Als man kan je achteloos dik worden: ‘een pilsje hier, een koekje daar’

Dieet Smulpaap Jan Heemskerk woog zonder dat hij het doorhad ineens ruim 110 kilo. Dat moest hij aanpakken, zei een diëtist. Hij wilde niet afvallen, deed het toch, en schreef er een boek over. „Mannen zoals ik hebben niks met verandering.”

Foto Lars van den Brink

Jan Heemskerk (56), radiomaker, schrijver, Slimste Man van Nederland, vroeger hoofdredacteur van Playboy, werd dik zoals de meeste mensen dik worden. Of nee, niet mensen. Mannen. Want daar gaat dit verhaal over. Over mannen die achteloos dik worden, met een kilo per jaar, en er nooit bij stilstaan dat ze eruit gaan zien als een „aangespoelde walvis met een vette plofkop”. Heemskerks woorden.

„Als je tegen je dertigste begint”, zegt hij, „ben je voor je vijfenvijftigste keurig op tijd honderdplus.” In zijn geval: 110 kilo en 9 ons, bij een lengte van 1 meter 89. „En onderweg nooit iets gemerkt, hè. Dat is toch wel knap. Dat zie je bij geen enkele vrouw. Die komen ook aan, maar hebben elke kilo in de gaten en klagen steen en been.” Mannen kopen gewoon een maat groter als hun broek begint te knellen.

Niks frituur in huize Heemskerk. Niet eens een airfryer. „Gewoon een pilsje hier, een koekje daar en ’s avonds twee keer opscheppen. Zo is het gegaan.” Of zoals hij in zijn nieuwste boek zegt: hij heeft die vijfentwintig kilo „erbij gevreten, dan wel gezopen, of niet-bewogen”. En intussen helemaal niet het idee gehad dat hij zich gedroeg als een mateloos varken.

In dat boek – Als Jan het kan… Gezond en slank voor gewone mannen – vertelt hij hoe hij, liever lui dan moe, weer van die vijfentwintig kilo af is gekomen. Het begint met zijn vrouw Corinne (zij werkt bij de Volkskrant), die na een feestje bij de buren tegen hem zegt dat ze een leuke diëtiste heeft ontmoet, gespecialiseerd in mannen.

Hij: „Gut, leuk.”

Zij: „Ga gewoon een keer praten. Het is heel ongezond om zo dik te zijn.” En: „Ik ben nou eenmaal een heel oppervlakkige vrouw en ik vind je een stuk aantrekkelijker als je slanker bent.” En: „Ik kan het gewoon niet op dikke mannen.”

Vermoedelijk, zegt Jan Heemskerk, had ze voordien al „honderden hints” gegeven, maar die had hij allemaal gemist of verdrongen. „Dat is goed mogelijk. Ik ben slecht in hints. Je moet heel duidelijk tegen me zijn.” Dat was ze dus deze keer, zijn Corinne.

Hij naar de diëtiste, toch nog zelfverzekerd en „mild optimistisch”. Zo dik was hij niet. Het viel echt wel mee met hem. „En toen”, zegt hij, „viel het heel erg niet mee.”

Buikomvang

Het was niet alleen die 110 kilo plus 9 ons waar de diëtiste moeilijk bij keek. Het was ook zijn buikomvang: 113 centimeter. En zijn bloeddruk: 152 over 87. Zijn bloedwaarden: te veel suiker, te veel verkeerd cholesterol. „Die diëtiste, Wendy heette ze, Wendy Walrabenstein, op het eerste gezicht zo’n vriendelijk yoga-vrouwtje met krullen, pakte even lekker door met doemscenario’s van alle vreselijke ziektes die je daarvan kunt krijgen.” Hartaanval, diabetes type 2, leveraandoeningen en een ruime selectie aan kankers. „Dat moet je bij mij niet doen, want ik ben een hypochonder. Dus voor mij was het” – hij kucht – „weinig minder dan een doodvonnis.”

En hij reageerde daarop als…? „Een verwend kind, ja. Erg hè. Janken, tegenstribbelen. Boos ook om wat me werd afgenomen. Maar dat was pas toen ze me mijn weekmenu had gemaild.” Havermout met sojamelk. Zuurdesembrood met humus. Kipstuckjes en rul gehackt van de Vegetarische Slager. En dat voor een man die zich geen leven kon voorstellen zonder eieren met oude kaas, gebakken in roomboter.

Alles goed en wel, zei hij tegen Wendy. Maar dit was te gek. Hoe kon ze van hem als man, omnivoor en smulpaap eisen dat hij ging eten als een konijn? Wendy, spijkerhard: „Voor mij hoef je het niet te doen. Ik ben je moeder niet. Je kunt ook ophouden met je aanstellen.” Bovendien stonden er op dat weekmenu ook dingen als rood vlees en rode wijn, één glas, bij het avondeten.

Lang verhaal kort: Jan Heemskerk gaf zich over en ging doen wat ze zei. Minder eten. Meer bewegen. Hij nam samen met twee buurmannen een personal trainer, aan wie ze duidelijk maakten dat hij ze maar het best kon behandelen als dikke baby’s die net hebben leren lopen en nog geen snoeppapiertje van de grond kunnen oprapen.

De personal trainer was trouwens ervaringsdeskundige als het om vreten als een varken ging. Voordat hij tot bezinning kwam en zijn leven omgooide kocht hij na het benzine tanken rustig vier kingsize Snickers, twee zakken winegums, twee zakken chips en een fles Fanta. Volgende pompstation: zelfde recept. Tot hij 180 kilo woog.

Verandering is slecht nieuws

Ze gingen rennen in de polder bij hun huis, in Nederhorst den Berg. Nou ja, rennen, rennen. Wandelen was het, kreunend en krakend, luidkeels klagend. „Allemaal angst voor en hekel aan verandering”, zegt Jan Heemskerk. „Daar ben ik gedurende deze lijdensweg wel achter gekomen. Mannen zoals ik, en dat zijn er heel veel, hebben niks met verandering. Verandering is slecht nieuws, want dan moet er iets gebeuren of gedaan of gesjouwd. Moeilijk, gedoe. Zet een krat bier, een luie stoel en een televisie neer en de meesten van ons vinden het wel best.”

Hij was gewend geweest om voor elke verplaatsing, zelfs die van minder dan een kilometer, de auto te pakken. „Ik ben een keer weer naar huis gereden”, zegt hij, „omdat ik ergens in Amsterdam niet voor de deur kon parkeren. Bellen naar de mensen die ik zou bezoeken: u bent onbereikbaar. Ik was oprecht boos, hè. Dit was niet te doen. Ik reed al tien minuten door die stomme stinkstad. Als die lui met me wilden praten moesten ze maar ergens anders gaan wonen.”

Mijn zuipmaatjes van voorheen, voor zover ik die had – wat moet ik nog met die lui?

Moet je hem nu horen, tweeënhalf jaar na de wake-up call in Wendy’s spreekkamer. „Ik vind het heerlijk om de fiets te pakken.” En: „Ik loop elke dag buiten en als ik het niet doe, voel ik me niet lekker.” Dat rondje door de polder doet hij fluitend. Heeft hij aan het eind van de dag de 10.000 stappen niet gehaald, dan loopt hij nog een poosje heen en weer voor zijn huis.

Hij drinkt geen alcohol meer, nog niet het kleinste beetje. Met roken was hij al gestopt. Hij weegt 88,4 kilo en dat bewaakt hij met „religieus fanatisme”. Elke ochtend staat hij op de weegschaal. „Eén dag een kilo meer, dat is niet erg, dat zegt niks. Maar de tweede dag grijp ik meteen in.”

