De vlucht van Hazem uit een stad die al niet meer bestond

Vluchten De dood loerde overal, op de vlucht uit Aleppo. Maar had Hazem Darwiesh kunnen blijven in een stad die al niet meer bestond?

Illustratie Jenna Arts

Juli 2012. De oorlog heeft Aleppo bereikt

Het bereik van je stappen is kleiner geworden. Je oude buurt, die ooit je geheugen vulde met levendige beelden en de geur van warm brood en bloeiende jasmijn, is een schaduw van hoe het was. Niemand leeft hier nog, de huizen zijn kapotgeschoten.

De stad is in twee delen uiteengevallen. Eén deel staat onder controle van het regime, het andere wordt bestuurd door de oppositie. Door het ooit levendige centrum loopt een koude scheidslijn, alleen het bloed van wie de lijn durft over te steken en het slachtoffer wordt van kogels en raketten, verwarmt die lijn.

Je probeert een leven op te bouwen in je nieuwe stad, het westerse, door het regime gecontroleerde gedeelte, gescheiden van de andere helft door grote doeken die tussen de gebouwen zijn opgehangen. De doeken, het lijken wel lakens aan een waslijn, moeten sluipschutters van beide kanten beletten om op elkaar te schieten. Maar het is tevergeefs. Soms schieten ze voor de lol, soms uit verveling, naar de overkant van de straat.

Terwijl je langzaam door het centrum loopt, richting de christelijke wijk, zie je de huizen en kerken die de inwoners van deze stad eeuwen geleden hebben gebouwd. Je loopt naar Jdeydeh, een oude wijk die nu is verdeeld tussen de strijdende partijen. Je verdwijnt in de smalle, verlaten straten totdat je aankomt bij de kapotgeschoten kathedraal van St. Elia aan het Farhatplein. Die herinnert je aan het verleden van de stad, dat in niets lijkt op haar heden.

Terwijl je ronddoolt kijk je stiekem naar binnen in lege huizen, je beeldt je de stemmen in van vrouwen en kinderen die dit deel van de stad tot leven brachten. Je stopt voor het doek dat de soldaten in deze zogenaamd heilige oorlog van elkaar scheidt, zit tegen een overgebleven muur van de verwoeste St. Asia al-Hakim-kerk, luistert in gedachten naar de stemmen die vertellen over vroeger. Dan ga je weer verder, je riskeert je leven door een route te nemen die ooit veilig was, voordat deze stad veranderde in de machteloze puinhoop die zij vandaag is.

Je kunt vaag zien en horen wat achter het doek gebeurt. Het is vlakbij, maar je kunt niet verder om te onderzoeken wat, en wie, zich achter het doek verbergt. Eén stap verder en je loopt het risico dat je wordt neergeschoten. Alleen op het journaal kun je zien wat er achter het doek gebeurt, alsof het nieuws is uit een ander land, ver weg.

Gedurende enkele maanden verwacht je, net als iedereen, dat de oorlog zal stoppen. Maar in plaats daarvan zie je de stad voor je ogen uiteenvallen. Elke dag ben je bezig om te overleven. Er is geen water, nauwelijks eten. Je kunt je vrienden niet bezoeken, de mannen die wonen in het islamitische deel van de stad.

Je wilt je tijd niet langer verspillen, je leven riskeren om in een stad te blijven die niet langer bestaat. De bittere realiteit is de oorlog, het heilig verklaarde doek, de frontlinie en de ruïnes die je omringen.

Zomer 2013. Het vertrek naar Turkije

Je realiseert je dat je niet meer veilig bent, ook niet in dit door het regime gecontroleerde deel van de stad, omdat je op mannen valt. Het regime tolereert geen zwakte, een man is een man. En steeds meer mannen moeten meevechten, arme mannen, mannen uit minderheidsgroeperingen, mannen die homoseksueel zijn. Alleen wie geld heeft, kan zich vrijkopen. Daar komt nog bij dat de islamitische oppositie, die homoseksuelen vermoordt, elke dag je wijk dreigt binnen te vallen. En je familie begint iets te vermoeden. Die zal je geaardheid ook niet accepteren.

Dat alles dwingt je om te vertrekken. Je pakt een tas met genoeg voor een tweedaagse reis, zonder terugkeer. Je gaat naar Istanbul.

