Hier in Alphen aan den Rijn ben ik weer even zoon

Terugkeer Na de dood van zijn moeder wandelde Erik Jan Harmens, met op zijn oren een jaren-80-afspeellijst, opnieuw door Alphen aan den Rijn, waar hij opgroeide. „Nu ze is overleden, maak ik haar weer moeder.”

Foto's Peter de Krom

Alleen al in Nederland overlijden elke week tientallen, honderden moeders. Voor mij persoonlijk valt de impact daarvan natuurlijk in het niet bij wat gebeurde toen in november mijn eigen moeder overleed. De Franse schrijver Albert Camus schrijft het al aan het begin van zijn roman L’étranger: „Je hebt maar één moeder.” Nu ik die van mij niet meer heb, ben ik verdrietig, mede vanwege de onomkeerbaarheid. Nooit komt ze nog tot leven, zoals ook tijd niet meer terugkomt: eenmaal verstreken is ze verloren.

In onze relatie was ik eerst zoon. Dat veranderde toen ik tien was en mijn vader het huis uit ging, toen werd ik zijn stand-in. Met de jaren ontwikkelde onze verstandhouding zich weer een nieuwe kant op, voelde ik me steeds vaker ouder in plaats van kind. Nu ze is overleden, maak ik haar weer moeder. Mij heeft ze niet meer nodig, maar ik haar nog wel. In haar afwezigheid is ze aanweziger dan ooit.

Mijn moeders overlijden heeft een zwaarmoedig verlangen naar vroeger in mij losgemaakt, al weet ik niet naar welk vroeger: het feitelijke of het gedroomde. Vroeger was alles beter, maar is dat betere verleden met terugwerkende kracht geen luchtspiegeling ? Zo denkt ook iedereen van mijn leeftijd, ik ben 48, dat winters vroeger kouder waren, terwijl dat alleen geldt voor binnenshuis: isoleren kwam pas eind jaren tachtig een beetje op gang.

In de weken na het afscheid van mijn moeder en het leegruimen van het huis, kwam ik niet echt tot werken. Ik zat maar achter mijn laptop naar een wit scherm te staren, wachtend op ideeën. Omdat ik me zo bewust was van dat wachten, kwamen de ideeën niet.

Na weer een dag lummelen stapte ik de auto in en ging ik terug naar de plaats waar ik opgroeide, terug naar Alphen aan den Rijn. Ik reed over de A5 en A4, het wegrestaurant onderdoor, langs Leimuiden, en daar lag de skyline al, terwijl ik bedacht hoe raar het zou zijn als hij er niet zou liggen. Een beetje alsof je JFK Airport nadert en een onbebouwde vlakte aantreft, in plaats van New York. Overigens verhoudt Alphen aan den Rijn zich tot New York als een Lada tot een Rolls, en is zelfs het woord skyline een beetje te hoog gegrepen voor wat je ziet als je op de N207 rijdt en de groeigemeente in het groene hart van de Randstad nadert. Voor je: uniforme laagbouw, daarachter: uniforme flats. Architectonisch springt niets in het oog. Vooral de wijk Ridderveld I, waar ik vandaan kom, bestaat slechts uit woonkazernes. Alphen is zeker geen mooie plek, maar het is wel mijn plek.

Foto Peter de Krom

Toen in augustus 2015 vanaf een ponton op de Oude Rijn twee bouwkranen omkieperden, die een aantal woningen en winkels in de Hooftstraat verpletterden, met wonderwel alleen een dode hond tot gevolg, ging een video viral waarin een Alphense vrouw net na de gebeurtenis in totale paniek te zien is. Collega-schrijver Jamal Ouariachi reageerde op sociale media op het filmpje: „Het zal je wijf maar zijn dat zo hysterisch loopt te krijsen terwijl er niks aan de hand is.” Acteur Ramsey Nasr deed er nog een schepje bovenop: „Ik denk dat we hier gerust van ons eigen 9/11 kunnen spreken.” Ruim vier jaar eerder, op 9 april 2011, loste Tristan van der Vlis honderd schoten op onschuldigen in winkelcentrum de Ridderhof en ook toen ging het los op Twitter en Facebook: „Als ik in Alphen aan den Rijn zou wonen zou ik ook om me heen gaan paffen.” En: „Daar wil je toch nog niet dood gevonden worden.” Ik word er zo boos om, om dit soort arrogante en cynische reacties. Kom je aan Alphen, dan kom je aan mij.

