Opinie

Dichthoff

Ellen Deckwitz

Naar aanleiding van de Nashville-verklaring publiceerde VVD-fractievoorzitter Klaas Dijkhoff maandag een zelfgemaakt gedicht, Omarm de liefde, waarin hij het opneemt voor de andersgeaarde medemens. Een sterk vers werd het niet (het is op zijn best De Schoolmeester meets Bløf) maar het ging ongetwijfeld om het gebaar. Waar ik warmer van werd, waren de duizenden reacties die de tekst kreeg. Niet eens de responsen an sich als wel dat voor het eerst in decennia ook niet-literatuurwetenschappers en critici inhoudelijk ingingen op een gedicht. Waar de meeste Nederlanders acute dyslexie kregen als ze iets moesten zeggen over een vers, regende het nu replieken. Men citeerde de regels waarin men zich herkende, ging nader in op het feit dat Dijkhoff in dit vers het woord tot de christelijke homoweerders richtte maar de islamitische buiten beschouwing liet. Ook hekelden nogal wat lezers de hypocrisie van een politicus die dichtte over barmhartigheid maar niets deed tegen de uitzetting van minderjarigen. Ikzelf was allang blij dat de poëzievrees die ons land decennialang teisterde, duidelijk aan het afnemen is. Goed, om dit aan het licht te brengen was een vers tjokvol betuttelende imperatieven en stuntelige regelafbrekingen nodig geweest, maar toch.

Oh ja, weet u wat overigens ook zo leuk is aan gedichten? Dat ze naast een verkapt pamflet ook kunnen fungeren als iets dat inzicht biedt in onze medemens. Neem deze regels van June Jordan: ‘I can’t do what I want to do with my own/body and/who in the hell set things up/like this’. Of het Poem for Pulse van Jameson Fitzpatrick dat besluit met: ‘there’s nowhere else for us, or you, to go./Anywhere you run in this world, love will be there to greet you./Around any corner, there might be two men. Kissing.’

Dat had Dijkhoff ook kunnen posten in plaats van zelf de ganzenveer op te nemen. Hij had kunnen putten uit de prachtige bundel Het Woedeboek van de jonge dichter Roelof ten Napel, waarin een homoseksuele jongen zich los worstelt aan zijn strengchristelijke omgeving en zich vervolgens tot zijn Schepper richt met: ‘wie… kneedde mij uit adem en grond, wie/maakte mijn tong? Voorzag hij niet/de jongensborst waarvan die proeven zou?

Er bestaan over dit onderwerp zoveel treffender verzen dan een leerdicht als Omarm de liefde. Om ze te vinden hoef je alleen maar een beetje te googelen. Dijkhoff had zijn steun aan de LGBTQ-club beter kunnen uitspreken door middel van poëzie waarin tot op het bot invoelbaar wordt gemaakt hoe eenzaam en doodeng het is om af te wijken van de norm. Voor nu is het een troost dat Nederland minder bang is voor gedichten dan ik dacht. En hey, volgende keer gewoon lekker citeren Klaas, ik wil je daar best bij helpen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.