Alleen in examentijd zwijgt het carillon

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: muziek als atmosferisch verschijnsel.
Illustratie Eliane Gerrits

‘In de Nederlanden zingt de tijd”, schreef de Italiaan Edmondo De Amicis in 1874 in zijn boek Olanda, doelend op het carillongeluid dat hem op zijn reis door ons land vergezelde. Maar Princeton kan er ook wat van.

Op gezette tijden beklimt universiteitsbeiaardier Lisa Lonie de trappen van de neogotische Cleveland-toren en begint met haar vuisten en voeten de klokken te bespelen. Over het rustige stadje wordt een hagelregen van klanken uitgestort. Ramen en deuren sluiten heeft geen zin.

Het firmament wordt bespeeld, niets minder. Om Bertus Aafjes te citeren: „Heel de hemel is in een oogwenk verzadigd van klank. Het bromt, het dondert, het hagelt, het klettert en plotseling valt er weer een meiregen van geluid.” Muziek als atmosferisch verschijnsel.

Mooi is niet het eerste waaraan je denkt bij het klokkenspel. Het is vooral een boodschap naar boven, luid en duidelijk. God schiep de mens nietig en sterfelijk, maar de mens antwoordt met tijdloze composities waar zelfs de Schepper niet van terug heeft. Met de volumeknop op tien. Als een omgekeerde marionet trekt de beiaardier aan de touwtjes.

De carillontoren staat vlak bij ons huis, in het Graduate College met een hoog Harry Potter-gehalte. Hier zijn de promovendi gehuisvest, op gepaste afstand van de studenten. In deze lieflijke omgeving kunnen ze zich richten op hun proefschrift, nergens door afgeleid. Behalve dan door het carillon, dat alleen in examentijd zwijgt.

Klokken lopen als een rode draad door mijn leven. Op de markt in Roermond klonk het carillon boven het geschreeuw van de kooplui uit. Boven in de Domtoren in Utrecht gaf ik mijn afstudeerfeest, waar de gasten hun handen voor de oren hielden als de klokken luidden. Later, toen ik in Amsterdam woonde, probeerde ik ’s nachts de klanken en melodieën van de verschillende kerken en het Paleis op de Dam te onderscheiden.

Een tijdje woonden we hartje Jordaan, pal onder de Westertoren. Onze buurman, die er overigens niet voor terugdeinsde om op zondagochtend urenlang met zijn zaagmachine in de weer te gaan, ergerde zich zo aan de klokken dat hij een petitie begon tegen het carillon, dat dag en nacht een deuntje speelde. Kon die klok niet uit als mensen gingen slapen? De reactie was voorspelbaar. Als je aan de Wester komt, kom je aan Amsterdam. Hoe haalde die importyup het in zijn hoofd!

Ook het carillon in Princeton heeft een trouwe schare fans. In het concertseizoen komen elke zondag mensen van heinde en ver om te luisteren. Ze gaan in het gras zitten op quilts of uitklapbare stoeltjes. Allemaal kijken ze omhoog naar de brullende toren waaruit zowel Bach als de Beatles klinken.

Er zit, hoe kan het ook anders, een duidelijk Hollands tintje aan dit Amerikaanse carillon. Een klok is gegoten in Aarle-Rixtel. Niet zelden komt een gastbeiaardier uit Nederland spelen. En onlangs bespeelde carillonneur Lonie het Roermondse carillon. In mijn geboortestad. Zo was de rode draad ineens een cirkel.

In mijn verbeelding kon ik de klokken over de oceaan horen. Het firmament draagt ver.

Reacties naar pdejong@ias.edu.