorsten. Die hoorns, en het poeder dat daaruit gemaakt werd, waren een zeer gewaardeerd magisch-medicinaal middel tegen vergiftiging en tegen een heleboel kwalen.

Behoefte aan ander dier

Maar niemand zag ooit een landeenhoorn. Daardoor ontstond er behoefte aan een ander dier dat kon worden aangewezen als de drager van die wonderbaarlijke hoorn. Dat werd de zee-eenhoorn.

Die werd ook steeds vaker gezien, want vanaf 1500 gingen er steeds meer Nederlandse schepen naar de Noordelijke IJszee. Zeelieden kwamen terug met verhalen over eenhoorns die ze daar zagen. Dat waren natuurlijk narwals, walvisachtigen van zo’n vijf meter lang.

De ironie wil dat de gewilde eenhoornhoorns in werkelijkheid tanden waren van mannelijke narwals. De handel hierin bestond al in de tijd van Karel de Grote. De noordelijke leveranciers van de hoorns, en hun tussenpersonen, hadden er alle belang bij om de herkomst verbergen. Want een eenhoornhoorn was véél meer waard (namelijk twintig keer zijn gewicht in goud) dan de tand van een obscure walvisachtige.

Ook toen er betere waarnemingen kwamen en er zelfs een gravure gepubliceerd werd waarop anatomisch correct werd afgebeeld hoe de schedel en de tand met elkaar zijn verbonden, kon men maar geen afscheid nemen van het idee van een magische dierenhoorn. Want op dezelfde gravure staat een mannelijke narwal met de hoorn op zijn snuit, terwijl op de afbeelding ernaast te zien is dat het een tand is die uit zijn bek groeit.

En zo ziet de narwal er in het echt uit: een walvis met één asymmetrische tand.

Foto Reuters

Ook toen in Duitsland, in de Elbe, een verdwaalde narwal gevangen werd, kreeg dat dier op een gravure een eenhoornhoorn op zijn snuit.

Pas in de achttiende eeuw is het afgelopen met de mythe van de eenhoornhoorn. Ook omdat men dan experimenten gedaan heeft met gemalen narwaltand. Het bleken fabeltjes, die uitzonderlijke medische eigenschappen. Gek genoeg blijft eenhoornpoeder (vaak gemaakt van de gemalen botten van willekeurige dieren) tot in de twintigste eeuw verkrijgbaar in de apotheken.

En de narwal, dat is nog steeds een geheimzinnig beest. Want waarom hebben de mannetjes zo’n lange tand? En waarom maar aan één kant van hun gebit? Dat is nog steeds niet goed opgehelderd. Ze gebruiken de tand om onderling te stoeien, en er is inmiddels ook een filmpje gemaakt waarop te zien is dat ze er, tijdens de vissenjacht, hun prooien een mep mee kunnen geven. Recent onderzoek naar de samenstelling van de tand suggereert dat de tand (ook) een zintuiglijke functie zou kunnen hebben. Maar waarom hebben de vrouwtjes dan niet zo’n tand?