Illustratie Jenna Arts

Je laat je moeder achter, ze zit op de rand van het bed in je kamer, die is gevuld met zonlicht. Ze denkt tot het laatste moment dat je het lef niet hebt om te vertrekken. Maar je gaat wel. Tegelijk met veel anderen passeer je de scheidslijn, onder het doek door, bij de brede kruising tussen de twee delen van de stad.

En dan ben je dus blootgesteld aan de sluipschutters van de strijdende partijen. De drukte is overal, vrouwen, mannen en kinderen lopen alle kanten op. Stof maakt dat je bijna niks ziet.

Elke verkeerde beweging, of als je gewoon pech hebt, een soldaat in een slecht humeur, kan je dood zijn. Op de kruising schiet een sluipschutter op een vrouw recht voor je. Je kunt haar niet redden, als je stopt om haar te helpen word ook jij een makkelijke prooi voor de schutter.

Dus je gaat door, terwijl de tranen over je wangen rollen, voortgestuwd door de mensen achter je. Je houdt je ogen op de grond gericht en probeert je weg, en je tas, niet te verliezen.

Nadat je onder het doek door bent gelopen, je hebt het gered, verstop je je in de deuropening van wat een enorm magazijn lijkt te zijn. Je gastheren zijn soldaten met lange baarden. Je bedenkt dat je zulke mannen nog vele malen zal zien, op je weg naar Turkije.

Een taxi brengt je nog dezelfde dag naar de grens, over een door de rebellen bewaakte weg. De enorme vlag die aan de grens wappert, is een zware test. Jarenlang heb je op school en in de media geleerd om je buurland te haten – zonder echt te horen waarom. Vandaag is dat land je nieuwe toevluchtsoord. Wanneer je de vlag passeert, zeg je tegen jezelf: ik kom nooit meer terug, mijn stad en mijn leven daar zijn voorbij.

Terwijl je door de ene na de andere stad reist, keert het leven langzaam naar je terug. Je hebt maar één vraag: zul je in dit andere land een veilige toevlucht vinden? Je kijkt naar de architectuur, de cultuur, de bazaars en het straatleven van Istanbul en je ziet Aleppo, de oude stad die nu door de oorlog verloren is gegaan.

Zomer 2015. Ook Turkije is niet veilig

Je woont nu twee jaar in Istanbul, maar de stad biedt je niet de veiligheid die je zocht. Homoseksuelen kunnen er goed leven, maar homoseksuele vluchtelingen veel minder. Je spreekt de taal niet, je kent de gebruiken niet, ze zien je als iemand die er niet bij hoort. Een homoseksuele landgenoot van je wordt in het centrum van de stad vermoord. Je moet verder, weet je.

Op een stille zondag verlaat je de stad en zijn inwoners. Eerst naar Izmir, de kant op van een Europese haven. Je hield van Aleppo. En je hield van Istanbul. Maar ze hielden niet van jou.

Lees ook het opiniestuk van Hazem Darwiesh: Nederland, ik vluchtte juist voor homofoben

Je weet niet hoe je de overtocht hebt overleefd. Terwijl je in het gammele bootje zit, met een gat in het midden waardoor water naar boven komt, temidden van het gegil van kinderen en vrouwen, wens je even dat alles stopt, dat je leven hier eindigt. Op de bodem van de Egeïsche Zee, op weg naar Griekenland.

We moeten onze tassen overboord gooien, omdat het bootje te zwaar is. Het enige wat je nu nog bezit zijn de kleren aan je lijf en het bundeltje euro’s in je sok.

Je raakt in paniek door het koude water dat het bootje langzaam maar zeker vult, en dat in golven over de boeg heen slaat. Je probeert niet te verdrinken door je blik op de sterren te richten. En je haalt je alle smeekbeden van alle heiligen die je kent voor de geest, om te bidden voor degenen die hier verdronken zijn.

Je krijgt ook spijt. Niets is het risico waard om te sterven in dit donkere, koude water. Waarom ben je hier ooit aan begonnen? Je ziet een jongeman in je buurt bibberen en hallucineren. Je probeert hem te kalmeren, het lukt, langzaam begint hij rustiger te ademen.

Je realiseert je dat je je bestemming niet alleen bereikt, maar samen met de mensen om je heen. Of we komen er allemaal, of er komt niemand aan. Door de felle lichten aan de overkant lijkt het vasteland vlakbij.

