Moordenaar Reduan B. krijgt twintig jaar cel, angst van dader toont macht van cokemaffia

Liquidatie Reduan B. De Nederlandse cocaïnemaffia kon zo groot worden, doordat de recherche alleen nog maar snelle successen wil.

De afgeschermde plek waar de broer van kroongetuige Nabil B. is doodgeschoten, in Amsterdam-Noord.
De afgeschermde plek waar de broer van kroongetuige Nabil B. is doodgeschoten, in Amsterdam-Noord. Foto Koen van Weel/ANP

Het lijkt een mooi succes in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Andy S., de moordenaar van Reduan B., de broer van kroongetuige Nabil B., is donderdagmiddag door de rechtbank tot twintig jaar cel veroordeeld. De liquidatie, in maart 2018, werd door justitie gekwalificeerd als een aanslag op de rechtsstaat. Maar de veroordeling zal het leed van de familie van Reduan nauwelijks verzachten. Hij laat twee jonge kinderen achter die vanwege de dreiging niet over de dood van hun vader mogen praten.

Volgens de rechtbank is de intentie van de opdrachtgevers van de moord op Reduan duidelijk: ervoor zorgen dat de kroongetuige stopt met verklaren. Maar omdat Andy S. niet wist wie zijn slachtoffer was, kan hem dat volgens de rechtbank niet worden verweten. Daarom valt de straf van 20 jaar lager uit dan de eis van 28 jaar.

Schutter Andy S., een 40-jarige Antilliaan met een verslavingsprobleem, wil niets zeggen over de opdrachtgevers van de moord, die door het Openbaar Ministerie worden gezocht in de top van de Nederlandse cocaïnemaffia. Hij is bang dat hem hetzelfde lot wacht als kroongetuige Nabil B.: een aanslag op zijn familie als wraak voor het aanwijzen van criminele kopstukken die dit soort moorden beramen. Het is een indicatie voor de macht die de cocaïnemaffia in dit decennium heeft opgebouwd en de terreur van het geweld dat gepaard gaat met de georganiseerde misdaad.

Verrast

Bronnen bij de recherche en het Openbaar Ministerie vertellen dat ze aan het begin van dit decennium zijn verrast door de snelle opkomst van de cocaïnemaffia. „Door de sluipende groei van de cocaïnehandel hebben we pas heel laat zicht gekregen op de vooraanstaande rol die Nederlandse criminelen hebben ingenomen in de internationale cocaïnehandel”, zo concluderen zij.

Volgens deze bronnen bij justitie en politie is er onvoldoende capaciteit bij de recherche en het Openbaar Ministerie om zowel de cocaïnesmokkel zelf als de uitwassen ervan met succes te vervolgen. „Je moet kiezen”, zegt een van hen. „We doen nog wel grote en projectmatige onderzoeken, bijvoorbeeld naar autodiefstal, en die zijn zeer succesvol. Alleen is de ruimte voor dit soort onderzoeken zeer beperkt.”

Misdaadverslaggever Jan Meeus ging op zoek naar de hoofrolspelers in de cocaïneoorlog

Op dit moment is het aanbod van strafzaken zo groot dat voor gewoon strafrechtelijk onderzoek naar de criminele groepen achter de cokehandel en hun logistieke infrastructuur weinig of geen tijd is. „Vrijwel alle capaciteit gaat op aan strafzaken waarbij naast drugshandel ook sprake is van corruptie, zwaar geweld of witwassen”, aldus meerdere bronnen in de opsporing. Die ontwikkeling is versterkt door het extreme geweld van de afgelopen jaren – zoals de moord op de broer van de kroongetuige.

Opsporingsparadox

Sven Brinkhoff, universitair hoofddocent strafrecht aan de Open Universiteit, beaamt dat dit leidt tot een opsporingsparadox. „De focus op hele zware zaken met grote maatschappelijke impact is logisch, maar leidt er ook toe dat kleine en middelgrote criminele groepen die geweld mijden vrijwel ongestoord hun gang kunnen gaan.” Omdat met de cocaïnehandel in korte tijd veel geld kan worden verdiend, kunnen deze groepen snel veel economische en financiële macht vergaren waarmee ze de rechtsorde dusdanig ondermijnen dat ze dan pas de aandacht krijgen van justitie en politie.

Brinkhoff wijt deze aanpak aan het resultaatgericht werken van de opsporing. „Er zijn ‘weeg en stuurploegen’ die permanent kijken naar de effectiviteit van opsporingsonderzoeken. Als de kans op succes klein is, wordt snel ingezet op onderzoek waarmee wel resultaat kan worden geboekt.”

Internationaal karakter

Brinkhoff krijgt bijval van hoogleraar criminologie Hans Nelen van de Universiteit Maastricht. „Het systeem werkt per definitie reactief en selectief. Onderzoek naar de logistiek van de drugshandel, de vraag wie er allemaal achter zitten en waar het geld naartoe gaat dat ze verdienen is vanwege het internationale karakter van de drugshandel tijdrovend en complex. En als je dan moet kiezen tussen snel onderzoek met grote kans op resultaat of lang, complex onderzoek met een ongewisse uitkomst, valt de keuze vaak op de korte klap.”

Overigens speelt dit probleem volgens Nelen niet alleen bij de cocaïnehandel. Ook bij strafrechtelijke onderzoeken naar wietteelt en de productie van synthetische drugs ligt de nadruk op het ruimen van productielocaties en de uitvoerders die daarbij betrokken zijn. „Ook daar zie je dat de structuur achter de productie van die drugs en de criminele kopstukken die daarbij betrokken zijn vaak niet in beeld komen”, aldus Nelen. „Laat staan dat er naar de internationale vertakkingen van die handel wordt gekeken. We weten allemaal dat een fors deel van de Nederlandse drugsproductie naar het buitenland verdwijnt maar je ziet tegelijkertijd dat analyses van de georganiseerde misdaad sterk gericht zijn op Nederland. Structureel internationaal misdaadgroepen in kaart brengen gebeurt sporadisch. Dat is een groot probleem omdat de markt voor drugs internationaal is. Daarom is die handel zo aantrekkelijk.”

    • Jan Meeus