Opinie

    • Frits Abrahams

Een stad die kleiner werd

Met het oog op een voorgenomen familiediner besloten we een restaurant in Venlo te testen. Venlo is de plaats waar ik mijn vrouw leerde kennen tijdens carnaval. Misschien zijn we elkaar al in die zaak in de armen gevallen, maar dat weten we niet meer zeker. Een carnavalsvierder herinnert zich niet meer zó veel.

De zaak lag erbij alsof er al die jaren niets veranderd was. De hal, de lambrisering, de opstelling van de tafels, alles ademde de sfeer van toen. Ook de bediening, wél aanzienlijk verjongd, was nog even vriendelijk. Als ook de kok een goede opvolger had gekregen, konden we straks voldaan huiswaarts keren.

Al bij het voorgerecht begonnen de twijfels. Mijn coquilles waren gedoopt in een nogal snotterig uitziend en vlak smakend sausje, de carpaccio van mijn vrouw proefde zouter dan de zee. Alle begin is moeilijk, bezwoer ik nog tegen beter weten in, maar één hapje van de frites bij het hoofdgerecht stemde ook mij moedeloos. De kok die zelfs geen deugdelijke frites kan bereiden, heeft het verkeerde vak gekozen. Moeizaam werkte ik me door mijn futloze heilbot heen, terwijl mijn vrouw haar strijd met de risotto halverwege staakte.

We hadden gedaan wat we konden, hier konden we niet meer tegenop. We namen nog maar een drankje; dat herinnerde ons tenminste nog een beetje aan carnaval. Of alles goed gesmaakt had? We knikten maar wat, die aardige serveerster kon het ook niet helpen.

Eén zekerheid hadden we: als we dit de familie zouden voorzetten, kwam het nooit meer goed.

Wat te doen? Meteen een ander restaurant regelen, besliste ik met een bijna wraakzuchtige dadendrang. In godsnaam niet hier, zuchtte mijn vrouw, stel je voor dat ze het horen. We liepen de bittere kou in van ‘het stedje van lol en plezeer’, zoals Venlo zich in een bekend carnavalsliedje noemt. Dat liedje is nog van ver vóór Wilders, zeg ik er voor de duidelijkheid maar even bij.

Venlo bleek nog kleiner geworden dan ik me herinnerde van mijn laatste bezoek. Misschien komt het doordat ook je jeugd steeds meer ineenkrimpt in een uithoek van je geheugen.

Ik voelde ook geen nostalgie meer, zelfs niet bij een van de kleinste musea van Nederland dat aan de Parade ligt en gewijd is aan de voetballer Jan Klaassens, die 57 maal in het Nederlands elftal speelde en zo de eeuwige held van Venlo werd. Zijn Oranje-shirt lag in volle lengte over de toonbank, zijn voetbalschoenen stonden op de grond. Erachter een grote foto waarbij mij nu pas opviel dat Klaassens – in mijn herinnering een bonk van een middenvelder – vergeleken met de moderne voetballer een weinig gespierd bovenlichaam had.

We liepen door naar het gebouw aan de Grote Kerkstraat waar mijn eerste krant, het Dagblad voor Noord-Limburg, gevestigd was. Tot mijn voldoening was aan de gevel de tekst bevestigd van het gedicht ‘Nachtdienst’, van mijn bekwame en beminnelijke chef Cor Deneer, net als Klaassens te vroeg gestorven. In de laatste regels verwoordt hij het einde van zo’n nachtdienst die ik met hem nog heb mogen meemaken. De krant is ‘dicht’, de pers doet nu haar werk. „Terwijl zij voortraast buig ik mij/ over de pagina’s.Het is voorbij/ ’t Is alles even onherroepelijk en pril:/ want als de pers draait staat de wereld stil.

Onherroepelijk, dat is het woord dat bij zo’n dagje hoort.

    • Frits Abrahams