En je haalt het, het bootje komt aan. Op Samos. Waar de bewoners ellendiger en depressiever lijken dan de vluchtelingen, door de slechte economische situatie in dit land. Veel bewoners vertellen je dat ze samen met de vluchtelingen zouden willen ontsnappen, naar het land van hun dromen.

Gedurende drie dagen wachten we in hotels en op trottoirs. Wanneer het schip naar Athene arriveert, voltrekt zich een scène die je vaak hebt gezien in documentaires over de Joodse ontsnapping uit Europa, naar Palestina. Hoe vergelijkbaar is het heden met het verleden? Het is alsof de toen gevluchte Europeanen nu terugkeren, ook al verschillen de religies van de mensen die voor de oorlog Europa verlieten, met die van degenen die nu naar Europa vluchten.

Het schip arriveert ’s ochtends in Athene. Daar ontmoet je Grieken die geen idee hebben van de situatie in jouw land, Syrië. Je bent vastbesloten die stad zo snel mogelijk te verlaten. Je wilt naar de Grieks-Macedonische grens bij Evzonoi.

Onderweg hoor je het nieuws over de grenssluitingen en de confrontaties tussen vluchtelingen en grensbewakers. Je probeert het niet te geloven, je hoopt dat het probleem zal zijn opgelost voordat je aankomt. Maar zodra je de grens bereikt, zie je dat dat niet is gebeurd, je ziet duizenden vluchtelingen opeengepakt wachten bij het spoor van een vervallen treinstation. Ze willen allemaal de grens over.

De politie geeft ze een pak slaag, alsof ze dieren zijn

Naarmate de nacht vordert, proberen die vluchtelingen en hun gezinnen ruziënd, trekkend en duwend onderdak te vinden in het overdekte station. Ze weigeren gehoor te geven aan het verzoek van de bewakers om weg te gaan. Wanneer het plotseling begint te regenen, wordt het tafereel surrealistisch. Vrouwen en kinderen schuilen onder zwarte nylontassen. Er wordt gegild en getrokken. Legerofficieren duwen vluchtelingen tegen de grond, maar delen ook voedsel uit en bescherming tegen de regen.

Je bent in je zomerkleding niet bestand tegen de onophoudelijke regen. Al tastend probeer je je weg te zoeken, zonder per ongeluk op het hoofd te trappen van een kind dat verborgen ligt onder een nylontas. ‘Laat ze deze regen verdragen zonder mij’, denk je verdrietig. Je verlaat het station en neemt een taxi naar het nabijgelegen Thessaloniki, waar je de nacht doorbrengt tot de regen ophoudt. Het is een doodse stad. De vluchtelingen in het treinstation van Evzonoi zijn levenslustiger dan de inwoners van Thessaloniki, die vechten tenminste nog voor een beter leven.

De volgende ochtend kom je in een café een groep landgenoten tegen, jonge mannen die opscheppen over een grensovergang die niemand kent, tussen Griekenland en Macedonië. Je gaat met hen mee, in de hoop een einde te maken aan deze nachtmerrie. Al meer dan een week mislukken je pogingen om de grens over te steken. Je keert terug naar Evzonoi. Daar wordt tot je verbazing de grens geopend. Je slaagt erin alsnog over te steken, onder toezicht van de grensbewakers die je dat enkele dagen geleden nog verboden.

Augustus 2015. Via Belgrado naar Oostenrijk

Terwijl de trein voortsnelt, nestelt het uitzicht op de uitgestrekte velden zich in je geheugen. Je bent onderweg naar de Servische hoofdstad Belgrado. Zo hoop je aan de door alle vluchtelingen gevreesde vingerafdruk te ontkomen. Volgens Europese regels moeten vluchtelingen een vingerafdruk afgeven in het land waar zij de EU binnenkomen, maar dan vallen ze onder het asielregime van dat land. De kans om dan nog asiel te kunnen aanvragen in een West-Europees land is minimaal. In Belgrado, heb je afgesproken, zul je een smokkelaar ontmoeten die je naar Oostenrijk gaat brengen.

Je wilt gewone mensen zien die koffie drinken, met hun kinderen spelen, naar hun werk rennen, maar de trein zit vol vluchtelingen die met de moed der wanhoop hun droom achterna jagen. En dan rijdt de trein Belgrado voorbij. Je reisgenoten zeggen: „We zijn bedrogen.” De trein gaat niet naar Belgrado, maar verder, naar de Hongaarse grens – waar we die verdomde vingerafdruk toch nog moeten afgeven.

