Opinie

Ben ik ook gelukkig met minder dan een 9?

Onderwijsblog Twee studies met hoge cijfers, zelfhulpapps, altijd koud douchen en ontbijt met lauw citroenwater. Ik wil te veel, denkt Anna Herter.

Als millennial en studente in Amsterdam sta ik om de dag in de sportschool, neem ik geen genoegen met een cijfer onder de 9 en probeer ik bij alle belangrijke feestjes aanwezig te zijn. Ik ben niet de enige. Overal in onze maatschappij heerst een vergelijkbare prestatiedrang. Iedereen werkt zich uit de naad. Waarom zouden we ook niet? We hebben tenslotte alle middelen tot onze beschikking om het hoogst haalbare te bereiken. Zo is de positieve psychologie rijk aan zelfhulpboeken waarin Amerikaanse goeroes je in tien stappen leren in ‘flow’ te komen. De appstore loopt over in zelfhulp-apps: headspace helpt ons mediteren, runkeeper motiveert ons genoeg te bewegen, quality time trackt onze schermtijd en diverse foodtrack-apps ontfermen zich over onze calorie-inname.

Daarnaast loopt het internet over aan toegankelijke informatie over wat voor een gewoontes we ons eigen moeten maken in onze weg naar succes – zo begin ik mijn dag al geruime tijd braaf met een koude douche en een glas lauwwarm citroenwater. Met de opkomst van de zogeheten ‘bio-politiek’ reikt de invloed die wij op ons lot kunnen uitoefenen zelfs zo ver als tot onze genen. Alles is mogelijk. De wereld is een snoepwinkel.

Maar hoe gedragen wij ons in die snoepwinkel? Waar ik dacht dat smaken verschillen, vecht een groot deel van de maatschappij om dezelfde snoepjes. Een hypergezond lichaam, bijvoorbeeld. Of een imposante carrière. Naast dat we met z’n allen voor hetzelfde gaan, schromen we er niet voor hier bergen voor te verzetten. Twee voltijdstudies met een onbetaalde stage in de weekenduren. Werkweken vol overuren voor een schamper loon waar je met geluk een hangkast buiten de ring voor vindt. Diëten met zo weinig mogelijk koolhydraten en calorieën om vier keer per week met honger in de sportschool te staan. Bezwijken we onder dit concurrerende slagveld, gooien we er een antidepressivum tegen aan? Of doen we een cursus mindfullness, en lezen de nieuwste bestseller over timemanagement? Liever grijpen naar zulke middelen dan voor een ander snoepje gaan.

Dit brengt mij bij de volgende vraag. Als we alles kunnen bereiken wat we willen… waarom is dit dan in godsnaam wat we willen? Het lijkt erop dat alles wat we voor onze aspiraties terugkrijgen een burn-out en een torenhoge studieschuld is. Het leven is maakbaar. Maar hoe zit het met de maakbaarheid van de wil?

Discipline

Marli Huijer schrijft in haar boek ‘Discipline’ dat de samenleving vlak na de Tweede Wereldoorlog nog streng en gedisciplineerd was maar in de loop van de jaren vrijer en vrijer werd. Als gevolg van acties en protesten moesten disciplinerende instituties fors inleveren: de overheid diende zich steeds minder met ons te bemoeien en ouders begonnen hun kinderen anti-autoritair op te voeden. Zo werd het assortiment van onze snoepwinkel uitgebreid met seks, drugs, alcohol en eten in allerlei soorten en maten. Deze ontwikkeling bracht ook eindeloze welvaarts- en carrièremogelijkheden naar de schappen, echter wel een plankje hoger.

Huijer onderzoekt in hoeverre we met deze overvloed aan mogelijkheden om kunnen gaan nu niemand ons meer in toom houdt. Zij stelt dat we het, nu het ons ontbreekt aan disciplinerende instituties, moeten hebben van onze zelfdiscipline om niet te bezwijken in het aanbod. Wie bijvoorbeeld een blokjesbuik wil moet zelf de discipline weten op te brengen om naar de sportschool te gaan. De begeerde topfunctie vergt de zelfdiscipline om avonden en weekenden door te werken. Waar we voorheen bij het handje werden genomen door externe disciplinerende instituties, valt of staat ons succes tegenwoordig dus bij onze mate van zelfdiscipline.

De situatie waarbij iedereen voor zichzelf kan bepalen hoeveel discipline men over heeft om succes te hebben impliceert enorme vrijheid en autonomie. Maar in hoeverre is zelfdiscipline een product van onszelf? Zo betoogt Huijer dat niemand gedisciplineerd wordt geboren. Discipline wordt ons via opvoeding en andere externe invloeden aangeleerd. Aangezien we allemaal een andere opvoeding en ontwikkeling genieten, gebeurt dit bij de één dan ook beter dan bij een ander. Zo bekeken is het misschien minder een kwestie van ‘besluiten’ hoeveel zelfdiscipline we ergens voor over hebben en meer een kwestie van hoeveel discipline we in staat zijn op te brengen. Het kan dat wat we onszelf voortdurend aandoen minder onze eigen keus is dan we denken. Misschien is er sprake van een externe disciplinerende macht die druk op ons uitoefent en ons dwingt tot het gedrag dat wij vertonen. Deze macht vermomt zich dan als onze vrije wil.

Als je maar gelukkig wordt

Dit brengt ons op de vraag wie die externe macht dan wel is die ons zo extreem succesvol weet te disciplineren, én hoe deze macht dit voor elkaar bokst. Het lijkt erop dat wij zelf deze macht zijn en we dit voor elkaar krijgen door onszelf en elkaar ervan te overtuigen dat we iets geweldigs voor ons harde werken terug zullen krijgen: geluk. Wat geluk precies inhoudt verschilt per cultuur en tijdsgeest. Maar ondanks dat we er niet over uit zijn wat het precies is, zien we het wel als hoogste goed. Bovendien zijn we er van overtuigd geraakt dat we het krijgen zodra we ons naar al dat gewilde snoepgoed hebben gevochten. Geluk openbaart zich zodra die blokjesbuik en carrière een feit zijn. Dat zijn de voorwaarden en niets anders.

Ik denk graag dat ik zuiver intrinsiek gemotiveerd ben voor mijn bezigheden, niet vanuit mijn opvoeding of vanuit de druk om een bepaalde positie op de maatschappelijke ladder te verkrijgen. Ik ga voor negens, maar wel bij de bachelor filosofie – voor een goed carrièreperspectief hoef ik het niet te doen. Ik ben een fanatiek sporter, maar hier geeft mijn opvoeding geen verklaring voor: mijn moeder wacht nog altijd op de dag dat ik mijn gezonde gewoontes laat varen om onze Netflix-sessies weer op te pakken, waarbij we in onze onesies met een groot stuk taart serie na serie wegbingen. Graaf ik echter dieper in mijn beweegredenen, is er geen twijfel over mogelijk dat ook ik de overtuiging deel dat mijn inspanningen mij uiteindelijk dat ongedefinieerde ‘geluk’ zullen schenken.

Zo lijkt ons hedendaagse concept van geluk het middel waarmee we elkaar en onszelf tot gedrag weten te disciplineren. Gedrag waarvan we denken dat dit uit ons zelf komt. Het enige wat we hoeven te geloven is dat als we x, y en z doen we dit geluk ervoor terugkrijgen. Dit zijn de dingen die je dient te willen om gelukkig te worden. We hebben alle mogelijkheden tegenwoordig, maar tegelijkertijd geldt er een strenge norm over wat je zou moeten willen.

Sociale media

Via sociale media en sociale druk leggen we elkaar deze norm continu op. Elke selfie met wasbord en een glimlach versterkt de associatie tussen sporten en geluk. We leren elkaar dat als we ons zus en zo gedragen, we er geluk voor terugkrijgen. Zo gaan we allemaal geloven dat deze dingen het gouden ticket zijn naar een utopisch leven. We disciplineren elkaar, en overtuigen elkaar van de geloofwaardigheid van ons illusionaire geluksbegrip en de manier om dit te bereiken.

Op zich hoeft het niet bezwaarlijk te zijn dat onze denkpatronen beïnvloed worden door externe factoren. Ieder mens wordt gevormd door zijn of haar omgeving. Daar vloeit automatisch uit voort dat onze keuzes niet onafhankelijk worden gemaakt. Waar ik wel op wil attenderen is, dat als wat we willen gevormd kan worden, er dus ook de potentie is om het te vormen naar iets fijners of iets realistischers: naar iets dat ons niet rechtstreeks de burn-out in leidt. Wat we nu willen berust op een illusie: ons verdraaide concept van geluk. Worden we ons bewust van deze illusie, dan willen we misschien wel heel andere dingen. Die dingen zullen uiteraard ook het product zijn van allerlei invloeden, maar zijn wellicht minder destructief.

Eerst willen, dan kunnen

We leven in een wereld waar het leven maakbaar is: we kunnen wat we willen. Het lijkt erop alsof we allemaal dezelfde dingen willen. Dit omdat we elkaar een geluksbegrip voorhouden dat we door het vergaren van deze dingen zouden verkrijgen. Onze wil wordt in zoverre dus niet door ons zelf bepaald, maar door de manier waarop wij geluk definiëren. Dit geluksbegrip lijkt ook nog eens illusionair aangezien onze wensen, in plaats van geluk, eerder destructieve gevolgen met zich mee brengen: burn-outs, depressies en eetstoornissen zijn aan de orde van de dag. Bevrijden we ons van deze illusie, kunnen we wellicht beter inschatten wat goed voor ons is. Zo kunnen we onze wil baseren op een gezonder en realistischer fundament. Het probleem lijkt dus niet te zitten in wat we kunnen, maar wat we willen.

Daarom pleit ik voor een verschuiving van een ideologie van de maakbaarheid van het leven naar een ideologie van de maakbaarheid van de wil. Die zouden we moeten nastreven. Vergelijk het met een verslaving. Een alcoholist, bijvoorbeeld, wil vaak wel stoppen met drinken maar kan het niet. Een verslaafde is vrij in de wil maar niet in het kunnen. In onze samenleving lijkt het tegenovergestelde aan de hand: we kunnen wel rustiger aan doen of genoegen nemen met minder, maar willen niet. We lijken vrij in het kunnen maar niet in de wil. Het is een maakbare wil die we nu nodig hebben, niet slechts een maakbaar leven. De wereld is een snoepwinkel. Nu nog zelf bepalen voor welk snoep we gaan.

Anna Herter studeert filosofie en psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij heeft bachelors psychologie en filosofie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.