Voor de nieuwe dakloze is maar weinig plek

Daklozenopvang Ben uit Olst kwam na het faillissement van zijn cafetaria op straat te staan. Toen verdween hij jaren van de radar. „We vonden ’m uiteindelijk bij het veerpontje aan de IJssel, samen met zijn hond.”

De schuur in de uiterwaarden waar Ben soms sliep op het stro, naast een vossenhol.
De schuur in de uiterwaarden waar Ben soms sliep op het stro, naast een vossenhol. Bram Petraeus

De namiddagzon beschijnt de uiterwaarden van de IJssel met een warme gloed. Over het onverharde pad langs de graslanden slentert Ben, licht voorovergebogen, Rottweiler kort aangelijnd achter hem aan. Hij wijst naar de kleigaten, die bij hoogtij vol water lopen, en naar een bosje verderop, waar een groepje reeën zich soms verschanst. Bij de ruïne van een oude steenfabriek blijft hij staan, pal voor het laaghangend prikkeldraad en kijkt even achterom. „Bang voor vleermuizen?”

Zijn hele leven heeft Ben langs de IJssel gelopen. Dus toen hij na het faillissement van zijn cafetaria De Eekhoorn in Olst in 2011 op straat kwam te staan, werd dit zijn nieuwe thuis. Slapen op het stro in een vervallen schuur, groente en appels van het boerenland en konijntjes roosteren boven het vuur. De valletjes maakte hij van het vlechtdraad van een hek, als strop neergelegd bij een wildspoor. Vier jaar lang. Geen aanmaningen, geen gedoe, slechts waakzaam voor de boswachter en het water.

Ben in zijn woning in Heino. Bram Petraeus

„Wij willen friet van Ben!” bezong de herensociëteit van Olst eens. „Doar kriej altied zo völle…” Ben stond bekend om zijn generositeit. Flinke porties en de schnitzels van malse varkensbil in plaats van rug, gesneden dwars op de draad. Meer werk, minder schoenzool. De zaak, overgenomen van zijn vader, stond goed aangeschreven. 23 jaar lang stond Ben er samen met zijn zus achter de frituur. Hij sponsorde de lokale gemeenschap en als hij de vuilcontainer aan de straat zette, stopte hij er steevast wat koeken en frisdrank in, wetende dat een dakloze ze zou vinden.

Maar toen hij zelf op straat kwam te staan, gaf niemand thuis. Zo voelt hij het. Ben was geen boekhouder. De catering deed hij altijd piekfijn, maar de nota’s vergat hij soms. De belastingschuld liep zo hoog op dat zijn inboedel werd geveild, en later zijn huis. In de schuur van zijn zus kon hij niet eindeloos blijven. Mensen hielden afstand en zijn sociale netwerk – hij is geen prater – was niet groot. Ben, om privacyredenen wil hij niet met achternaam in de krant, werd dakloos. Naar de opvang mag niet met een hond. Hij bleef jaren onder de radar.

Pechmannen zijn de nieuwe daklozen

Door pech op straat

Het hoogste aantal mensen ooit doet een beroep op opvang, zegt Rina Beers van Federatie Opvang, de brancheorganisatie voor deze instellingen. 70.200 mensen, in 2017, inclusief begeleid en beschermd wonen. Onder hen een groeiend aandeel ‘nieuwe daklozen’, is haar indruk. Mensen zoals Ben die op straat belanden vanwege pech, niet omdat ze verslaafd zijn of verward. Scheiding, ontslag, faillissement.

Het zijn mensen met een beperkt sociaal netwerk die niet op de woningmarkt terecht kunnen, want die is dichtgeslibd. Ze konden vroeger vaak nog tijdelijk terecht als kostganger op een kamer, maar wie doet dat nog, een kamer verhuren? Genoeg lege verdiepingen in Nederland, zegt Beers, maar het levert de verhuurder, los van privacy-verlies, een berg administratie op. Je wordt gekort op toeslagen en betaalt meer belasting. „De overheid werkt dat actief tegen.”