Je hele bestaan staat op losse schroeven, vragen schieten door je hoofd. Waarom heb je je leven achter je gelaten? Wat als je terug moet? Je ligt een tijdje onder de treinbanken te slapen, in de hoop wakker te worden uit deze nachtmerrie. Waarom leven de moordenaars en terroristen die onze levens hebben vernietigd zonder angst en zijn wij zo bang?, denk je.

Na een uur word je wakker door de geluiden van vluchtelingen die proberen de deur naar de cabine van de machinist te openen, om de trein te laten stoppen voordat we de grens bereiken. Ze proberen het de hele nacht, maar krijgen de deur niet open. Als we ’s ochtends stilstaan bij een station, waar de machinist staat te praten met politie, beginnen vluchtelingen zichzelf uit de ramen van de trein te gooien. „We willen niet naar Hongarije, we willen terug naar Belgrado”, roepen ze.

De politie geeft hun een pak slaag, alsof ze dieren zijn, en neemt hen mee terug naar de trein, waar velen in huilen uitbarsten. De vader van één van hen schreeuwt: „Waarom gooi je jezelf uit het raam? Heb je niet aan mij gedacht? Je bent niet alleen op deze reis, dat weet je toch?”

Je aanschouwt het allemaal, voelt je duizelig en schreeuwt zelf: „Oh God! Dit kan ik niet verdragen! Waarom heeft U me in de steek gelaten?” Je zakt in elkaar in je stoel in de trein, huilend om de vluchtelingen en hun geschreeuw.

Vlak voor de grens stopt de trein en gaan de deuren open. We stappen uit zonder onze bestemming te kennen of te weten wat ons te wachten staat. Buiten staan Servische mannen met auto’s, ze bieden ons een terugtocht aan naar Belgrado. We accepteren hun veel te hoge prijs en verdelen ons over hun voertuigen.

Ook Belgrado, merken we als we aankomen, is een onverschillige stad, zowel voor ons verhaal als voor de verhalen van de velen die ons zijn voorgegaan – en die in de stad verblijven in afwachting van hun ellendige reis naar de Europese Unie.

Eén voor één halen we adem door de kleine gaten in het dak

Je leeft in parken en cafés. De meeste vluchtelingen wachten op geld van familie of vrienden, waarmee ze hun reis kunnen vervolgen. Soms financieren ze met dat geld alleen de leugens van smokkelaars, over reizen die nooit zullen plaatsvinden.

Het uitstel kost geld en vreet aan je zenuwen, iedereen is machteloos in zijn spel om de vingerafdruk te vermijden. Hier, in het centrum van Belgrado, lijkt iedereen op je. Je bent een vluchteling op zoek naar een veilige haven, niets meer dan dat.

Als de nacht komt in het park is het koud, gevluchte families maken lawaai, het is te druk om te slapen, maar door het licht van de sterren aan de hemel vind je de rust om niet bang te zijn.

Een paar dagen later. Een bus gooit je er middenin de nacht uit, ergens langs de uitgestrekte grens tussen Hongarije en Servië, waar de in duisternis gehulde hemel en aarde in elkaar lijken over te vloeien.

Die nacht klauteren we achter de smokkelaar aan naar een gat in het grenshek. Bang om alleen achtergelaten te worden, blijf je in de buurt van een ouder echtpaar om wie de hele groep zich bekommert.

We duiken dieper de velden met zonnebloemen in. Naarmate de tijd verstrijkt, raak je uitgeput en ben je bang dat ze je zullen achterlaten. Onze Pakistaanse smokkelaar laat ons achter aan de oever van een rivier, omringd door een dicht bos, om te schuilen voor de Hongaarse politie, die hier patrouilleert.

Terwijl je daar ligt en op adem komt, kijk je naar de maan en denk je aan het verre Nederland. Daar wil je naartoe. Zal je er ooit aankomen? Je bidt met zachte stem, zoals je gewoonte is als je je zwak en angstig voelt. Op dat moment voel je de hand van een vreemde vluchteling op je schouder. Hij geeft je een medicijn en zegt: „Dit zal je vermoeidheid verlichten.” Je kijkt naar hem en neemt het medicijn aan, niet sterk genoeg om hem te bedanken.

