Recensie

Aangemoedigd door zijn nazi-vader vertrok hij naar het front, nu heeft hij nachtmerries en inzinkingen

Oostenrijkse literatuur Twee bijzondere Duitstalige schrijvers komen met voortreffelijke romans over de absurditeit van een oorlog. Ze spelen zich af op het platteland, waar de strijd ver weg lijkt, maar de oorlog toch overal aanwezig is. (●●●● en ●●●●●)

Een ansichtkaart uit 1910 van het dorp Mondsee
Een ansichtkaart uit 1910 van het dorp Mondsee Foto Getty Images

Wat je zag waren vooral hoog overkomende geallieerde bommenwerpers en jachtvliegtuigen, en zwaluwen natuurlijk die een weersverandering aankondigden. Meer merkte je op het Oostenrijkse platteland in 1944-’45 niet van de naderende Duitse nederlaag, al was de oorlog op de achtergrond overal voelbaar. Over die ‘kalme’ wereld, waar anders dan in de gebombardeerde steden de ondergangsstemming afwezig was, gaan twee vertaalde boeken van de Oostenrijkse schrijvers Paulus Hochgatterer (1961) en Arno Geiger (1968). Ze behoren tot het beste van de hedendaagse Duitse literatuur.

Hochgatterers novelle De dag dat mijn grootvader een held was speelt zich af in twee maartse weken van 1945, waarin het alledaagse leven van een boerenfamilie onder een vergrootglas komt te liggen. Hoofdpersoon is het verwarde 13-jarige meisje Nelli. Sinds haar naaste verwanten bij een bombardement in een naburig stadje zijn omgekomen, is ze ondergebracht bij het gezin van boer Jakob.

Jakobs laconieke oudste broer Laurenz, die als knecht op de boerderij werkt, wordt haar bondgenoot. Van hem krijgt ze een schrift, waarin ze kan opschrijven wat er om haar heen gebeurt. Ook onthult Laurenz drie geheimen aan Nelli: zijn testament, een door hem achtergehouden brief van de Wehrmacht met daarin het bericht dat Jakobs zoon Leo een paar maanden eerder is gesneuveld, en zijn verstopte jachtgeweer met afgezaagde loop, voor ‘in noodgevallen’. Dat jachtgeweer moet, om met Tsjechov te spreken, in het laatste hoofdstuk afgaan.

Heimat-geschiedenissen

In sobere, maar soms ook poëtische taal schetst Hochgatterer een reeks korte, verrassende Heimat-geschiedenissen. Sommige gaan over dat wat net niet gebeurd is, zoals de verdrinking van een boerenkind of de lynchpartij van een neergehaalde Amerikaanse oorlogsvlieger. Daarmee wil Hochgatter de macht van het toeval benadrukken, dat bij hem de opmaat is voor wat uiteindelijk gebeurt. Zoals de ontmaskering door drie passerende Wehrmachtsoldaten van een ontsnapte Russische krijgsgevangene en suprematistische schilder, die zich uitgeeft voor een Donau-Zwaab en door de kleine Nelli wordt geholpen. In dat hoofdstuk komen bij onafhankelijke geesten als Laurenz en Jakob de irritaties over de zich met alles en iedereen bemoeiende nazi’s samen. Alsof Hochgatterer wil laten zien dat echte helden weliswaar schaars zijn, maar dat fatsoen soms toch overwint.

Op haar negentigste komt deze kwart-Joodse Oostenrijkse schrijfster met haar herinneringen aan de jaren dertig en veertig. Lees ook: ‘Naoorlogs Wenen was spannend, de depressieve nazi’s sprongen uit het raam’

Een nog grotere kracht heeft Onder de Drachenwand van Arno Geiger. Ook deze roman laat tegen de achtergrond van het Oostenrijkse platteland de absurditeit van een oorlog zien en dan met name de manier waarop die mensen kapot maakt. Maar waar Hochgatterer schittert in compactheid, soberheid en een lineaire chronologie, blinkt Geiger uit in de uitvoerige en veelzijdige wijze waarop hij de geschiedenis vertelt van het oorlogsjaar 1944 in het dorp Mondsee aan het gelijknamige meer, aan de voet van de Drachenwand, een steile Alpenrots. Hij volgt verschillende personages, die vaak met elkaar te maken hebben. Hun lotgevallen presenteert hij in gevarieerde vertelvormen, van ooggetuigenverslag tot brief of dagboek. Soms vermoed je dat hij zich baseert op bestaande ego-documenten, wat nog eens versterkt wordt als hij aan het eind van zijn boek met biografische opmerkingen komt over de naoorlogse lotgevallen van zijn personages, inclusief hun laatst bekende adres.