U zult ergens anders zijn opgegroeid, misschien niet ver van Alphen, misschien in Rijswijk, Woerden of Zoetermeer. Of op een mooiere plek: Giethoorn, Maastricht, Zutphen. Of veel verder weg, in Damascus, Izmir of Tanger. Waar het om gaat is dat iedereen een plaats heeft waar je jaren of zelfs decennia lang niet bent geweest, maar toch meteen weer je weg zult vinden als je er nu wordt gedropt. Die locatie ligt de rest van je leven op je te wachten, zo lijkt het soms, maar het is natuurlijk anders. De plek blijft de plek, je bent het zelf die wacht tot je eindelijk in de auto stapt en terugkeert.

Soms flits ik mezelf als met de teletijdmachine van professor Barabas terug naar 1985. Ik loop naar school want mijn band is lek, en het zal nog een maand duren voordat ik de puf heb om de bandenlichters uit het doosje te pakken en het klusje op te knappen. Gelukkig heb ik een Walkman, een gele van Sony, die is waterdicht. Ik zit al een jaar niet meer in mijn jazzrockperiode, anders had ik nu naar die teringherrie van Mezzoforte of Spyro Gyra moeten luisteren. Inmiddels ben ik ‘alternatief’, mijn kleren zijn zwart, net als mijn gemoed. Ik luister naar The Smiths, het album Hatful of Hollow. Wat zanger Morrissey precies bedoelt als hij zingt: „What she asked of me at the end of the day, Caligula would have blushed”, weet ik niet precies. Wel weet ik dat het iets met seks te maken heeft, want met vrienden keek ik een paar jaar eerder al naar Caligula (1979), wat een speelfilm is over een ietwat extravagante Romeinse keizer, maar dan wel met expliciete pornoscènes erdoorheen gevlochten. Mijn vrienden en ik zaten er met z’n allen op de bank naar te kijken, allen met een erectie in de broek, die we verder niet consumeerden, althans niet daar en niet op dat moment.

‘Heaven Knows I’m Miserable Now’

Ik zie mezelf lopen, met de koptelefoon op mijn oren, vanaf de Rigolettohof langs winkelcentrum De Ridderhof, 26 jaar voor de latere spree shooting. Ik steek de Chopinsingel over, binnendoor langs basisschool de Helicon en dan verder over de Burgemeester Bruins Slotsingel naar het Marsdiep, waar mijn school is. Tijdens de wandeling zie ik nul noemenswaardige dingen. Langs de Bananenflat loop ik, zo genoemd omdat-ie kromloopt, er is niets aan te zien. Hij staat niet in brand, er springt niemand af, hij is wat hij is, een gebogen betonnen kolos. Links de Albert Schweitzerbrug, die soms open gaat, lang niet zo vaak als de veel lagere brug in het centrum, bij gebrek aan fantasie Alphense Brug gedoopt. Die staat zo vaak open dat hij zeker in de zomer (ontelbaar veel plezierjachten) niet meer past in de woordenboekdefinitie: verbinding tussen twee zijden van een water.

Foto’s Peter de Krom

Nu ik weer een moeder heb, zij het een overleden moeder, wil ik opnieuw daar lopen en voeg ik de daad bij het woord. Het is 33 jaar later en opnieuw kijk ik naar de Bananenflat. Ik heb geen gele Sony Walkman bij me, maar wel een miljoen albums op mijn smartphone, waaronder Hatful of Hollow, al geef ik dit keer de voorkeur aan een afspeellijst met kutliedjes die je in de jaren 80 op de radio hoorde: ‘Maniac’ van Michael Sembello, ‘Only when you leave’ van Spandau Ballet, ‘State of Indepence’ van Donna Summer. Van het laatste liedje zing ik het refrein meteen weer fonetisch mee: Ze komme nie, ze komme wel, ze komme nie, ze komme wel, ze komme nie, ze komme wel. Alsof het plaatje al die jaren op pauze heeft gestaan en ik nu, terwijl ik opnieuw door Alphen loop, weer op play druk.

‘State of Indepence’

Ik loop naar het basketbalveldje (soundtrack: ‘Bright Eyes’ van Art Garfunkel), waar ik als tiener honderden uren in ledigheid doorbracht. Van een afstand wierp ik de bal richting ring, steeds maar weer opnieuw, net zo lang tot ik het geblinddoekt ook nog kon en zelfs potjes 1-tegen-1 won van ‘de Ambonezen’, een groep jongeren die als thuisbasis het veldje bij de Diamantstraat had maar soms de oversteek naar de Lupinesingel maakte.