De smokkelaar roept dat we het pad moeten volgen. Vanuit het bos ploeteren we door velden waar we tot onze middel in de modder zakken. De vreemde vluchteling duwt je vooruit en wacht op je wanneer je achterblijft. Dan bereiken we een onheilspellende vrachtwagen, die langs de snelweg staat geparkeerd. Die zal ons in zes verschrikkelijke uren naar onze bestemming brengen, Oostenrijk.

In de kleine vrachtwagen wordt de wereld te klein voor ons, we stikken bijna. De smokkelaar heeft je hier niet op voorbereid. Je zit opeengepakt tussen de vluchtelingen in een hoek van de vrachtwagen, samen met de anderen heb je het gevoel de dood te trotseren. Door je hoofd schieten beelden van de beruchte vrachtwagens en hun slachtoffers die een week geleden de voorpagina’s van kranten over de hele wereld haalden. Zal ook jouw dood zo’n schande zijn?

We wisselen van positie om één voor één adem te halen door de kleine gaten in het dak. Totdat ook dat niet langer lukt, omdat het dak nat is geworden van condens, door de ademhaling van de samengepakte passagiers.

En daar begin je weer een nieuwe reis. Nog kun je niet zo zijn als gewone mensen

We vragen de chauffeur tevergeefs om even te stoppen en zuurstof binnen te laten. Hij blijft als een gek rijden, onverschillig voor onze dromen en ons verlangen om te overleven. Totdat hij twee kilometer van de Hongaarse grens met Oostenrijk stopt, de vrachtwagen uitspringt en wegrent, omdat de Hongaarse politie ons aanhoudt. De agenten lopen rond de vrachtwagen en openen de deur. We krijgen te horen dat we naar een politiebureau zullen worden gestuurd, om onze vingerafdruk af te nemen. De vingerafdruk die onze droom bedreigt.

Op dat moment valt het binnenkomende licht op de jongeman die je op deze nachtelijke reis heeft geholpen. Je wilt je verontschuldigen en hem bedanken. Hij ziet er zwak en uitgeput uit. Hoe heeft hij je gisteren zo krachtig kunnen ondersteunen?

Je hebt nauwelijks tijd om met hem te praten. Als de politieagenten eraan komen zeg je tegen hem: „Ik ren weg. Oostenrijk is in de buurt. Ik ga niet terug. ”

September 2015. Aankomst in Venlo

‘Doe het niet”, antwoordt hij. „Je kunt die afstand niet lopen.” Je richt je blik op de grond en rent zonder om te kijken naar de nabijgelegen bossen. Niemand ziet je. Na een half uur rennen ben je in Oostenrijk. Vandaaruit vervolg je je reis in de trein. Door Duitsland, naar Venlo.

En daar begin je weer een nieuwe reis. Een reis met dezelfde angsten en onzekerheid. Nog kun je niet zo zijn als gewone mensen. Omdat ook hier mensen je geaardheid niet accepteren. Omdat je wordt behandeld als een dief die een verblijfsvergunning wil stelen. Omdat een deel van de Nederlanders je het land uit wil gooien.

Lees ook het artikel dat Hazem Darwiesh schreef over zijn integratie: In Zwolle ruik ik Syrië

Je weet niet of de jongeman die je hielp zijn vlucht heeft overleefd en zijn bestemming heeft bereikt. Hoe kun je hem nog ontmoeten en bedanken? Je hoopt dat hij en anderen die dezelfde droom nastreven als jij, in de landen waar ze zijn aangekomen vrede zullen hebben.

Herfst 2018. In het stadhuis van Zwolle

Misschien zoiets als wat jij nu hebt in Zwolle, waar je op een mooie, dromerige dag in de herfst van 2018 – vijf jaar na het begin van je reis – in het stadhuis staat. Vol trots en levend in vrijheid luister je naar de ceremoniële woorden van de huwelijksambtenaar, je kijkt in de betrouwbare ogen van je geliefde: een Syriër die dezelfde reis heeft gemaakt als jij, in dezelfde tijd. Hij kwam uit in Groningen, jij in Zwolle. Als echtpaar wonen jullie daar nu samen.

Je ondertekent het huwelijkscontract, met een wit bloemetje in de borstzak van je colbert, alsof je nooit geleden hebt.

    • Hazem Darwiesh