Aan zijn ontbijt of lunch zal het niet liggen, dat is alle dagen hetzelfde. ’s Morgens havermout of yoghurt en fruit, ’s middags volkorenbrood met kip, rookvlees of – „god forbid” – plantaardig beleg. „Klaar, niet meer over nadenken.” De variabelen zitten in het avondeten. Een keer uit eten. Een pizza. Een feestje. Sushi waarvan je denkt dat ze vetarm zijn en vol mayonaise blijken te zitten. „Dan eten we de volgende avond vegetarische nasi zonder saté of spitskool van de grill.

In zijn boek doet Jan Heemskerk ook verslag van wat hij leest over de oorzaken van onze neiging om zo veel mogelijk te eten en hoe we geregeerd worden door onze genen: altijd voorbereid zijn op tijden van schaarste, nooit energie verspillen aan dingen die nutteloos zijn voor de overleving van de soort. En hoe overdaad die balans verstoort. „Het verhaal van de klapekster”, zegt hij. „Dat is toch geweldig? Dat zegt alles.”

Lees ook: Eet langzamer en val af

Mannelijke klapeksters zijn hele dagen druk met het doden van torretjes en de lijkjes decoratief op doornen te prikken. Zo verleiden ze vrouwelijke klapeksters tot seks. Kijk wat er gebeurt als je een mannetje in een kooi met twee knoppen stopt: de ene geeft toegang tot een volière waarin hij zijn natuurlijke gang kan gaan, de andere tot een voorverwarmd vrouwtje waarmee hij zonder gehannes met die torren seks kan krijgen. Binnen de kortste keren kiest hij nooit meer voor knop één.

Maar dan. Andere kooi, nu met een knop voor snelle seks en een knop waarmee hij zichzelf cocaïne kan toedienen. Wat kiest de klapekster? Cocaïne. Het is de snelste weg naar zaligheid, zonder welke inspanning dan ook. Honger, dorst, slaap, libido, alles negeert hij voor een nieuw shot. En na een dag of twaalf is hij dood.

„De harde waarheid is”, zegt Jan Heemskerk, „dat je met het oog op je levensduur tegen je genetisch bepaalde vraatzucht en luiheid in moet beslissen om het jezelf een beetje moeilijk te maken.”

Zuipmaatjes

Als Jan het kan… eindigt stemmig, moralistisch bijna. Met zijn afgeslankte lijf en zijn nieuw verworven discipline is Jan Heemskerk een ander mens geworden, en dat heeft ook nadelen. Hij is vrienden kwijtgeraakt. „Dat valt niet te ontkennen”, zegt hij. „Mijn zuipmaatjes van voorheen, voor zover ik die had – wat moet ik nog met die lui? Zij zijn binnen een halfuur stomdronken en dan zit ik daar met mijn glaasje prik. Het is niet dat ik ze nu haat of zo, maar het sterft wel een beetje af.”

Lees ook: Elf tips om minder te drinken

Met de vrienden die zijn gebleven zit hij nu avondjes „heel truttig” naar The Bohemian Rhapsody te kijken, over de Britse rockband Queen, zachtjes huilend over de tijd dat ze nog jonge goden waren en de toekomst open lag. „Voor de film begint hebben we het nog even over al onze blessures en wie weet er nog een goeie fysiotherapeut. We bereiden ons skireisje voor. Het is allemaal zo ontzettend gewoon, zo ontzettend braaf. En weet je, het is helemaal OK.”

Terug naar hoe hij was wil hij niet meer, maar wat is de weg vooruit? „Wat ga ik doen met mijn leven nu ik weer fris en helder en energiek ben, en bedachtzamer dan ooit?” Om daar antwoord op te krijgen doet hij nu een traject bij een loopbaancoach, niet toevallig een vriendin van Wendy Walrabenstein. Hij denkt aan een nieuw boek, over de ouderdom, en hoe je die een beetje heroïsch tegemoet kunt treden.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Jannetje Koelewijn