Wie te weinig praat, moet de gevangenis weer in

Jihadgangers Een 28-jarige Nederlander die naar Syrië wilde, stelt zich bij zijn deradicaliseringsprogramma te weinig open, vindt de reclassering. Maar kan hij vrijuit praten zonder dat dat bij de politie belandt?

Roland Blokhuizen

Een prater is de man met de bril nooit geweest. Ook niet als de psycholoog hem bezoekt op de terrorismeafdeling van de gevangenis in Vught, om zijn geestelijke gezondheid te onderzoeken. De psycholoog krijgt „een zeer slappe hand”, noteert ze in haar verslag. Een moeizaam gesprek volgt. Veel vragen, weinig antwoorden. De sombere, teruggetrokken twintiger voelt zich duidelijk niet op zijn gemak in de buurt van mensen. Wat er in hem omgaat? „Ik weet het niet”, zegt hij. „Ik vind praten heel moeilijk.”

Hij wilde wonen in een islamitische staat, deze 28-jarige Nederlander van Iraanse afkomst. In 2016 reisde hij af naar Syrië om zich aan te sluiten bij terreurbeweging IS, maar hij kwam niet verder dan Utrecht Centraal. Daar werd hij ingerekend door de politie die was getipt door zijn ouders.

Het psychologisch onderzoek in de gevangenis maakt duidelijk dat het gaat om een wietverslaafde jongen zonder vrienden. Hij brengt zijn dagen alleen door, op zijn slaapkamer, achter de computer, kijkend naar jihad-video’s. Hij kampt volgens de psycholoog met een ‘ontwijkende persoonlijkheidsstoornis’, een soort sociale fobie, die ervoor zorgt dat hij problemen uit de weg gaat. Hij sluit zich af voor de schuld van duizenden euro’s die hij heeft en droomt over het opbouwen van een nieuw bestaan in het door IS gestichte kalifaat.

De rechter legt in mei 2017 voor zijn uitreispoging een voorwaardelijke straf op. De voorwaarde: meewerken aan een deradicaliseringstraject van Reclassering Nederland.

Lage celstraf, langdurig toezicht

Het is een beproefd recept geworden voor jihadverdachten: lage celstraffen, maar wel langdurig toezicht. De reclassering heeft er een speciale eenheid voor opgetuigd: Team TER (Terrorisme, Extremisme en Radicalisme). Het aantal jihadcliënten van de reclassering groeide de afgelopen vijf jaar van 5 naar 159, staat in een onlangs verschenen evaluatierapport van de Universiteit Leiden in opdracht van terrorismecoördinator NCTV. Het programma lijkt, in elk geval op korte termijn, succesvol: tijdens het reclasseringstoezicht viel vrijwel geen van de jihadisten in herhaling. Of het op langere termijn ook werkt, kunnen de onderzoekers niet zeggen. Daar zijn geen cijfers van bijgehouden.

Lees ook: Reclassering speelt informatie jihadverdachten door aan politie

De teruggetrokken Iraanse Nederlander gaf NRC inzicht in documenten over zijn reclasseringstraject, onder voorwaarde van anonimiteit. Zijn programma bestaat vooral uit een bezigheid waar hij nou net niet goed in is: praten. Met een psycholoog, van het centrum voor forensische geestelijke gezondheidszorg De Waag. Met twee medewerkers van de reclassering, iedere week, praten over doelen in zijn leven. Met een islamitisch theoloog, over zijn religieuze denkbeelden en de oorlogen in het Midden-Oosten waar hij zich kwaad om maakt. En met een jobcoach van de gemeente Utrecht, om een baan te zoeken. Kenmerkend voor zijn stoornis is juist dat hij zich niet durft open te stellen, moeilijk tegen kritiek kan, wantrouwend is. Dat de theoloog en de psycholoog stellen dat de man weinig terugzegt en hen niet vertrouwt, kan geen verrassing heten.

Baantje als pakketbezorger

Op andere gebieden toont de man wel inzet. Zo regelt hij op eigen kracht, buiten het hulptraject om, een baantje als pakketbezorger. Daarvoor krijgt hij complimenten van de reclassering. Net als voor zijn „meewerkende” houding tijdens het opstellen van een aantal levensdoelen. Hij moet leren omgaan met „autoriteit”, „frustraties”  en „conflicten” – „zonder dat dit stress veroorzaakt”. Andere doelen zijn het vinden van een woning en een partner. De man kan „op verschillende momenten goed benoemen waar zijn tekortkoming lag of wat hij zou willen bereiken in zijn leven”, noteert de reclassering in een rapport.

Maar omdat hij weinig blijft zeggen in de gesprekken met de theoloog en de psycholoog stelt de reclassering dat hij zijn voorwaarden overtreedt: zo kan zijn behandeling niet slagen. Zelf vindt de man dat hij niks aan die gesprekken heeft. De theoloog is in zijn ogen geen geloofwaardige gesprekspartner, maar slechts een „verlengstuk van de overheid”.

