Opinie

    • Marjoleine de Vos

Hoe schrijvers ons bewustzijn vormen

Sommige zinnetjes onthoud je voor altijd. Zoals deze: „Dat het niet werkelijk voorbij was. Dat het nu pas begon voor hen.” Ze staan in een verhaal van Marga Minco over een ouder echtpaar dat ondergedoken heeft gezeten. Het is het eind van de oorlog, maar een bevrijding is het niet voor hen. Niemand komt terug. Hun familie niet, hun kinderen niet.

Die lichte toon waarachter een enorme leegte schuilt. Ik was haar werk weer gaan lezen vanwege de P.C. Hooftprijs en merkte dat ik niet op wilde houden. Ook in de roman Een leeg huis heeft ze de eerste na-oorlogse jaren tot onderwerp genomen. De hoofdpersoon, een jonge vrouw, probeert op een of andere manier door te leven. „Rode-Kruisberichten die me de dood melden van mijn ouders en mijn zuster, met de naam van het kamp en de datum, stop ik weg in een la. Ik bedek de brieven met andere papieren als iemand die een schep zand in een kuil gooit.”

In die jaren had iedereen zijn eigen oorlog, zijn eigen narigheid, zijn eigen doden. „Wat wil je eigenlijk? Beklaagd worden?” vraagt haar vriend geërgerd als ze een keer met een glaasje op tiert dat ze niet begrijpt waarom iedereen toch zo graag wil doen of er niets gebeurd is. Ze houdt het niet uit in Amsterdam, waar de leeggehaalde huizen haar aanstaren. Het huis naast hen is alleen nog maar een gevel, daarachter is alles gesloopt – er zat veel hout in dat voor verwarming gebruikt is. Ze gaat een poosje in Zuid-Frankrijk wonen, alleen. Ze loopt er over een zonnige begraafplaats met familiegraven, „dode families, onder één dak bijeen, achter groengeverfde ijzeren deuren, voortuinen vol bloemen.” De tegenstelling is wel duidelijk.

Onlangs werd de ontdekking gemeld van een Egyptisch graf. Het was van een hogepriester, zijn graf versierd met beelden en hiërogliefen, met alles wat een dode nodig kan hebben. Met uiterste zorg is de overledene op weg geholpen naar een andere wereld, 4.400 jaar is die met zorg ingerichte kamer onaangetast gebleven. Zo deden mensen dat. Zo doen ze het nog steeds graag, zij het iets minder groots. Wat de dode aan moet hebben, wat hij of zij mee moet krijgen in de kist, de verzorging van het lichaam – de meeste mensen vinden het van groot belang en doen het met aandacht. Het is het laatste wat achterblijvers kunnen doen.

En dan komt de pijn van het doorleven. Bij Minco gaat die niet gepaard met zelfmedelijden, eerder met bedwongen ontreddering. Dat lege huis is een metafoor voor alles. Voor de verdwenen familie, voor de onttakeling van al het vertrouwde, en ook voor de achtergebleven persoon, „een groot gat waar de wind doorheen blies”.

Het is die glasheldere taal, het zijn de vaak wat onwillige gesprekken, de naadloze overgangen tussen heden en verleden, de levenswil en de levensonmacht die steeds weer zoveel indruk maken. Schrijvers die het bewustzijn van hun lezers vormen met hun taal, met hun beelden – wie zouden we zijn zonder hen? Dat is geen loze vraag. Je weet het echt niet, heel het na-oorlogse kijken en denken van honderdduizenden lezers is mede bepaald door het slot van Het bittere kruid, met de oom die elke dag naar de tramhalte gaat, wachten op wie er nooit meer uit zullen stappen. En ook door het verhaal, zo kort, zo licht, over een bezoekje aan een vrouw die de spullen van de Joodse familie ‘in bewaring’ heeft genomen: de vreemde kamer vol met al die vertrouwde dingen van thuis die natuurlijk niet mee terug gaan. Het is allemaal ‘echt’, en tegelijkertijd is het allemaal metafoor voor leegte en verlies.

En dan toch zo licht.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.