Recensie

Waar is het 17-jarige meisje gebleven, en wat gebeurde er bij die vechtpartij?

Edzard Mik In zijn tiende roman komen de beste elementen uit het vroegere werk van Edzard Mik samen. Een journalist gaat op zoek naar de verdwenen 17-jarige Gülay. Hij koestert de pijnlijke wittemannenneiging om zichzelf te beschouwen als verlicht ziener en voorbeeld.

Illustratie: Paul van der Steen

Er is een meisje verdwenen en Marten Landman, journalist, gaat erop af. Niet om een stuk te schrijven, maar om te helpen zoeken, omdat hij zich verantwoordelijk voelt, verplicht bijna. Het meisje, de 17-jarige Gülay, is de dochter van Nazim, een kennis van vroeger bij wie Landman nog een rekening open heeft staan. Vader vermoedt geen wegloop maar misdaad.

Zo zijn we aan het begin van Mea culpa, de tiende roman van Edzard Mik (1960), meteen op vertrouwd terrein. In zijn werk borrelen vrijwel altijd kwesties uit het verleden op, waarna het aan de personages is om de rekeningen netjes te vereffenen.

Dat terugkerende gegeven wordt niet sleets, althans: niet in Miks handen. De rekening laat zich hier namelijk niet zo gemakkelijk opmaken en dat levert een puzzel op die de lezer mag leggen, terwijl Mik rustig zijn verhaal ontvouwt. Ik help u even op weg: ons hoofdpersonage kent Nazim van achttien jaar eerder, toen ze betrokken waren bij een vechtpartij die het gevolg was van een vete tussen twee Turks-Nederlandse families. Landman was de beste vriend van Erol, die opgewacht en aangevallen werd door Nazim, waarbij Nazim invalide raakte. Erol ontliep vervolging. Nu sleept Landman ook nog zijn oude geliefde Sybil mee naar Maastricht, waar hun aller jeugd zich afspeelde. Inmiddels is Sybil de vrouw van Erol.

Niet helemaal te vertrouwen

Maastricht, de juristenachtergrond van de personages (Landman is de zoon van een officier van justitie, vriend Erol trad in diens voetsporen) én verhoudingen die soapachtig ingewikkeld zijn – dat alles roept Miks zevende roman in herinnering, Goede tijden (2009), die niet toevallig zo heette. Het was niet Miks beste boek, vanwege de uitzinnige intriges en een vormexperiment dat nergens toe leidde. Die feilen herinner je je nu, maar opgetogen. Want met hetzelfde decor en vergelijkbare ingrediënten – misdaadplot, soap – blijkt Mik dus ook zoiets als Mea culpa te kunnen maken.

In zijn verhalenbundel Tussen ergens en nergens (2017) verkende Mik de vervreemding in vele toonaarden. Lees ook de recensie: Opgeëist door een bruusk begeren

Want dit is een goed boek. Wat er óók in zit, is een verteller van wie je vermoedt dat hij niet helemaal te vertrouwen is, een procedé dat een Mik-lezer zich herinnert als misschien wel het krachtigste element uit Mont Blanc (2012), zijn meest geprezen roman. Dat hóéf je overigens allemaal niet te herkennen of weten; een ik-verteller die op bladzijde één al aan zichzelf twijfelt, maakt zichzelf al genoegzaam verdacht. Hij ziet de invalide Nazim ‘schommelend als een galjoen’ naar de keuken lopen, en: ‘Ik begreep er niets van, dat wil zeggen, ik begreep wel hoe het een tot het ander leidde, de wurgende wetmatigheid van oorzaak en gevolg, maar wat ik begreep, begreep ik niet écht’, noteert hij.

Wetmatigheid van oorzaak en gevolg – als er iets op losse schroeven komt te staan, is het wel die wetmatigheid. Er zijn in Landmans leven veel te veel factoren van invloed (geweest) – liefde, lust, onmin tussen vrienden en familieleden – om duidelijk oorzakelijke verbanden te kunnen zien. En dan lijkt de verteller ook nog een blinde vlek te hebben voor een van de invloedrijkste factoren: zijn probleem met verantwoordelijkheid, het teveel daaraan.

Landman koestert de pijnlijke wittemannenneiging om zichzelf te beschouwen als verlicht ziener en voorbeeld

Waar het meisje is, is algauw niet meer de belangrijkste vraag die Mea culpa voortstuwt, maar: wat is er gebeurd bij die vechtpartij? Landman bemoeit zich graag met van alles – en loopt daarmee recht op de valkuil van zijn kortzichtigheid af. Dat is de keerzijde: dat hij zich inlaat met zaken die de zijne niet zijn.

Hulp behoeven

Althans, zo dénk je dat het loopt, maar de schuldvraag in Mea culpa krijgt onvermoede antwoorden; een van de kwaliteiten van de roman is de prettige onvoorspelbaarheid ervan. Die is ingegeven door de sterke verteltoon die Mik zijn personage gaf. Hij vertelt in lange, meanderende zinnen, waarin soms een heel mooie waarneming flonkert (op het politiebureau: ‘telkens als ik uitgesproken was klonk dat dreinende getik, mijn getuigenis die letter voor letter in zijn computer lekte’). Dat doet Landman overkomen als een gevoelig, nadenkend, overwegend mens. En dat maakt je bereid met hem mee te denken, hem te geloven, te vertrouwen – het is de manier waarop Herman Koch je er ook genoeglijk in kan luizen. Er is in Landmans verleden nogal wat misgegaan als gevolg van zijn beperkte perspectief, zijn romantische (lees: seksistische) blik op vrouwen en zijn opvatting dat Turkse Nederlanders zijn hulp behoeven.

Dat laatste doet Mea culpa uitstijgen boven het knappe vakmanschap (wat toch een koel compliment blijft). Mik, die als hoofdredacteur van literair tijdschrift De Gids al een poosje toont dat de kracht van literatuur niet alleen in ambachtelijkheid zit, schreef ook helemaal een roman van deze tijd. Landman koestert de pijnlijke wittemannenneiging om zichzelf te beschouwen als verlicht ziener en voorbeeld, en dat gaat nog het meest ten koste van de Turkse Nederlanders, maar in feite van alle mensen in dit boek, inclusief hemzelf. Dat lijkt geen nieuw verhaal – maar zoals Mik het hier vertelt, zowel scherp als invoelend, is het dat wel.

    • Thomas de Veen