Waarom heeft een kat vaak witte sokjes?

Durf te vragen Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Deze week over witte kattenuiteinden.

Illustratie Fokke Gerritsma

Witte sokjes, een witte buik en witte bef, een witte snuit en het uiterste puntje van de staart ook spierwit. Veel huiskatten lijken wel gekleed voor een deftig feest. ‘Tuxedo’ heet deze vachttekening dan ook in de Verenigde Staten; ‘in smoking’ zeggen wij.

Vachtkleur en -tekening zijn genetisch vastgelegd, maar dat zit behoorlijk ingewikkeld in elkaar. Er zijn minstens acht verschillende genen bij betrokken die elkaar onderling vaak ook nog beïnvloeden. Het levert de bonte mengeling aan verschijningsvormen van de huiskat.

Het belangrijkste gen dat de witte vachtkleur van de kat codeert, is het zogeheten White Spotting Gene, oftewel het wittevlekgen. Die vlek kan zo groot worden dat wij het resultaat zien als een witte kat met gekleurde vlekken, maar genetisch gezien gaat het om een heel grote witte vlek, die andere kleuren in het gedrang brengt.

Een mutatie in het wittevlekgen is dominant over alle andere genen die de kleur bepalen. Het gen bevat de informatie voor de zogeheten tyrosinekinasereceptor, een molecuul dat betrokken is bij de eerste stap van de pigmentproductie. Tyrosine is de grondstof voor de twee soorten pigment in de huid: het donkerbruine tot zwarte eumelanine en het gele tot rode feomelanine. Worden die niet aangemaakt, dan blijft de vacht op die plek wit.

Haarzakjes

Bij alle gewervelde dieren komen de voorlopers van de pigmentcellen in het embryo voort uit de zogeheten neurale plaat, de lijn op de rug van het embryo waaruit ook het zenuwstelsel zich ontwikkelt. Van hieruit migreren voorlopercellen (melanoblasten) over het lichaam. Die vormen de melanocyten: de pigmentproducerende cellen in huid, haarzakjes, irissen en binnenoor.

De genetica van de kattenhuid zou in een leerboek niet misstaan als voorbeeld van hoe complex de interacties tussen genen kunnen zijn, en ook hoe kleine veranderingen in hetzelfde gen het dier een compleet ander uiterlijk geven.

Genetisch onderzoek uit 2014 wees uit dat het dominante wit van katten relatief recent ontstaan is. Het dominante allel (W) blijkt verstoord door een stukje repeterend DNA dat per toeval middenin het kleurbepalende gen belandde. Katten die dit allel hebben zijn spierwit met blauwe ogen én ze zijn vaak doof. Dat laatste is te verklaren doordat melanocyten een rol spelen bij het in stand houden van de juiste zoutbalans in het slakkenhuis van het oor. (Er bestaan ook albinokatten, die uiteraard wit zijn, maar niet doof).

Waarschijnlijk is het stukje repeterend DNA in het dominante witte gen meegereisd met een ‘springend’ endovirus dat zich er middenin nestelde. Als dat endovirus-DNA (allel ws) óók nog in het wit-gen van de kat zit, krijgt de kat een variabel grote witte vlek op de buik en witte sokjes: een smoking. Een kat met twee kopieën van het oorspronkelijke allel (w+) is helemaal gekleurd.

Wetenschappers denken dat cellen met het ws-allel langzamer delen en tijdens de embryonale ontwikkeling dus geen tijd genoeg hebben om de hele kat te bedekken. Waarschijnlijk komt de witte vlek van de kat daardoor vaak aan de uiteinden terecht: poten, buik, snuit en staartpunt. Daarnaast hebben ook andere genen nog invloed op de vorm en grootte van de witte vlek.

Ook een vraag? durftevragen@nrc.nl
    • Sander Voormolen