Opinie

Deeltijdwerkers, ga nu eens meer doen. Of...?

Menno Tamminga

Een kwestie is pas écht een kwestie als er een commissie aan de slag gaat om oplossingen te vinden. Drie staan dit jaar in m’n agenda. Twee gaan over de arbeidsmarkt, flessehals nummer 1 in de verhitte economie. Nieuwe arbeidskrachten vinden is hard werken. De tekorten remmen de economische groei en frustreren onderwijs en gezondheidszorg.

De eerste kwestie is een klassieker: waarom werken zoveel mensen (lees: vrouwen) in deeltijd? Een Interdepartementaal Beleidsonderzoek moet het kabinet adviseren. Welke belemmeringen kunnen we „wegnemen, zodat deeltijders meer uren kunnen werken”, schreef minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) eind november aan de Tweede Kamer. Hij wil de arbeidsmarkt structureel verbeteren.

Waarom is dit een klassieker? Het is aandoenlijk hoe het calvinistische arbeidsethos ook in liberale kring heerst. Is het de beleidsdroom dat elke deeltijder een uur meer werkt en alle vacatures zijn vervuld? Zo mechanisch werkt de economie niet. Deeltijdwerk is er niet voor niets. Het vervult wensen van werkgevers (roosters, piekbelasting opvangen) én van werknemers die ook andere dingen willen doen. Kortom: wat heeft de overheid zich te bemoeien met gefundeerde keuzes van burgers?

Kwestie twee is een onderwerp waarmee minister Koolmees geschiedenis kan schrijven. Hij heeft een commissie aan het werk gezet om in het oerwoud van arbeidscontracten (vast, flexibel, uitzendwerk, platformeconomie), de sociale zekerheid én belastingheffing het nodige te kappen. Oud-topambtenaar Hans Borstlap is voorzitter van de commissie die wemelt van hoogleraren. Twee mkb’ers doen mee: directeur Bas ter Weel van onderzoeksinstituut SEO en Frank Kalshoven van de Argumentenfabriek. Zij mogen nut en noodzaak van keuzevrijheid, solidariteit, zekerheid, kosten en risico’s in arbeidsverhoudingen afwegen.

Hoe verging het de commissie Bakker die in de vorige hoogconjunctuur de arbeidsmarkt wilde hervormen?

Uiterlijk 1 november moet het rapport af zijn. Koolmees waarschuwt de commissie „dat dit een onderwerp is dat maatschappelijk veel gevoelens oproept”. Het gezelschap is heel geleerd, maar werkgevers (inclusief de overheid) en vakbonden denken in praktische belangen. De politieke en economische conjunctuur in 2020 zullen beslissend zijn.

Het derde onderwerp overstijgt alles: hoe vol is Nederland en moet het kabinet iets doen aan de gevolgen? Het is geagendeerd door afscheidsinterviews van hoogleraar sociale geografie Jan Latten, die vorig jaar als hoofddemograaf van het CBS met pensioen ging. Hij vroeg zich af: als de overheid voor zoveel onderwerpen beleid voert, waarom slaat zij dan bevolkingspolitiek over? Zo werden omvang en samenstelling van de bevolking bij de algemene politieke beschouwingen in september plots een kwestie. Dit jaar moeten de eerste gezaghebbende onderzoeken verschijnen.

Bevolkingspolitiek is beladen. Politiek rechts ziet het als instrument tegen (islamitische) immigratie. Nederland is vol genoeg. Op links ziet men de mens wel als aanstichter van de opwarming van de aarde, maar de logische conclusie dat minder mensen ook minder klimaatschade aanrichten, is een taboe.

Bevolkingspolitiek reguleert de groei van arbeid. De bevolkingsgroei bepaalt met productiviteit/technologie de hoogte van de economische groei. Zie ook de twee kwesties over de arbeidsmarkt hierboven. Voor de meeste politici – en ook voor werkgevers en vakbonden, vermoed ik – is een wereld van krimp onbestaanbaar. Past niet in het verdien- en denkmodel. Maar ons bestaan wordt wel wat vrijer. Leefbaarder. Met minder natuurverwoesting. Minder fijnstof. Geen Lelystad.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.