Zenuwaanvallen

Ook in Onder de Drachenwand draait alles om het dagelijkse leven van een boerengemeenschap, die lange tijd in de overwinning heeft geloofd, maar daar steeds minder van overtuigd is, al maakt iedereen zich het tegenovergestelde wijs. Hoofdpersoon is de jonge soldaat Veit Kolbe, die aan het front in de Oekraïne gewond is geraakt en sindsdien aan zenuwaanvallen lijdt. Hij komt tot rust bij zijn oom, een mopperende politiecommandant in Mondsee.

Soms heeft Veit nachtmerries, want aan het front heeft hij ‘alles gezien wat niemand wil zien’. Daardoor haat hij de oorlog, waaraan hij aanvankelijk in een roes heeft deelgenomen, aangemoedigd door zijn vader, die een fanatieke nazi is. Getekend door die oorlog rest hem slechts cynisme, zoals blijkt uit een zin als: ‘In Charkov waar we alles platgebombardeerd, omgeploegd, doodgeschoten en doodgeslagen hadden…’

Na zijn frontervaringen heeft Veit genoeg van ‘die waanzin’, zoals hij, op bezoek bij zijn vader in Wenen, roept, wanneer die weer eens zegt dat ze in een grootse tijd leven en dat hun nakomelingen hen daarom ooit zullen benijden.

Bedrogen

Aanvankelijk is Veit in dat gevoel van uitverkorenheid meegegaan. Hij wilde zijn vaderland dienen, totdat hij er tijdens de Russische veldtocht achter kwam dat het vaderland hem bedroog met een smerige oorlog tegen onschuldige mensen. In Mondsee denkt Veit daarom alleen nog maar aan zichzelf. Hij wil een normaal leven leiden, gelukkig worden en carrière maken. Liefde vindt hij in het dorp bij zijn getrouwde medekostganger Margot, een uit Darmstadt gevluchte moeder die met haar kindje bij dezelfde hospita onderdak heeft gevonden als hij. Ze heeft weliswaar een man, maar die vecht aan het front. Anders dan met hem heeft ze met Veit wél een klik, zoals ze het noemt.

In brieven van haar familie uit Darmstadt wordt Margot geconfronteerd met de verwoesting van haar stad. Alles ligt in puin, familieleden zijn dood of vermist.

Met grote regelmaat switcht Geiger in een nieuw hoofdstuk van het ene personage naar het andere, waarbij hij regelmatig van vertelvorm wisselt. Veit is daarbij meestal de verbindende schakel. Zo brengt hij je naar het kamp dat buiten Mondsee is ingericht voor geëvacueerde schoolmeisjes uit Wenen. Een van hen, Nanni, is onzedelijk betast door haar neef Kurt. Het levert een schandaal op, waarna hun liefde wordt verboden en Kurt haar niet meer mag schrijven. Op een gegeven moment verdwijnt Nanni. Haar lot wordt pas veel later bekend en de vraag waar ze is gebleven vormt opnieuw een van de rode draden in het boek.

Braziliaan in de kas

En dan is er nog de Braziliaan, die door een toeval beland is in het dorp, waar hij in een tropische kas werkt. Hij vindt het Derde Rijk maar flauwekul en de nazi-leiders een stelletje oplichters. Als hij in het dorpscafé propaganda-minister Goebbels luidkeels een misgeboorte noemt, wordt hij gearresteerd en tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld.

Lees ook: Achttien schrijvers over de belangrijkste boeken in 2018

Een Fremdkörper in deze roman is het Joodse personage Oskar Meyer, die in Wenen de antisemitische maatregelen van de nazi’s accepteert alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Zodra hij erachter komt dat zijn leven serieus gevaar loopt, is het te laat.

Blijkbaar wilde Geiger in zijn roman bij wijze van politieke correctheid ook een Joodse geschiedenis opvoeren, omdat het in Duitsland en Oostenrijk nog altijd gevoelig ligt om alleen over de ‘daders’ te schrijven. Toch doet dit geen afbreuk aan deze in veel opzichten sublieme roman, die door zijn anti-oorlogsthematiek juist nu van grote betekenis is.

    • Michel Krielaars