Dus kloppen daklozen nu aan bij de gemeente, die wettelijk de verplichting heeft om iedereen die zich meldt, opvang te verschaffen. Maar die verplichting komen gemeenten lang niet altijd na, blijkt uit onderzoek dat het Trimbos-instituut afgelopen maand publiceerde. Mysteryguests deden vorig jaar 215 aanvragen voor opvang en 43 procent werd afgewezen, omdat de opvang vol zat of vanwege de – onterechte – eis dat de aanmelder binding met de regio moest hebben.

Executieveiling

Misschien had Ben wel eerder hulp gezocht als zijn aftocht in het dorp niet zo traumatisch was verlopen. De executieveiling van zijn inventaris, van bakwand tot koelvitrine, stond aangekondigd in de lokale krant. Dat werd een hele vertoning, midden in Olst. Dus op de dag van executie, 5 augustus 2011, trok Ben de deur achter zich dicht en vertrok met zijn hond Borre voor een wandeling langs de IJssel.

Eenmaal terug ging het mis. De deurwaarder had de politie erbij moeten halen om de deur te forceren en „tijdens de verkoop verscheen een 56-jarige Olstenaar ten tonele”, stond de volgende dag in de krant. De man ging zo door het lint dat de deurwaarder werd geslagen „met een hondenriem” evenals een politieagent. „De Olstenaar verzette zich hevig tegen zijn aanhouding en werd geboeid afgevoerd.”

Ja, zegt Ben nu, de stoppen sloegen door. Hij had gezien hoe de hele straat was afgezet en was met gebogen hoofd op een bankje gaan zitten, waar hij nog een glaasje limonade kreeg aangereikt terwijl verderop onder grote belangstelling zijn spullen bij opbod werden verkocht. En toen hij via de achterdeur poolshoogte kwam nemen, riep iemand „Hé, dat is ’m!” en zag hij dat leidingen van de muur waren losgerukt en dat een kerel stond te lachen. De deurwaarder, bleek later. Ben gooide een vat koud frituurvet om en er volgde een worsteling met vijf man in het vet. Hij kreeg pepperspray in zijn ogen en belandde in de cel. Drie dagen later werd hij heengezonden met een zak kleding, ruikend naar frituurvet.

Een tijdje woonde hij nog met de gordijnen dicht boven de zaak, maar toen ook die per opbod werd verkocht, hij ook bij zijn zus niet langer kon blijven en tevergeefs aanklopte bij de gemeente – want woningen in Olst waren niet beschikbaar en als dakloze moest hij bij centrumgemeente Deventer zijn – verdween zijn vertrouwen in mensen en instanties. En dacht hij: bekijk het allemaal maar.

„Hier reden we rond, soms hele dagen, op zoek naar Ben.” Achter het stuur zit Stephan van Embden, met een collega in de auto door boerenland. Ze zijn van Stichting OnderDak die bemoeizorg levert in het oosten van Nederland.

Het tweetal hoorde over Ben van een sociaal advocaat die hem had ontmoet nadat Ben bij het gemeenteloket in Deventer met een hartinfarct was weggevoerd en geen woning bleek te hebben. Dat was in 2016, toen hij al vier jaar onder de radar leefde. „We vonden ’m uiteindelijk bij het veerpontje aan de IJssel, samen met zijn hond.”

Eigenzinnig, koppig, achterdochtig, dat is Ben. En ja, zegt Van Embden, als je aan Ben een label uit de DSM, het handboek voor psychische stoornissen, wilt hangen, dan is er vast één te vinden. Maar wat helpt het.