Die houding hebben meer terrorismecliënten van de reclassering, zegt historicus en terrorismeonderzoeker Liesbeth van der Heide, een van de auteurs van de onlangs verschenen evaluatie. „Het zijn doorgaans personen die weerzin voelen tegenover de overheid. Met diezelfde overheid moeten zij in gesprek over hun drijfveren. Dat maakt het opbouwen van een vertrouwensband erg lastig.” Dit terwijl die vertrouwensrelatie juist wordt gezien als een „essentiële voorwaarde” voor het slagen van het traject, volgens de evaluatie.

Ondanks de weerstand slaagt de reclassering er volgens Van der Heide meestal in een band op te bouwen met de terrorismecliënten. „Na verloop van tijd gaan de meesten toch vertellen over wat hen bezighoudt, al kan daar zomaar een jaar overheen gaan.” Een ander deel volhardt in zwijgen of blijft gewelddadig gedachtegoed verdedigen. Met hen weet de reclassering zich eigenlijk geen raad, blijkt uit de evaluatie. „Als iemand echt niet wil, dan is er weinig voor reclassering om mee te werken”, zegt collega-onderzoeker Bart Schuurman.

In het geval van de teruggetrokken Iraanse Nederlander adviseert de reclassering hem terug te sturen naar de gevangenis, vanwege zijn zwijgzaamheid. De rechtbank neemt het reclasseringsadvies in augustus 2018 over en legt de jongen negentig dagen cel op. Dit moet hem motiveren alsnog mee te gaan werken.

Woedend

Maar dat pakt anders uit. In plaats van mee te werken, vertrekt de man na de uitspraak van de rechter uit de WhatsApp-groep waarin hem de afspraken met de reclassering worden meegedeeld. Hij is woedend, reageert niet meer op brieven. Bezorgd stuurt de reclassering de wijkagent langs. Die krijgt van de man te horen dat hij niks meer met hen te maken wil hebben. Hij heeft besloten om niet voor negentig dagen de gevangenis in te gaan, maar zijn volledige straf uit te zitten. Liever een jaar in de cel, dan moeten praten met de reclassering.

„Mijn cliënt zegt dat hij zich genaaid voelt”, vertelt zijn advocaat Xander Sijmons. „Hij was juist bezig zijn leven op te pakken. Had een baan, het contact met zijn ouders liep weer. Nu pakt de reclassering hem alles weer af omdat hij te weinig naar hun zin zegt in de verplichte gesprekken, wat juist een onderdeel is van zijn problematiek.” Het gevolg, zegt Sijmons, is dat zijn cliënt straks alleen maar bozer uit de gevangenis komt, zónder enige vorm van begeleiding. „Dan vraag ik mij echt af: zijn we hier nou bezig met deradicalisering, of met het vergroten van problemen?”

De reclassering probeert een vertrouwensband op te bouwen met jihadisten. Wie niet open genoeg is, moet terug naar de gevangenis. Maar dat roept de vraag op of jihadverdachten eigenlijk wel open kúnnen zijn. Kunnen zij vrijuit praten over hun leven, zonder dat die informatie bij de politie belandt? Uit het evaluatierapport blijkt van niet: de reclassering stelt zich niet alleen op als begeleider of toezichthouder, maar ook als „doorgeefluik” richting de opsporing, staat er. Er wordt „officieus” informatie over cliënten doorgegeven aan de politie, zonder dat duidelijk is of privacyregels dit toelaten.

Naar eigen inzicht

„Er is geen helder kader om te bepalen wanneer reclassering informatie uit vertrouwelijke gesprekken met cliënten mag doorgeven aan de politie”, zegt Van der Heide. „Door hun wekelijkse contact met terrorismeverdachten beschikken reclasseringswerkers over enorm veel kennis over terroristische netwerken, maar of die informatie gedeeld mag worden, is niet duidelijk. Gevolg is dat iedere medewerker naar eigen inzicht handelt: de één heeft veel contact met de politie, de ander deelt nooit wat.”

Een vertrouwelijke e-mail die NRC in handen kreeg, laat zien hoe medewerkers van de reclassering de politie helpen met onderzoek. In een zaak tegen een vermeende jihadganger uit 2016 leest een reclasseringsmedewerker in het dossier dat de politie op zoek is naar een man met wie zij contact had. Daarop stuurt de medewerker een mail aan de recherche waarin de identiteit van de man wordt onthuld. De medewerker weet dit, mailt ze, omdat de vermeende jihadganger in haar contact met de reclassering het over de man heeft gehad.

Reclassering Nederland geeft aan dat zij informatie met partners mag delen om strafbare feiten te voorkomen. Of daar in dit geval sprake van is? De woordvoerder wil niet reageren op „individuele zaken”. Naar aanleiding van het Leidse onderzoek bekijkt de reclassering momenteel „of we zaken kunnen verbeteren”.

De onduidelijkheid rondom het doorspelen van informatie aan de politie, komt de vertrouwensband tussen jihadverdachten en reclassering in elk geval niet ten goede, zegt Tamara Buruma, advocaat van de vermeende jihadganger uit 2016. Buruma: „De reclassering kan veel betekenen voor de reïntegratie, maar de dubbele rollen van deze reclasseringsmedewerkers en de indruk dat zij een verlengstuk zijn van politie en justitie maakt dat veel cliënten de reclassering niet meer vertrouwen.”

    • Andreas Kouwenhoven