Opinie

    • Sjoerd de Jong

Kleine kroniek van Oud en Nieuw: van ‘relatief rustig’ naar morele paniek

None

Een laaiende vuurzeefoto voorop, een verslag ter plaatse en twee volle pagina’s „op pad met de man die elke brand fotografeert”. Een dag later weer voorpaginanieuws over een discussie die „de kern van maatschapelijke normen en tradities” raakt, twee pagina’s binnenin en een vermanend Commentaar.

Je kunt niet zeggen dat NRC de jaarwisseling ongemerkt heeft laten passeren. Of, zoals de politie vroeger zou hebben gezegd, dat het in de krant „relatief rustig” is gebleven rond Oud en Nieuw.

Er is ook aanleiding toe: het uit de hand gelopen vuur in Scheveningen, het geweld tegen agenten en hulpverleners, en 15 to 20 miljoen schade. Toch was dat alles bij elkaar geen ernstiger ontsporing dan enkele decennia geleden, al was het volgens de politie een „drukke jaarwisseling”.

Als buitenbeentje in deze themabijlage: hoe duurzaam is Oud en Nieuw nog? Een klein onderzoek in de NRC-archieven laat een fascinerende ontwikkeling zien. Die gaat van rituele gelatenheid, bij autoriteiten én media, naar de steeds luidere roep om inperking, met een hint van morele paniek.

Een mooi voorbeeld van het eerste is het uitvoerige, sobere verslag in NRC van de jaarwisseling 1991/92. Volgens de meeste politiekorpsen was die „rustiger verlopen dan voorgaande jaren”, noteerde de krant. De Haagse politie sprak zelfs van „de rustigste jaarwisseling sinds jaren”.

Ja, dan moeten de dienders en burgers van toen stalen zenuwen hebben gehad, want de feiten in het verslag zijn dat door brand door vuurpijlen „voor enkele miljoenen guldens schade aangericht” was, de Mobiele Eenheid in Alphen aan den Rijn uitrukte tegen „relschoppers”, in Rijswijk een „confrontatie” plaatsvond tussen politie en tweehonderd stenengooiende jongeren, in Haarlem zeven mensen gewond raakten bij een explosie, in Leersum een man omkwam bij een brand, in Noordwijk twee restaurants en 13 appartementen in de as werden gelegd en in Amsterdam een 21-jarige man zelfmoord pleegde „nadat door de explosie van een zelfgemaakte vuurwerkbom zijn hand was afgerukt”.

Echt een gezapig feestje.

De jaren daarop geven een wisselend beeld, maar een nacht waarin alleen het gerinkel van champagneglazen en niet die van schoolruiten te horen valt, is er niet bij. Bij het „kalme” begin van 1993 bericht de krant onderkoeld over „enige door vuurwerkongelukken afgebrande restaurants en scholen”. Elfhonderd scholieren raken ‘dakloos’ (Kerst-branden meegerekend). Schade: negen miljoen. O ja, in Hoorn brandde een Grieks restaurant „volledig uit” door „een molotovcocktail”. 1998 wordt ingeluid door een roedel jongeren die in de Groningse Oosterparkwijk „plunderend” rondtrekken. In Arnemuiden wordt met honkbalknuppels op de politie ingeslagen door mannen met bivakmutsen.

Het bizarre contrast dat je in die verslagen soms proeft tussen toon en feiten doet denken aan de Brutus-toespraak in Shakespeare’s Julius Caesar, met de repeterende ironische verzekering dat moordenaar Brutus natuurlijk wel een nobele man is. Of, recenter, aan de Iraakse minister van propaganda die in 2003 voor een door bominslagen trillende landkaart stug volhield dat de Amerikanen waren verslagen.

Aan die tweespalt komt geleidelijk een einde in het nieuwe millennium (in 2003 schrijft NRC dat het „wel oorlogstijd” lijkt, na rellen in het Amsterdamse Floradorp). Maar pas expliciet in 2007, wanneer twee gezagsdragers, de burgemeester van Almelo en de korpschef Gelderland-zuid, in hun Nieuwjaarredes de noodklok luiden. Ze hekelen de „normvervaging” tijdens Oudjaar, dat hun met bierflessen bekogelde agenten toch iets anders hebben beleefd dan wat de media er „tot hun grote ergernis” van maken. Het leidt in NRC tot een kritisch artikel over de laconieke berichtgeving (Het nattevingerwerk van het oudejaarsnieuws).

Er lijkt meer aan de hand: het oudejaarsgeweld begint te staan voor een meer algemene zorg over verloedering van de samenleving. Eind jaren negentig komen de witte marsen op gang tegen ‘zinloos geweld’. En dan volgt nog de compleet nieuwe, turbulente fase in het nationale zelfonderzoek na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Oud en Nieuw wordt opgenomen in een breder verhaal over hufterigheid en veel erger. Begin 2008 hekelt Balkenende, premier, de „zieke mentaliteit” tijdens de jaarwisseling (waarin 22 scholen afbrandden). Het accent in de berichtgeving verschuift naar geweld tegen politie, brandweerlieden en andere hulpverleners. Er komt snelrecht. In de krant verschijnen de eerste opiniestukken voor een verbod op vuurwerk.

Columnist Folkert Jensma pakt de trend in 2014 scherp op; hij hekelt de rituele losbandigheid van de „jaarlijkse nationale rampenoefening Uitgaansgeweld”, maar waarschuwt ook voor overspannen verwachtingen van de politiek: Oudejaarsgeweld wordt „geframed” als geweld tegen de staat dat moet worden uitgebannen, maar beheersen en dempen is de beste optie: „Ook in essentie culturele gebruiken kunnen veranderd worden, maar ex cathedra verbieden zit er niet in.”

Jammer voor staatssecretaris Dijkhoff, nooit te beroerd om een eendagsvlieg uit de fles te laten, die eind 2016, na de aanrandingen in Keulen, huisarrest suggereert voor „heel irritante” asielzoekers tijdens Oudejaarsnacht.

Toch lijkt wel het eerste te gebeuren wat Jensma in zijn column aanstipte: een gestage taboeïsering van Oudejaarsgekte. Hoe dan ook, de dagen dat die nog hoofdschuddend maar gelaten kon worden geaccepteerd als een fact of life, ook door de media, zijn voorbij – ook een teken des tijds.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong