Bij Doel komt echt geen modderpoel

Ontpolderen In de Hedwige- en Prosperpolders krijgt de getijdestroom van de Schelde weer vrij spel. Over 50 jaar is de natuur er volgroeid.

Zeeaster in bloei op de Paardenschor, een gebied dat 15 jaar geleden nog polder was.
Zeeaster in bloei op de Paardenschor, een gebied dat 15 jaar geleden nog polder was. Foto Jim van Belzen

Over de dijk in het Belgische Doel rijdt een zwarte auto. „Beveiligers van de kerncentrale”, zegt ecoloog Johan van de Koppel van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee. „Bijna elke keer dat we hier aan het werk zijn rijden ze even langs, stapvoets.” Zodra ze ons zien geven ze weer gas. Blijkbaar zien we er op onze rubberlaarzen niet al te bedreigend uit.

Van de Koppel werkt voor de NIOZ-afdeling in Yerseke, een uur rijden hiervandaan. De afgelopen vier jaar heeft hij met collega’s onderzoek gedaan in de Hedwige-Prosperpolder. Dat is het grensoverschrijdende gebied van 3,8 bij 2,7 kilometer dat na jaren politiek gesteggel zal worden ontpolderd. Zowel de Nederlandse Hedwigepolder als de Vlaamse Prosperpolder komt in open verbinding te staan met de Schelde.

Huizen en aardappelakkers maken plaats voor schorren en slikken: zand- en slibplaten die bij hoogwater gedeeltelijk tot geheel onder water lopen. De schorren zijn de hoger gelegen gedeeltes en zullen op den duur begroeid raken, de slikken blijven kaal. Zo zal er een dynamisch natuurgebied ontstaan, een estuarium waar zoet en zout water elkaar ontmoeten, waar kustvogels foerageren in het slib en zangvogels in de opgeschoten vegetatie hun deuntjes fluiten. Althans: dat is de verwachting van biologen. „Niet iedereen heeft evenveel vertrouwen in die toekomst. Sceptici vermoeden dat het gebied verandert in één grote modderpoel”, zegt Van de Koppel.

Een computermodel dat NIOZ-ecologen samen met collega’s van de Universiteit Antwerpen de afgelopen jaren maakten voorspelt iets anders. De komende vijftig jaar zal het gebied geen grote modderpoel worden, maar een mozaïek van kale slikken en schorren met zeeasters en zeebies, doorsneden door geulen. Daarop is het nog wel even wachten: de eerste tien jaar zal de begroeiing schaars zijn. Pas na een halve eeuw zal zo’n 40 tot 60 procent van het gebied begroeid zijn.

Paardenschor

Gelijktijdig met de ontwikkeling van het model deden de ecologen ook onderzoek in het veld, om een reëler beeld van de toekomstige situatie te krijgen. Onder andere in het nabije Paardenschor, waar we nu zijn. Van de Koppel: „In 2003 was dit nog een weiland, dus je ziet hier het resultaat van vijftien jaar ontpoldering. Het zoutgehalte is hier hetzelfde als in die polders, maar het gebied ligt iets hoger en daarom is er minder golfslag. Ook groeit hier riet, terwijl we dat in de Hedwige- en Prosperpolder niet verwachten. Verder zal de vegetatie nagenoeg gelijk zijn.” Het is een vervreemdend decor: aan onze rechterhand de Schelde, met aan de overkant talloze lichtjes van de haven van Antwerpen. Vlak achter ons de twee enorme koeltorens van de kerncentrales van Doel. Door de waterdampwolken is nog net de wassende maan te zien.

De Hedwige-Prosperpolder dient als compensatie voor natuurverlies in de Schelde. Die wordt verbreed en verdiept om hem bevaarbaar te houden en het overstromingsrisico te verminderen.

Die compensatie was er niet altijd, vertelde de Vlaamse ecoloog Patrick Meire al op het symposium: „Bij de eerste verruimingen, begin jaren zeventig, was er van aandacht voor de natuur nog geen sprake. De Schelde leek toen eerder op een open riool.”