‘Bright Eyes’

Al bij de eerste seconde van het intro herken ik ‘Stop That Train’ van Clint Eastwood & General Saint, terwijl ik vanaf het basketbalveldje een bochtig paadje af loop, richting Ericapark. Daar stond het Houten Huisje, een constructie die je nu een lounge-bank zou noemen en dan overkapt. Je kon op het schuin aflopende dak zitten of daaronder. Het was vroeger de plek waar de stoere jongens rookten en blowden en strohrum dronken en seks hadden met meisjes. Ik was niet zo stoer en durfde er ook nooit te gaan zitten. Er was een meisje (er is altijd een meisje), Laura Zomer (ze heet anders, ik bescherm haar privacy), die daar jongens aftrok. Niet voor geld, maar (vermoed ik) omdat ze zich daarmee kon onderscheiden. Waar ik bij was vertelde ze dat op een avond haar hele bloesje vol sperma zat. Dat beeld bleef maar door mijn hoofd spoken, Laura met haar bloesje vol sperma. Hoe ze over straat is gelopen, van het Houten Huisje naar haar eigen huis, met dat bloesje nog aan. Hoe ze het bezoedelde stuk textiel in de was gooide. Het beeld wond mij in hoge mate op en iets van die opwinding voel ik weer als ik er loop. Het Houten Huisje bestaat overigens niet meer, al hebben ze niet alles kunnen wegnemen, de fundering ligt er nog als getuige.

‘Stop That Train’

Ik loop de Ridderhof in, neem niet de opgang die Tristan van der Vlis in 2011 nam, want voor mij is dat de achterkant van het winkelcentrum, ik ga binnen aan de voorkant, de kant van de Troubadourweg, waar nog steeds de Total zit, de benzinepomp waar ik voor mijn vader op zondag een pakje Drum mocht kopen, met Mascotte-vloei. „Met vloe”, zei ik tegen de man achter de counter, die me verbeterde: „Vloei, het is vloei.”

Alles is er nu anders. Klanten bleven na de schietpartij jarenlang weg, inmiddels is het weer een beetje aangetrokken. Er is een islamitische slager en ook een islamitische bakker. Slijterij Jelfra zit er nog en ook de Hubo, waar mijn vader toen hij nog bij ons was wel eens iets op maat liet zagen. Boekhandel De Jong heet nu Primera, de Spar werd Action. Jamin is weg, daar jatte ik net zo vaak chocolade-eieren tot ik werd gesnapt. Albert Heijn (Tristan schoot zich in 2011 uiteindelijk bij de kassa’s door het hoofd) zit er ook nog.

Foto Peter de Krom

Door naar de Zegerplas, die in een gebied lag waar bedrijven vroeger naar hartelust hun chemisch afval dumpten. Dat gif sijpelde door naar het zwemwater, zodat we als we na een frisse duik weer het steigertje opklommen, altijd een beetje licht gaven. Het zal drie decennia later allemaal wel aan de milieu-eisen voldoen, denk ik, staand op datzelfde steigertje.

Ik mis mijn moeder, in mijn oren tettert de hit van seksbom Vanessa, ‘Upside Down’. Fonetisch zing ik mee: Sjuh-tuh-tuh-rè! Waarom ken ik dit liedje nog? Ik wilde het allesbehalve onthouden.

‘Upside Down’

Ik loop door Alphen aan den Rijn in mijn met behulp van muziek tot stand gebrachte tijdmachine en als ik terugrijd, over de N207 en dan de snelweg op, ben ik er in gedachten nog. Ik kom er denk ik nooit echt weg, al woon ik er al dertig jaar niet meer. Misschien woont u allang niet meer in Rijswijk, Giethoorn of Izmir, maar blijft u ook altijd een inwoner, al is het maar in uw dromen. Mijn zus wil zo graag dat ik weer in Alphen kom wonen en waarom zou ik het niet doen? Het is geen mooie plek, maar het is thuis. Bovendien is het nergens anders zo duidelijk dat mijn moeder er niet meer is. Ik wil haar gemis voelen en daar voel ik het.

Ik kijk naar haar woninkje op de Wagenmaker, waar ze niet meer woont. Ik loop langs de kringloopwinkel, waar ze niet meer door de bakken graast op zoek naar koopjes. Daar is boekhandel Haasbeek, waar ze niet meer De Telegraaf koopt, vanwege de stukjes van Rob Hoogland. In haar laatste weken, toen ze zelf niet meer kon lezen, las ik deze pareltjes in column-vorm met liefde aan haar voor. Nu hoeft dat niet meer. Overal waar ik kijk is ze niet. Ik maakte haar na haar overlijden weer moeder, en nu mis ik haar.

    • Erik Jan Harmens