Kleine computer

schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deze week: „Mag ik mijn telefoon terug?”

‘Dit doet me denken aan een werk van Willem Adams.” Mevrouw E. bekijkt haar kleurrijke schilderij aandachtig en kantelt het een paar keer. Ik heb geen idee wie Willem Adams is en pak mijn smartphone. Terwijl mevrouw E. naar haar kunstwerk blijft kijken, maak ik kennis met het werk van de Nederlandse kunstschilder die in 1956 als marinier-ziekenverpleger vertrok naar Nieuw-Guinea. „Ik zie wat u bedoelt.” „Ken jij de werken van Willem Adams? Dat is toch van ver voor jouw tijd?” Eindelijk heb ik oogcontact. Even wil ik doen alsof ik al bekend was met de schilder, maar ik besluit eerlijk te zijn. „Ik heb het net opgezocht.”

Mevrouw E. wendt haar blik weer af, door de glazen balkondeur tuurt ze naar de achtertuin van het verzorgingstehuis. Een geeloranje herfstzon ontfermt zich over het grote terras. „Tegenwoordig staat alles op het internet he? Op die kleine computertjes van jullie.” „Dat heet een smartphone.” „Een wat?” „Een smartphone.” Mevrouw E. negeert me en richt zich weer op haar schilderij. Het is inmiddels vier uur geweest, ik sta op om de tafel af te ruimen. „Het zit erop voor vandaag, mevrouw E. We gaan afronden.”

Ik berg de schilderijen op en loop naar de wasbak om de kwasten en paletten af te spoelen. Een waterige regenboog cirkelt het afvoerputje in. „Ik heb m’n kinderen vaak gevraagd om zo’n ding voor me aan te schaffen, maar er komt niks van.” Ik draai me om naar mevrouw E. die inmiddels op de lift staat te wachten. „Wat voor ding?” „Zo’n kleine computer.” „Dan vraagt u het gewoon nóg een keer. De aanhouder wint!” Als ik terugloop naar de salontafel merk ik dat mijn telefoon er niet meer ligt. „Mevrouw E.?” Geen reactie. „Mag ik m’n telefoon terug?” „Ik weet niet waar je het over hebt, kind. Ik moet nu gaan. Tot snel!” De lift is er nog niet en mevrouw E. staat inmiddels met haar rug naar me toe. „U heeft m’n telefoon vast weer verward met uw notitieblok. Kan gebeuren hoor.” Ik loop naar mevrouw E. en tover m’n toestel uit de voorzak van haar tasje. „Kijk, ziet u wel!” Mevrouw E. ritst haar tasje dicht. „Ik snap niet hoe dat ding daar terechtkwam. Maar je gelooft me vast niet. Doen m’n kinderen ook nooit.” „Het geeft niet, mevrouw E. Ik verwijt u niets.” Ze lijkt geen zin meer te hebben om het gesprek voort te zetten. „Dag hoor!” „Dag, lieve vrouw.” Ze verdwijnt achter de sluitende liftdeuren.

Om de privacy van de betrokken ouderen te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.
    • ---