De schorren en slikken verhogen niet alleen de natuurwaarde, zegt Van de Koppel terwijl we over het Paardenschor glibberen – het is laagwater, zes uur geleden stond hier drie meter water. „Zulke buitendijkse natuur zorgt ook voor ophoging van het landschap en biedt zo extra bescherming tegen overstromingen, terwijl die ophoging met inpolderen juist stopt. Dat kun je mooi zien als je de topografische kaart van Nederland bekijkt. Het Verdronken Land van Saeftinghe – verdrónken, nota bene – zo’n 3 kilometer hiervandaan is met 3 meter boven NAP nu het hoogste gebied van Zeeland, terwijl de oudste polders, uit 1862, rond zeeniveau liggen.”

Verderop vliegen kieviten – „naar het noorden in hartje winter, ze zijn duidelijk de weg kwijt”, grapt Van de Koppel – en in de zomer heeft zijn collega Jim van Belzen hier lepelaars zien staan. „Jim heeft het grootste deel van het veldwerk voor zijn rekening genomen. Hij heeft onder meer jonge zeebies uitgegraven en meegenomen naar het lab, om te kijken hoe de zaailingen reageren op verschillen in zoutgehalte, drainage en overstromingsduur.”

Geulvormen en stroming

Het samenspel tussen vegetatie, landschap en water is complex: de stroomsnelheid en geulen hebben invloed op de vestiging van planten, en andersom beïnvloeden planten de geulvormen en stroming. Het computermodel combineert de factoren. Bijzonder is dat het uit twee rasters bestaat: één met een resolutie van 0,25 bij 0,25 meter voor de vegetatie, één met een resolutie van 5 bij 5 meter voor de stroming. Omdat die per seconde verandert, zou een nauwkeuriger raster het model te zwaar en dus te traag maken. Zelfs in de huidige versie kostte het doorrekenen van vijftig jaar twee dagen op de Vlaamse supercomputer. Zonder die ingrepen en op een minder krachtige computer had het rekenwerk 1 miljoen jaar geduurd.

De wormen vormen de grootste belemmering voor de vestiging van planten.

De vestiging van vegetatie is grotendeels afhankelijk van toevalsfactoren, maar enkele wetmatigheden zijn er wel aan te wijzen. Van de Koppel wijst op een geul bij onze voeten. „In de Prosperpolder wordt straks een smalle bres geslagen, in de Hedwigepolder een iets bredere bres. De initiële geulen ontstaan door getijdewerking. Vlak langs de geulen is het iets droger, en zal nopjeswier gaan groeien. Die groene algenmatten zijn op hun beurt een goede vestigingsbodem voor zeeasters.” Vanaf de dijk zal het schor worden gekoloniseerd door zeebies. Die breiden zich langzaam lateraal uit, via wortelstokken.

Zeeduizendpoten

Voor de vegetatie zich in het nieuw ontpolderde gebied vertoont zijn we wel tien jaar verder, benadrukt Van de Koppel. Daar zijn vooral zeeduizendpoten debet aan: wormen die in natte bodems plantenwortels kapotbijten. Van Belzen heeft berekend dat noch zout, noch golfslag zo nadelig is voor de vestiging van vegetatie als de zeeduizendpoten. Maar uiteindelijk zullen de planten zich toch kunnen vestigen door ophoging van het land. Op het Paardenschor zijn nu bij laag water tientallen vogelpootsporen te volgen, te midden van de gaatjes in het slib waaronder zeeduizendpoten verborgen zitten.

„Het is goed dat de vegetatie zich niet direct vestigt”, zegt Van de Koppel. „Daardoor hebben de geulen eerst de kans om zich te ontwikkelen, en kan een goed drainagesysteem ontstaan.”

Terug op de dijk trekt hij zijn modderlaarzen uit. „Het computermodel komt goed overeen met onze waarnemingen hier op het Paardenschor. Ik ben al lang en breed met pensioen tegen de tijd dat de Hedwige- en Prosperpolder een volgroeid natuurgebied is, maar mijn kinderen zullen er hopelijk vaak komen.”

    • Gemma Venhuizen