Nederlands beste schaker Anish Giri: „Sinds ik weet hoe belangrijk herstellen is, probeer ik af en toe niet aan schaken te denken door me iets minder voor te bereiden.”

Anish Giri: buiten het schaken heb ik geen vrienden, dat is onmogelijk

Interview Anish Giri Hij traint tot twaalf uur per dag achter een scherm in zijn Haagse werkkamer. Alleen, geobsedeerd door het spel. Een gesprek over megalomane toewijding, het afsluiten voor alle emoties. „Mijn vrouw zegt vaak: je bent wel hier, maar je bent niet hier.”

In de foyer van het Alkmaarse theater De Vest staat een kalende man van in de vijftig al bijna twintig minuten geduldig te wachten naast een tafeltje met daarop een onaangeroerd schaakbord. Zijn rug kromt en daardoor valt de punt van zijn blauwe stropdas een eind over zijn broekriem. Hij staart met zijn handen in zijn zakken richting het belendende Grand Café Klunder, schuifelt wat heen en weer.

Als de dunne gestalte van de Nederlandse grootmeester Anish Giri (24) uit die richting zichtbaar wordt, veert de man op en neemt hij zonder een blik uit te wisselen plaats achter het bord voor een potje schaak tegen de nummer vijf van de wereld. Het is het zoveelste partijtje dat Giri deze ochtend bij wijze van meet and greet met een amateur speelt, voorafgaand aan het Tata Steel-toernooi in Wijk aan Zee, dat dit weekend begint.

Uit het niets richt de man zich op. „Heb je een huurhuis”, vraagt hij. Giri deinst lichtjes naar achter. „Ehhh, nee”, mompelt hij verbaasd. „In een stad of in een dorp”, vraagt de man door. „In Den Haag”, antwoordt Giri, terwijl hij opgelaten om zich heen kijkt. Het spel gaat door. Een paar zetten later biedt de man remise aan. Giri accepteert en maakt dat hij wegkomt. Hij heeft honger. En van spelen zonder uitdaging wordt hij snel moe.

Het lijkt me lastig schaken tegen die man van daarnet. Onvoorspelbaar, je kunt hem niet lezen.

„Hem lezen maakte niet uit, want ik was veel sterker op het bord. Maar je hebt inderdaad weleens te maken met bijzondere mensen, al zijn de meeste topschakers best normaal, sociaal ook. Als je te apart bent, is het lastig om goed te worden. Het gaat niet alleen maar om schaken, maar ook om je voorbereiding, om hoe je je leven inricht, dat je genoeg tijd en ruimte hebt om te werken.”

Ben jij normaal?

„Ik sta dichter bij normaal dan die meneer die we net zagen.”

Topschakers hebben soms het imago dat ze autistische trekken kunnen vertonen, dat bedoel ik eigenlijk.

„Mensen denken ook vaak dat schakers vooral rokende, oude mannen zijn. Dat is niet zo. Regelmatig heb je van die kinderschaakfestivals.”

En waar zijn de vrouwen? Ik heb er geen gezien vanochtend. Zo is het in de hele schaaksport. Waarom, denk jij?

„Ik heb daar geen mening over, het is een te groot onderwerp voor mij. Vrouwen hebben natuurlijk geen minder brein dan mannen, dus er moet een andere oorzaak zijn. Niemand kent die.”

Je hebt wel eens gezegd dat je mensen indeelt in twee groepen: schakers en niet-schakers. Ik kan niet schaken. Ben ik daarmee per definitie oninteressant?

„Wanneer zei ik dat? In 2009? Ik ben inmiddels behoorlijk veranderd. Ik was toen 15, net in Nederland, en nog te jong om dingen hier te begrijpen. Om topschaker te worden moet je het erg veel over schaken hebben en ga je bijna alleen maar met schakers om. Je moet geobsedeerd zijn. Maar ik heb inmiddels een vrouw en een kind, heb contact met familie. Toen was het zo dat ik mensen in twee groepen indeelde, maar nu niet meer.”

Anish Giri groeit op in Sint-Petersburg en wordt op zijn veertiende de dan jongste schaakgrootmeester ooit. Hij leert het spel van zijn Russische moeder, die het grootste deel van zijn opvoeding voor haar rekening neemt. Zijn Nepalese vader is veel in het buitenland voor werk. Giri heeft twee jongere zussen. Zijn gezinssituatie omschrijft hij als „voor Russische en Nepalese begrippen traditioneel”.

Je vader zei in een interview dat jullie het in Sint-Petersburg niet makkelijk hadden. Kennelijk was het gevaarlijk, je ouders waren bang dat je een mes tussen je ribben zou krijgen.

„Sint-Petersburg stond in de jaren negentig bekend als een criminele stad. Ik zorgde er gewoon voor dat ik altijd met een vriendje naar school liep. Dergelijk gevaar voel je, of je voelt het niet.”

