Opinie

‘Vervelende mededeling’

Frits Abrahams

In de trein naar Venlo las ik ’s morgens met grote voldoening dat het zo goed gaat met het Nederlandse treinverkeer. ProRail liet weten dat vorig jaar 91,4 procent van de reizigers op tijd was aangekomen, in 2017 was dat nog 90,5 procent. Het aantal grote storingen daalde met 10 procent. Nederland behoort nu met Japan en Zwitserland tot de topdrie van het mondiale spoorwezen.

Ik vouwde de krant dicht en zei opgetogen tegen mijn vrouw: „Roger heeft het weer prima voor elkaar.”

„Roger wie?”, vroeg ze.

Ik kuchte. Even de spanning opvoeren. „Roger van Boxtel natuurlijk”, zei ik zo achteloos mogelijk, „de president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen. Hij is voor D66 Kamerlid en minister geweest.”

„Ken jij die soms?”, vroeg ze, net iets te schamper.

„Ach, al zolang”, scoorde ik. „In zijn Amsterdamse studententijd in de jaren zeventig hielp hij mij en mijn collega’s ’s zondags op de sportredactie van de Volkskrant. Berichtjes maken, bellen. Aardige jongen, zeer coöperatief. Een paar jaar geleden kwam ik hem nog eens bij Ajax tegen. Daar was hij ook iets hoogs geworden, in de ledenraad.”

„Dus jij bent niet verbaasd dat hij het nu weer zo goed doet bij NS?”

„Absoluut niet. Let op mijn woorden: zolang Roger aan het roer zit, rijden de treinen op tijd.”

We arriveerden in Venlo, uiteraard stipt op tijd. De stationshal zag er opvallend schoon uit. Zou Roger zich daar ook al mee bemoeien?

Het was donker geworden toen we de terugreis aanvaardden. We nestelden ons behaaglijk met wat lectuur op de bankjes. Wie deed ons wat? We hoefden volgens de dienstregeling pas in Utrecht over te stappen naar Amsterdam – dat was ook weer puik georganiseerd.

Het was daarom een kleine tegenvaller toen de conducteur in Eindhoven zijn keel schraapte en omriep dat hij een „vervelende mededeling” voor ons had. Er was een wisselstoring bij Vught, de trein kon niet door naar Den Bosch. Hij zei er niet bij met welke trein we wél verder konden.

Daar stonden we dan te midden van een grote groep reizigers. Nul informatie, nul treinen, behalve één sprintertje dat volgens het mededelingenbord wél naar Den Bosch zou gaan. We doken erin, er was geen andere keus. Ons sprintertje haalde nog net – ik kan het ook niet helpen – Boxtel. Daar moesten we er weer uit, want de wisselstoring was nog steeds niet verholpen.

Weleens op het station van Boxtel geweest op een bitterkoude winteravond? Toch eens proberen. Neem wel een Russische pooljas en bijbehorende berenmuts mee, want in de wachthokjes verkleum je nog meer dan op de perrons. Echte beschutting is er niet. Reken evenmin op bevredigende contacten met spoorwegmensen, want die zijn er ook niet – vermoedelijk allemaal doodgevroren.

Het station Boxtel is op zo’n avond volledig uitgestorven, op wat plukjes rillende, gestrande reizigers na. Die hadden maar één twijfelachtig houvast: de mededeling op een bord dat er over drie kwartier een sprinter naar Den Bosch zou komen.

Enfin, lang verhaal kort, oftewel korte reis lang: met anderhalf uur vertraging bereikten we Amsterdam. Ik was zo onverstandig om kort voor aankomst mijn mobieltje te pakken. „Nog even Roger bellen?”, vroeg mijn vrouw.