‘Leuk? Het was juist zenuwslopend’

Interview

John C. Reilly en Steve Coogan zijn bijna griezelig goed als Laurel en Hardy. Maar of ze bij de opnames van ‘Stan & Ollie’ ook vrienden werden? ,,Het was vooral hard werken.”

Dat dansje. Het komt uit de Laurel en Hardy-film Way out West (1937), waar ze voor een saloon een groepje cowboys het liedje At The Ball, That’s All horen jodelen. Eerst wiegen De Dikke (Oliver Hardy) en De Dunne (Stan Laurel )wat op hun benen, onwillekeurig verandert dat in een koddige pas de deux.

De Brit Steve Coogan en de Amerikaan John C. Reilly oefenden er in Londen drie weekeinden op, en bereikten een bijna perfecte imitatie. Maar of ze vrienden werden?

In Stan & Ollie spelen ze het beroemdste komische duo aller tijden tijdens hun laatste theatertournee in het Verenigd Koninkrijk in 1953. Laurel en Hardy hebben dan al acht jaar geen film meer van de grond gekregen: het publiek prefereert inmiddels Abbott & Costello. Dus keren ze terug naar de oorsprong: vaudeville. Het salaris uit de succestijd is verdampt in huwelijken en scheidingen.

Het is tijdens deze bitterzoete nadagen, betoogt speelfilm Stan & Ollie, dat twee filmpartners echt bevriend raakten. John C. Reilly (Oliver Hardy oftewel): „Het verbaasde me dat Stan en Oliver in hun succestijd niet bepaald close waren. Stan Laurel verzon continu sketches, Oliver Hardy deed zijn ding en ging dan terug naar de golfbaan. Terwijl het lijkt alsof ze al honderd jaar met elkaar getrouwd waren.” Steve Coogan (Stan Laurel): „Studiobaas Hal Roach bracht ze samen.” Reilly: „En niet om de subtielste redenen. Die vette en die magere gast samen: dat wordt vast lachen. Het grootste komische duo ooit ontstond door puur geluk.”

Steve Coogan: „Ik geloof ook werkelijk dat er pas veel later iets tussen hen groeide. Toen ze tijdens al die slopende theatertours treinen, hotels, coulissen en podia deelden en gedwongen waren te kijken: wie is die persoon op wie ik al zo lang leun? Dat Stan Laurel, toen Hardy al jaren dood was, sketches voor hen bleef schrijven, is mooi en tragisch tegelijk. En verhelderend.”

In Stan & Ollie fungeert de film Way Out West als scharnierpunt in hun loopbaan en hun relatie. In 1937 zijn ze nog Hollywoods bekendste duo, maar staat Laurel op het punt te breken met Hal Roach. Als de creatieve motor van het duo wil hij meer controle over zijn films, zoals zijn grote voorbeeld Charlie Chaplin. Waarna Oliver Hardy, contractueel nog aan Roach gebonden, meewerkt aan de film Zenobia, met komiek Harry Langdon als een soort inval-Laurel. Dat ‘verraad’ hangt in Stan & Ollie als onuitgesproken verwijt tussen het duo-op-leeftijd. Want al volgde er een hereniging, los van Hal Roach werd Stan Laurel nog minder controle over eigen films gegund en raakt de puf eruit.

Stan & Ollie drijft op het zeer accurate, volledig geloofwaardige samenspel van John C. Reilly en Steve Coogan. De laatste staat al heel lang bekend om zijn geweldige imitaties: zie zijn The Trip To-serie. Maar John C. Reilly kan er ook wat van, geholpen door een – watergekoelde – ‘fat suit’ en latex onderkinnen. Samen ogen ze bijna griezelig echt.

Het zal wel leuk zijn geweest op de filmset. Toch? Regisseur John S. Baird: „Gek genoeg denkt iedereen dat het grote lol was, maar het was juist zenuwslopend! Steve en John wilden alles perfect doen, maar van elke draaidag van tien uur waren wij al vier uur kwijt aan Johns make-up. Vakbondsregels, hè? We moesten manoeuvreren als een leger: alles gepland, precies, synchroon.”

Het lastigst was een minutenlange ‘long shot’ waarin Laurel en Hardy door Hal Roach’ studio in Los Angeles wandelen in 1937. Baird: „De voorbereiding was een ‘war room’, compleet met maquettes en pijltjes: die drie figuranten lopen op 1 minuut 35 langs, die vertrekt door die deur. We hadden het studiocomplex maar één vrije zondag, Star Wars werd er opgenomen. Het lukte pas na achttien takes, toen de zon bijna onder was.”

Stan & Ollie was vooral hard werken, benadrukken ook Reilly en Coogan in Londen. Reilly praat luid en veel, Coogan probeert er met zijn Britse lispelstem vaak tevergeefs tussen te komen. Hun lichaamstaal – van elkaar wegleunend op de sofa – suggereert niet direct diepe vriendschap, hun stekeligheden evenmin. Zegt Coogan dat een biografische film „net als een goede necrologie zoekt naar dat ene betekenisvolle detail over een persoon”, dan voegt Reilly daaraan toe: „Ja Steve, zoals die keer dat wij een eetafspraak hadden en je mij liet zitten. Dat typeert jou helemaal.”

Lees ook de recensie: Tot elkaar veroordeeld tot in de eeuwigheid

Ze hadden alle tijd om elkaar te leren kennen tijdens het repeteren van het dansje uit Way Out West, ver voor de opnames. Coogan: „We knipten die dans in hele kleine stukjes om de choreografie precies goed te krijgen. Wat doet Stan met zijn knie, hier komt dat wipje, waar raakt Ollie achter?” Reilly: „Stan Laurel leerde dat dansje indertijd aan Oliver Hardy, die soms net niet synchroon beweegt en dan moet inhalen. Maar juist die foutjes maken het Laurel en Hardy.”

Coogan: „We moesten dat dansje daarna zonder die foutjes instuderen. Ze voeren hem ook uit in 1953, toen ze hem al zo vaak deden dat het foutloos ging. Twee aparte dansjes dus, best lastig om die uit elkaar te houden.” Reilly: „Het was 99 procent werk en concentratie, maar je bent erg blij als zoiets lukt. En er moet ook wel plezier inzitten, anders werkt het niet.” Coogan: „Plezier om professionele redenen.”

Helder: de opname van Stan & Ollie leidde niet tot diepe vriendschap. En dat hoeft ook niet: een filmset zonder frictie levert vaak slappe films op.

Misschien kwam het tijdens de promotietour toch nog goed tussen John & Steve”? Deze week zijn Coogan en Reilly op de Amerikaanse televisie. „Jullie twee kenden elkaar niet, maar werden vrienden op de set”, stelt een interviewer met een air van vanzelfsprekendheid. Coogan opent verbaast zijn mond, kijkt naar Reilly, knipoogt en slaat hem op zijn knie. De heren barsten in lachen uit. „Sure”, zegt Coogan. „Tot zover”, grinnikt Reilly.

    • Coen van Zwol