Voelde jij het?

„Ik ben altijd wel een beetje van het bangerige type geweest, was vanaf jonge leeftijd erg voorzichtig. Je ziet dat nu ook terug in mijn spel. Ik bedenk altijd de worstcasescenario’s.”

Je gaat van het slechtste uit?

„Dat niet, maar ik houd er wel rekening mee. Ben optimistisch, maar ik heb helder wat er mis kan gaan. Mijn zoontje is ook zo, vergeleken met andere kinderen van zijn leeftijd is hij erg voorzichtig. Dan staat hij aan de tafel en kijkt hij eerst heel goed of hij zijn hoofd niet gaat stoten. En dan nog sta ik om hem heen. Het zal dus ook wel in de genen zitten.”

Werd je gepest, omdat je er anders uitzag dan de meesten?

„Ik was heus niet het mikpunt, had altijd wel vrienden. Maar ik herinner me een moment in een kamp waar ik zat voor mijn rugproblemen, en waar ik geplaagd werd door een jongen. Op een gegeven moment heb ik hem een duw gegeven. Toen gaf hij me een hand en vroeg hij of ik vrienden wilde worden. Vanaf dat moment heb ik het begrepen.”

Dat je jezelf kunt verdedigen?

„Ja, je moet af en toe een beetje duwen in het leven. Zo werkt het ook in het schaken: terugduwen, anders gaat het fout.”

Foto Andreas Terlaak

Als Giri 8 jaar is, verhuist het gezin naar Sapporo in Japan, waar vader Sanjay Giri gaat studeren aan de Universiteit van Hokkaido, en daar ook een baan krijgt. Anish wordt op een Japanse basisschool gezet, en heeft in het begin moeite met de taal. Hij sluit vriendschappen met kinderen als Kamiran, een Turkse jongen uit de Chinese autonome regio Xinjiang, met wie hij meer sport dan schaakt. „In Japan kwam ik in een wereld waar bijna niet geschaakt wordt. Ze spelen daar go [een bordspel]. Schaken raakte op de achtergrond.”

Ben je daardoor achterop geraakt?

„Ik was 14 toen ik grootmeester werd, dat is niet heel laat. In principe zou die periode nadelig moeten zijn voor mijn ontwikkeling, maar ik mag niet klagen als ik zie waar ik nu sta.”

Wanneer dacht je: ik word professional?

„Dat is nooit een bewuste keuze geweest. Nadat ik mijn vwo-diploma haalde, werd mijn schaken zo veel beter dat het in elk geval onverstandig was geweest als ik was gaan studeren.”

Welke studie had je interesse kunnen wekken?

„Psychologie, want dat is relatief makkelijk. Als schaker ben je voortdurend bezig met wie je bent, en wie je tegenstander is. Psychologie is een groot deel van het spel. De psychologische relatie die je hebt met tegenstanders, verandert steeds. Tegen Vladimir Kramnik verloor ik zeven keer, maakte ik wat remises, en daarna won ik twee keer. Dan komt de druk. De derde keer moet je het waarmaken.”

Jouw secondant, grootmeester Erwin l’Ami, vertelde dat 2017 een moeilijk jaar was. Waar val je dan op terug?

„Het helpt als je weet dat je zo’n slechte periode al eens overleefd hebt. Het was niet de eerste dip. Die kwam net nadat ik mijn huidige vrouw [schaakster Sopiko Goeramisjvili] had ontmoet. Dat was geen toeval denk ik.”

Het gebeurde ook toen je vader werd.

„Ik weet niet goed wat ik bij grote veranderingen in mijn routine moet doen. Altijd bezig met schaken, en ineens was ik de focus een beetje kwijt. Ik heb stabiliteit nodig, in alles, en als er iets verandert moet ik daarvan herstellen.”

Het zijn life events, trouwen en zo’n bevalling.

„Ik was op een groot toernooi tijdens de bevalling, die uitdaging kon ik niet laten liggen. En we hadden het ook zo gepland. Mijn vrouw was bij familie in Georgië. Zij is ook schaker, ze snapt het. Zonder haar was dit leven niet mogelijk geweest.”

Je miste de eerste seconden van het leven van je zoon. Is dat niet jammer?

„Dat soort symbolische momenten klinken heel mooi, maar rationeel gezien is het twee dagen later allemaal hetzelfde. Ik kies dan voor de logische oplossing.”

Hier spreekt de schaker. Emotie mag geen rol spelen?

„Klopt, ik ben koel. Emoties, negatief of positief, kan ik niet afsluiten, maar dat probeer ik wel.”

Ben je dus emotioneel vlak?

„Natuurlijk niet, dat is niemand. Ik kan mijn emoties goed controleren. Ik begrijp hoe ze in elkaar steken en ik kan ze in perspectief plaatsen, ze relativeren.”

