Opinie

Hugo de Jonge keek op, was hij grappig?

Petra de Koning

Het is „een eer” om een minister te mogen ontvangen. Natuurlijk zeg je dat als zo’n werkbezoek voorbij is. Maar bij de leden van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam klinkt het anders. Níét cliché. Begin december was vicepremier en CDA-minister Hugo de Jonge in hun synagoge, bij de chanoekaviering. Hij sprak Menno ten Brink toe, die vijfentwintig jaar rabbijn is. De Jonge trok aandacht met schoenen in dezelfde kleuren als het tapijt: rood, blauw, goud. En met twee zinnen uit zijn speech: „We zijn op een bijzondere plek, met ten zuiden van ons het licht van de avondspits op de A10. En ten noorden het pikkedonker van begraafplaats Zorgvlied.” De zaal was hard gaan lachen, De Jonge keek verbaasd op. Was dat zo grappig?

Afgelopen zondag ben ik er weer, de dienst waarin een net afgestudeerde rabbijn is geïnstalleerd is net voorbij. Petra Katzenstein, medewerker van het Joods Historisch Museum, was een van de voorzangers. Met die ‘eer’, zegt zij, zit het zo: „Zo’n bezoek vanuit de overheid betekent voor ons als Joden erkenning. Het geeft een veilig gevoel. Dat we er mogen zijn.” Het klinkt zwaar, zegt ze ook. „Maar we zijn nog maar met zo weinig.”

In een café in Amsterdam-Zuid, twee weken eerder, had de voorzitter van het synagogebestuur, Hans Weijel, ook al gezegd: „Joden hebben toch altijd een soort van minderwaardigheidscomplex.” Dan betekent zo’n bezoek veel. Niet dat híj zich minderwaardig voelt, zegt hij ook. Het is het gevoel van een groep die steeds maar weer werd veracht en vervolgd.

Zwaar is het gesprek met Weijel verder helemaal niet. Hij is een vrolijke prater. De Liberaal Joodse Gemeente, zegt hij, had eigenlijk premier Mark Rutte uitgenodigd. En nee, dan moet ik niet denken dat dat raar is, bij zo’n minderwaardigheidscomplex. Ronny Naftaniël, oud-directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), had erop aangedrongen: bel hem. Maar Rutte kon niet.

Dan die zinnen over Zorgvlied. Weijel begint weer te lachen. Maar waarom? „Dat zal dan wel een cultureel dingetje zijn. Joden houden niet van praten over de dood. Uit bijgeloof, dan haal je het dichterbij. En De Jonge doet er relativerend over.”

Op zondag vraag ik het ook aan leden van de Liberaal Joodse Gemeente en er zijn er die denken dat het lachen vooral ongemakkelijk was. Zo leuk vinden ze het niet, hoor ik, dat de synagoge net naast een begraafplaats staat – en niet eens hún begraafplaats.

Rabbijn Ten Brink noemt het „gewoon geestig”. „Dat hij ons, een levende Joodse gemeenschap, noemt naast een plek waar het leven is afgelopen. Hoe verzin je het.” Het bezoek van De Jonge zelf, hij kan het niet anders noemen, was een eer. Wat je eraan hebt als gemeente? „We kennen elkaar nu. Als er iets is, kan ik hem bellen. Of hij mij.” Als er dreiging is? „Ook als we iets te vieren hebben.”

Petra de Koning (p.dekoning@nrc.nl; @pdekoning) vervangt deze week Tom-Jan Meeus.