Tekening Kamagurka

Nummertjes trekken

Na maanden kreeg Ben vertrouwen in het tweetal en toog hij mee naar het gemeentehuis van Deventer om een daklozenuitkering aan te vragen. „Dat was loket één”, zegt Van Embden. Maar Ben stond niet in het systeem en werd volgens Van Embden doorverwezen naar gemeente Olst, waar hij voor het laatst had gewoond: „Loket twee”. Daar aangekomen bleek dat hij als dakloze toch echt in Deventer moest zijn. Terug op het gemeentehuis werd hij verwezen naar een ander loket, voor daklozen, elders in de stad. Daar werd hij verwezen naar het bijzonder zorgteam en naar verslavingszorg, waarna Ben boos werd want hij is niet verslaafd. Voor een uitkering moest hij eerst een postadres hebben en daarvoor werd hij verwezen naar een ander loket. En voor een ID-kaart weer naar een ander loket, en voor een pasfoto, en voor vragen over zijn verleden – want is hij wie hij zegt te zijn? – en daarna terug naar het daklozenloket. Elke keer een nummertje trekkend met zoveel wachtenden voor je.

Ben had de moed eigenlijk al opgegeven, zegt Van Embden. „Veel daklozen zijn al wantrouwend en het is de bureaucratie die het voor hen niet makkelijk maakt. Iedere lokettist heeft zijn eigen hok.”

Deventer, een van de 43 centrumgemeenten voor opvang, ziet het anders. „Iedere dakloze is welkom bij ons”, zegt de gemeentewoordvoerder. De crisisopvang is recent uitgebreid van twintig naar dertig plaatsen, mede vanwege de toename van ‘nieuwe daklozen’, en als de opvang vol zit, wat regelmatig gebeurt, dan wordt „onder begeleiding” doorverwezen.

Ja, er zijn regels, zegt de woordvoerder, en het kost soms tijd om het juiste loket te vinden. Maar toen in het geval van Ben het bijzonder zorgteam gevonden was „begon de boel te draaien”. En uiteindelijk kreeg Ben een huis, in Heino. Daar woont hij nu.

Veel daklozen zouden sneller geholpen kúnnen worden, zegt Rina Beers van Federatie Opvang. Ze hebben alleen een postadres nodig en een paspoort en een borg voor kamerhuur en vaak iemand die hun schulden op een rij zet. Maar dan hebben ze wel „even iemand nodig die hen langs de bureaucratie leidt”. Die taak heeft de onafhankelijk cliëntondersteuner, elke gemeente is sinds de decentralisatie in 2015 verplicht hiervoor iemand aan te stellen. Maar volgens Beers zijn er nog altijd veel gemeenten – Deventer heeft er wel één – die zich aan deze verplichting onttrekken. „Een geldkwestie”, zegt Beers. Met als gevolg dat daklozen de landelijke Federatie Opvang bellen en zeggen: ‘niemand hier kan me vertellen waar ik heen moet’.

Bram Petraeus

Kudde pony’s

„Kom je, Borre?” Ben stapt over het prikkeldraad, zijn hond achter hem aan. Slenterend door het hoge gras richting de gewelven van de steenfabriek. Verderop rent een kudde pony’s langs het stromend water van de IJssel.

In zijn vertrouwde Olst komt hij liever niet meer. ‘Je kon er altijd zo goed eten’, hoort hij dan. En altijd dezelfde vragen. Vérschrikkelijk. Bij zijn cafetaria, nu een toko, is Ben zelfs nooit meer geweest, bang om verkeerd te reageren.

In Heino woont hij nu in een huis met kale muren, op een schilderijtje van Borre na. Slapen thuis gaat lastig. Als hij zijn ogen dicht doet, staat hij weer achter de frituur. De muren benauwen hem. Hele dagen kijkt hij door de jaloezieën aan de voorkant uit het raam. Hij ziet de buren wel eens zwoegen met de tuinaarde, de bladkorf. Tweemaal bood hij aan te helpen, tweemaal hoorde hij ‘Nee hoor, ik red me wel!’

„Dit was m’n huisje”, zegt Ben terwijl hij een donker hol onder het gewelf binnenstapt. Waren er in de buurt geen boswachters of baldadige jongeren, dan sliep hij liefst hier. Op een groot stuk piepschuim, met muren zo dik dat het altijd warm was. „Héérlijk.”

Liefst zou hij teruggaan. Maar een huis is beter, „beter voor ’t beest”.