Jutten voor de goede zaak

Ewoud Sanders

Uit de berichtgeving over de verloren zeecontainers blijkt dat het woord jutten tegenwoordig een positieve gevoelswaarde heeft. De moderne jutter houdt het strand schoon. Op sommige Waddeneilanden krijg je hiervoor zelfs een jutterstas.

Die positieve connotatie is nog niet vastgelegd in onze woordenboeken. Volgens de Dikke van Dale betekent jutten ‘stranddieverij plegen’. En bij strandjutten vermeldt dit woordenboek: ‘zich aangespoelde goederen toe-eigenen’. De jutter is hier dus een dief, geen plasticrapende milieuvriend.

Het woord jutter heeft een interessante geschiedenis. Aanvankelijk werden jutters stranddieven, strandrovers of strandlopers genoemd. Die woorden zijn te vinden vanaf het begin van de achttiende eeuw. Ze werden tot in de twintigste eeuw volop gebruikt. Strandloper raakte als eerste in onbruik, waarschijnlijk omdat dit tevens de naam is van een vogel.

Strandjutter is in 1850 voor het eerst opgetekend. „De strandjutter heeft dit eigenaardigs”, meldde de Nieuwe Rotterdamsche Courant in juli 1850, „dat hij van spijs of drank aan ’t strand aanspoelende, altijd proeven moet. Zijn kapbijltje of hakmes baant hem den weg hiertoe en, al ware ’t ook ambrosia of nectar, de kisten en fusten moeten geopend.” De schrijver raadde dit stellig af omdat het geregeld tot vergiftigingen leidde.

Jutter is een verkorting van strandjutter. Waar het tweede deel van deze samenstelling vandaan komt, is niet met zekerheid bekend. Sommigen leggen een verband met jatten (‘stelen’), anderen met Jut in de betekenis ‘inwoner van Jutland’. „Jutten en Denen waren in de negentiende eeuw niet graag gezien en Jut en Deen werden dan ook als scheldwoord gebruikt”, aldus een naslagwerk. Zeker is dat men ook kortweg sprak van een strandjut.

Strandjutters hadden lang een slechte naam. Ze werden ervan verdacht dat ze schepen opzettelijk lieten vergaan door ze met vuren naar de kust te lokken. Volgens de Wet op de strandvonderij moeten goederen die op stranden aanspoelen naar de zogenoemde strandvonder of strandvoogd worden gebracht, een ambtenaar die hier speciaal mee is belast. In de praktijk verstopten jutters hun oogst vaak snel in de duinen, om die later op te halen. Aangespoelde lijken werden beroofd. „Wanneer toch zal in ons land een geregelde kustwacht worden georganiseerd?” verzuchtte het Algemeen Handelsblad in 1892. „Mag de Regeering langer toezien dat het lot van schipbreukelingen op onze kusten afhangt van den onderlingen naijver van de strandjuttende bevolking?”

Jutters verrichtten ook goede daden. In oktober 1890 redden zij op Terschelling met gevaar voor eigen leven de opvarenden van een gestrande botter. Bij een landelijke inzamelingsactie voor de jutters werd 270 gulden opgehaald. Ze kregen allemaal „een stevig zilveren horloge”, zeelaarzen, dekens en wollen kleding.

Nederlandse verhalen over jutters zouden een interessante bloemlezing kunnen opleveren, met relatief veel jeugdverhalen. Zoals De strandlooper: een verhaal uit de duinen der Noordzee (1856) en De zoon van den strandrover (circa 1933).

Het bekendst is natuurlijk Sil de strandjutter, in 1940 gepubliceerd door Cor Bruijn. Sil, boer op Terschelling, wordt hierin uitgescholden voor „vuile jutter”. „Was jutten dan een vuil bedrijf? Hij bedoelde er toch zeker net zoiets mee, als wanneer hij dief of moordenaar had gezegd!” Een van Sils zonen besluit zelfs om te stoppen met jutten. Ook voor hem voelt het op een gegeven moment als jatten.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders