Laurel & Hardy: tot elkaar veroordeeld tot in de eeuwigheid

Biopic De biopic Stan & Ollie, over het legendarische slapstick-duo in hun nadagen, vervalt gelukkig niet in Hollywoodse zelfverheerlijking. Voor fans en nieuwelingen valt er veel te genieten.

Oliver Hardy (gespeeld door John C. Reilly) en Stan Laurel (Steve Coogan).
Oliver Hardy (gespeeld door John C. Reilly) en Stan Laurel (Steve Coogan).

Wat is de beste film van Stan Laurel en Oliver Hardy? Debatteer erover en voor je het weet heb je ruzie. Het duo gaat diep, wie van hen houdt, denkt liefst dat hij de enige is die hen naar behoren waardeert en noemt hen liefkozend ‘de jongens’. Mijn lievelings-Laurel-&-Hardy (en ik ben de enige niet) heet Brats (1930). Stan Laurel en Oliver Hardy spelen twee jongetjes van een jaar of zes die niet willen slapen. De humor is onverwoestbaar maar bovendien verrijken ze hun slapstick met de manier waarop kinderen bewegen. Bekijk de vluchtige ruzietjes („katjesspel” noemde mijn moeder dat), hoe de kleine Hardy uit een leunstoel klimt of kijk alleen maar Laurels sokkenvoetjes, en je weet genoeg. In alle andere films zijn ze volwassen versies van deze kinderen. Hun gekibbel is gedrag uit de zandbak. Olivers behaagzucht is angst voor straf. Stanleys huilbuien zijn kleuterfrustratie. Enthousiasme en overmoed typeert hen, hun onschuld is essentieel, de kern van alles wat ze doen.

Maar zeg „Laurel en Hardy” en het gaat al snel over een piano die de trap niet op wil. Want de bekendste Laurel en Hardy-film is The Music Box (1932) – met de jongens als pianoverhuizers. Er zijn mensen die er niet meer van bijkomen (ik) en er zijn mensen die deze film onverdraaglijk moedeloos maakt (dat begrijp ik), maar hij laat niemand onberoerd. Linksom of rechtsom, wat de komieken hier presteerden is een proeve van wonderbaarlijke existentiële vervreemding. Alles zit tegen en toch zit het mee. Of omgekeerd. En dan heb ik het nog niet over de blaaskaakbuurman wiens hoed door Laurel de trap af wordt gezwiept, in zegevierend anarchisme.

‘Leven die nog?’

Nu is er een speelfilm over de jongens. Hij heet Stan & Ollie en natuurlijk citeert hij The Music Box: een moeizaam de trap op gezeulde koffer glijdt langs de treden weer omlaag. Er wordt meer uit hun films geciteerd, vaak is het voorbij voor ik weet wat het ook weer was. Geeft niet. Een film is geen quiz en Stan & Ollie is geen klassieke biografische film. Hij beperkt zich tot hun nadagen in 1953, toen in Newcastle de theatertournee van start ging van Mr. Laurel en Mr. Hardy. Ooit wereldberoemd, nu zwaar op hun retour en in geldnood. We zien het duo met hun act de bühne opgaan voor een schaars publiek dat zich verbaast: „Leven die nog?”. Ja, ze leefden nog. En hun succes trok weer aan. Toch waren ze verloren. Ze waren voorbij.

Stan & Ollie is een film van de acteurs. Van Steve Coogan die Stan Laurel onwaarschijnlijk nauwgezet speelt, inclusief zijn lichtelijk verkouden stemgeluid. Van John C. Reilly, ook al zit hij als Oliver Hardy erg zwaar in de make-up en valse onderdelen. Vooral die onderkin oogt al te onecht. Maar de zorgvuldige motoriek van zware man is door Reilly uitgekiend tot in de kleinste gebaren. Stan & Ollie is ook van Jon S. Baird, een Schots-Britse tv-regisseur die zich weinig gelegen laat liggen aan de Hollywoodse zelfverheerlijking. Hij is overduidelijk dol op Laurel en Hardy maar dat verhindert niet dat hij onbarmhartig twee uitdovende mannen laat zien. Voor het laatst flakkeren ze op om dan onvermijdelijk te verdwarrelen.

Een gouden greep is dat Stan & Ollie drijft op het dansje uit Way Out West (1937). Het ontspringt op een jodelliedje, gezongen door cowboys die verbaasd zijn over de pracht van hun eigen lied. Dan arriveren Laurel en Hardy. Ze maken hun ezel vast en worden door de muziek gegrepen. Langzaam beginnen ze de klanken te volgen, met een heup, een schoenpunt. Tot ze ermee versmelten, samen dansend, hand in hand. Diep ontroerend en je voelt hun onafscheidelijkheid. Hun karikaturen van de daadkrachtige Amerikaan (Ollie) en de overgevoelige Brit (Stan) zijn verknocht, tot in eeuwigheid. Telkens komt het dansje terug en Coogan en Reilly voeren het aanbiddellijk precies uit.

Het gevaar van Stan & Ollie had kunnen zijn dat Jon S. Baird de mannen zou verwarren met hun personages. Maar deze film vertelt niet over grote kinderen. Stan Laurel en Oliver Hardy waren mannen met drank-, geld- en echtelijke problemen. Laurel droomde tegen de klippen op van een comeback. Hardy speelde zijn spel mee, tot hij in elkaar zakte bij de bathing beauty contest waar ze jurylid waren om wat extra’s te verdienen. Stan Laurel had de scène kunnen schrijven: de dikke valt flauw bij het zien van vrouwelijk schoon in badpak. Grof? Jazeker. En de waarheid. Juist een scène als deze behoedt de film voor de mierzoetigheid die hem bedreigt.

Unieke komieken

Deze twee mannen zijn geen boezemvrienden maar ze hebben alles aan elkaar te danken. Dat beseffen ze ver van huis, bij wat hun laatste gezamenlijke onderneming zal zijn. In de film wordt gesuggereerd dat er alsnog een grote vriendschap is ontloken. Dat lijkt me mythologie. En is het wel zo dan doet het niet terzake voor Laurel en Hardy; geen unieke mannen, wel unieke komieken.

Lees ook het interview met John C. Reilly en Steve Coogan: ‘Leuk, het was juist zenuwslopend’

Dat de film Stan Laurel en Oliver Hardy onderwerpt aan een traditionele vriendschap maakt hem bijna klef. Maar de filmmakers komen er niet uit. Ze pruttelen wat via de echtgenotes (ook weer prachtig geacteerd, daar niet van) en laten het erbij zitten. En zo belandt Stan & Ollie weer bij Laurel en Hardy’s brille op het snijpunt van gevoel en verstand.

Ik moet denken aan Herenleed, de Nederlandse variatie op Laurel en Hardy. Daar wordt verder uitgewerkt hoe de mannen tot elkaar veroordeeld zijn. Met Cherry Duyns als de dikke en Armando als de dunne verweerde dit tweetal zich met cerebrale slapstick tegen de ondraaglijk uitdijende werkelijkheid. De grote bullebakt, de kleine krimpt in elkaar. Ze zijn vrienden die mijlenver van elkaar afstaan en toch zijn ze een eenheid.

Stan & Ollie is een film voor aficionado’s en ook voor nieuwelingen die van niets weten. De aficionado’s kunnen lekker klagen over foutieve details. Laat ze maar, doet er niet toe. Belangrijker: duiken de nieuwelingen nu in het werk van Laurel en Hardy? Ik hoop het. Dit is een schat van een film, maar wie denkt dat hij ermee kan volstaan doet zichzelf te kort. Begin met A Perfect Day (1929), over een uitstapje in de sfeer van de jongens die naar Parijs gingen (ze gingen niet) en besluit met een afzakkertje richting onderwereld. ‘Bye… Goodbye!’