Opinie

Tijd voor transparantie

Oorlog In Syrië en Irak zijn meer burgerdoden gevallen dan Defensie erkent, stelt . Nederland moet eerlijker zijn.

Foto Remko de Waal/ANP

Op 31 december 2018 is er een einde gekomen aan de inzet van Nederlandse F-16’s in de strijd tegen IS in Irak en Syrië. Vier jaar heeft Nederland deelgenomen aan de internationale coalitie van landen die gezamenlijk deze strijd hebben gevoerd, onder wie Australië en het Verenigd Koninkrijk. De precisiebombardementen van de coalitie zijn er echter niet altijd in geslaagd burgerslachtoffers te voorkomen – waarvan de coalitie er tot op heden 1.139 heeft erkend. Het is echter vrijwel onmogelijk te achterhalen wanneer een Nederlandse F-16 verantwoordelijk is geweest voor burgerslachtoffers. Dit maakt Nederland tot een van de minst transparante landen van de coalitie. Nu er een einde is gekomen aan de inzet van de Nederlandse F-16’s en de piloten veilig zijn teruggekeerd, is het zaak dat Nederland haar verantwoordelijkheid neemt, het goede voorbeeld van de coalitiegenoten volgt en publieke transparantie verleent.

De coalitie doet zelf onderzoek naar incidenten met burgerslachtoffers, maar diens bevindingen verschillen enorm met resultaten van onafhankelijke onderzoeksorganisaties zoals Airwars (waarvoor ik werk). De 1.139 burgerslachtoffers die erkend zijn door de coalitie staan in schril contrast met de 7.316 burgerslachtoffers die volgens de meest conservatieve schatting van Airwars als geloofwaardig werden beoordeeld. Dit verschil kan deels worden verklaard door de manier waarop de coalitie onderzoek doet. De coalitie baseert zich voor het schatten van het aantal burgerslachtoffers voornamelijk op beelden vanuit de lucht, terwijl Airwars zich baseert op rapportages vanaf de grond. Bovendien heeft onderzoek van de New York Times uitgewezen dat alleen incidenten binnen een straal van vijftig meter rond een inslag beoordeeld worden, en de locatie van de inslag wordt vaak niet vastgelegd. Het gevolg is dat claims over burgerslachtoffers vaak te snel als ongeloofwaardig worden afgedaan.

Lees ook: Kamer wil missie tegen IS verlengen

Het Ministerie van Defensie noemt zichzelf transparant omdat het claims van burgerslachtoffers doorverwijst naar het Openbaar Ministerie (OM), maar het OM onderzoekt achter gesloten deuren. Zo is van publieke transparantie geen sprake. Hoewel het Ministerie van Defensie in april 2018 erkende verantwoordelijk te zijn voor het doden of verwonden van burgers in drie luchtaanvallen die door het OM onderzocht zijn, weigert het nog steeds om data en locaties van deze incidenten te delen of het aantal burgerslachtoffers te noemen, omwille van operationele veiligheid. Dat argument vervalt, nu de missie voltooid is.

Oneindig ontkennen

Het gebrek aan publieke transparantie staat haaks op dat van menig ander coalitie-lid - en op recente verbeteringen in de publieke verantwoording van Nederland. Sinds de start van de hernieuwde missie in januari 2018 vermeldt Defensie in haar wekelijkse overzicht van de luchtaanvallen weliswaar de locatie van de dichtstbijzijnde nederzetting, maar er wordt nog altijd niets gemeld over de datum of plek van de aanval. Ook wordt niet gemeld of burgerslachtoffers zijn gevallen. Als dit vermeld zou worden, zouden er meer mogelijkheden zijn de Nederlandse acties en publieke claims van burgerslachtoffers te onderzoeken. Maar deze informatie wordt niet bekendgemaakt voor Nederlandse luchtaanvallen tussen 2014-2016 en daarmee ook niet voor de drie door het OM onderzochte incidenten. Het feit dat het Ministerie van Defensie eerder altijd ontkende verantwoordelijk te zijn geweest voor burgerslachtoffers, en dat nu in drie gevallen wel erkent, wijst uit hoe belangrijk het is om informatie beschikbaar te stellen die publieke controle mogelijk maakt.

Nederland weigert om de data en locaties van deze drie incidenten vrij te geven en dat staat lijnrecht tegenover de publieke transparantie van menig ander coalitie-lid in de afgelopen jaren. Nederland was het vierde land (naast de Verenigde Staten, Australië en het Verenigd Koninkrijk) dat publiekelijk stelde verantwoordelijk te zijn geweest voor burgerslachtoffers als gevolg van acties tegen IS. De drie andere landen hebben expliciet alle incidenten waarbij hun toestellen betrokken waren geïdentificeerd – zonder enige waarneembare gevolgen voor operationele of nationale veiligheid. Tevens zijn er geen pogingen gedaan door lokale media of andere actoren om specifieke piloten te beschuldigen. Gedurende de hele oorlog zijn specifieke beschuldigingen onderzocht en publiekelijk besproken door het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, België, Denemarken, Canada en Jordanië. Geen van deze coalitiegenoten vond het kennelijk bezwaarlijk openlijk in te gaan op specifieke incidenten vanwege te vrezen gevolgen voor operationele of nationale veiligheid. Nederland zou er goed aan doen de koers van deze landen te volgen.

Publieke transparantie omtrent burgerslachtoffers is om meerdere redenen belangrijk. Ten eerste hebben Nederlandse burgers het recht om te weten welke oorlog er in hun naam wordt gevoerd en tegen welke prijs. Ten tweede blokkeert de regering het natuurlijke proces van de rechtsgang voor Irakezen en Syriërs die getroffen zijn door Nederlandse luchtaanvallen. Volgens de coalitie is elk lid verantwoordelijk voor de burgers die het doodt of verwondt – dit geldt ook voor compensatie of ex gratia betalingen. Zonder het vrijgeven van de data en locaties van deze bombardementen kunnen Irakezen en Syriërs niet achterhalen in welke gevallen Nederlandse toestellen verantwoordelijk waren.

In 2015 stelde de Human Rights Council van de Verenigde Naties al dat alle landen die in Irak en Syrië luchtaanvallen uitvoeren verplicht zijn resultaten van onafhankelijk onderzoek naar burgerslachtoffers openbaar te maken. Laat 2019 het jaar zijn dat Nederland hier gehoor aan geeft.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.