Het gezin Giri emigreert nog eens, als Anish 14 is. Hij is dan al Russisch schaakkampioen onder 12 jaar en grootmeester. Pa heeft een baan gevonden aan de TU Delft en ze gaan in Rijswijk wonen. Giri komt terecht op een tweetalig vwo, „met veel kinderen die graag willen leren, nerds, geen macho’s”. Hij haalt zonder al te veel moeite zijn diploma. „Iedereen daar wist dat ik ergens kampioen in was. Dat was natuurlijk cool”.

In die periode schrijven kranten dat je uit de hoogte bent. Herken je jezelf daarin?

„Mijn Nederlands was in die tijd niet goed, ik begreep nog niet alles, ook in interviews niet. Ik wilde juist zo bescheiden mogelijk zijn, maar de laatste tijd doe ik daar niet zo veel meer aan.”

Waarom zeg je dat?

„Na een tijdje bescheiden dingen zeggen begin je jezelf te herhalen. Dat is zonde, want je wil ook persoonlijkheid laten zien. In principe heb ik niets te verbergen. Maar mensen hebben altijd kritiek, soms ook tegenstrijdig. Dan zeggen ze dat ik geen ambitie heb. Als je weet dat ik tot twaalf uur per dag werk aan mijn schaken, dan weet je: dat is onzin. Ik ben zeer goed voorbereid, dat is voor mij een van de grootste onderdelen van het spel. Dat doe ik veelal alleen achter een computerscherm, want degene die me zou helpen zou geen leven meer hebben. Soms werk ik te veel, waarschijnlijk. Maar het gaat goed zo.”

Is minder doen een verbeterpunt?

„Laatst sprak ik met een sportpsycholoog die me vroeg: ‘wanneer herstel jij? Elke topsporter heeft hersteltijd nodig’. Ik zei: ‘wat, herstel? Ik wandel, maar dan denk ik nog steeds na over schaken’. Sinds ik weet hoe belangrijk herstellen is, probeer ik af en toe niet aan schaken te denken door me iets minder voor te bereiden. Ik ben me nu meer bewust van het gevaar van te veel werken, probeer gedachten over een tegenstander los te laten.”

Je sprak eerder van ‘mentale blessures’. Hoe is jouw mentale vorm nu?

„[De Indiase grootmeester] Viswanathan Anand zegt dat je je moet voorbereiden alsof je leven ervan afhangt, maar dat je de partij moet spelen alsof het niet uitmaakt. Zo heb ik me ook voorbereid op Wijk aan Zee; alsof de uitslag niet uitmaakt.”

In hoeverre bestaat er een Anish Giri naast het schaken?

„Mijn vrouw zegt vaak: je bent hier, maar je bent niet hier. Dat moet ook zo zijn om op topniveau te schaken. Je kunt zeggen: ik heb er geen leven naast, maar dat voelt niet zo. Mijn hele leven is ingericht op het schaken. Mijn familie weet dat ik soms alleen op mijn kamer moet zijn.”

Heb je vrienden buiten de schaakwereld?

„Dat is bijna onmogelijk. Ik heb prima relaties en contacten met kennissen, maar vrienden zou ik niet zeggen.”

Ben je het nooit zat?

„Soms als ik moe ben, maar de zin komt gauw weer terug. Ik heb vijf dagen zonder schaakcomputer geprobeerd tijdens mijn huwelijksreis en dat was erg lastig. Vergeet niet: ik schaak omdat ik het wíl, dus word ik er niet zo snel moe van.”

Waar doe je het allemaal voor? De wereldtitel?

Giri blijft tien seconden stil. Dan zegt hij: „Ik doe er alles voor om wereldkampioen te worden, maar ik mag me daar niet op focussen. Dat moet je niet roepen in interviews. Fans vinden dat mooi, maar het verschil maak je door hard te werken.”

Waarom was je zo lang stil?

„Ik wilde het goed verwoorden. Het is een van de lastigste vragen voor een topschaker. Je kunt jezelf namelijk geen bevestigend antwoord geven, ook niet als je dat wel zou willen.”

Dat is een trucje om het klein te houden voor jezelf.

„Ja. Als je schaakt, kun je geen druk hebben”.

Ben je veel met Magnus Carlsen [de wereldkampioen] bezig?

„Ik bereid me het meest voor op hem, maar ik staar me niet blind. Vorige week heb ik nog van hem verloren bij het WK snelschaak. Ik speelde tegen hem aan het begin van de dag en het gevaar was dat ik mijn dag zou verkloten als ik te veel aan hem zou denken. Ik heb me zo ingesteld dat ik na die partij altijd door kon. Ik verloor, maar speelde toch nog een goed toernooi. Daar ben ik erg blij mee. Het gaat erom dat je gecontroleerd kunt loslaten. Daarmee blijf ik gewoon doorgaan. Hopelijk heb ik dan een keer het geluk dat alles op z’n plek valt.”

    • Dennis Boxhoorn