Opinie

    • Hans Steketee

Vliegen is een zondig genoegen

Duurzaam vliegen Wij luchtreizigers weten dat we de verwoesting van de planeet versnellen, schrijft . Maar de opwaartse kracht van het vliegen is nog altijd groter dan het gewicht van onze schuldgevoelens. Ode aan het vliegen.

Illustratie: Floor van het Nederend

De eerste betalende luchtpassagier heette Abram Pheil. Als burgemeester van St. Petersburg, een stad in Florida, bood hij tijdens een veiling het winnende bedrag van 400 dollar om op 1 januari 1914 met een watervliegtuigje naar Tampa, aan de overkant van de baai, gebracht te worden. In elk geval gebruikte de koepel van luchtvaartmaatschappijen (IATA) vier jaar geleden Pheils vlucht van 23 minuten als aanleiding voor haar eeuwfeest.

Tegenwoordig zitten er op elk moment van de dag gemiddeld acht miljoen mensen wereldwijd ergens in een vliegtuig – een weldaad voor onszelf en de wereld, als je oud-IATA-chef Tony Tyler mag geloven: „De luchtvaart herenigt geliefden, verbindt culturen, opent geesten en markten en draagt bij aan ontwikkeling”, zei hij in 2014. „Luchtvaart biedt mensen in de hele wereld de vrijheid om verbindingen te leggen die hun levens en de wereld veranderen.”

Hij zinspeelde op het ‘Peter Stuyvesant-gevoel’ – een marketing-slogan uit de tijd dat sigaretten nog gezond waren en je aan boord van vliegtuigen geacht werd te roken – maar ook vier jaar geleden wist iedereen al dat vliegen de wereld op een andere manier veranderde dan Tyler bedoelde.

Vliegen is zondig, het valt niet langer te ontkennen. Ik schaam me diep als ik vanuit stoel 62K de tankwagen van onder de vleugel zie wegdraaien in de wetenschap dat er op de 150.000 liter kerosine die deze 747 op een vlucht van tien uur zal verstoken precies 0 eurocent accijns of belasting betaald hoeft te worden. Voor de luxe dat je binnen een paar uur en voor een habbekrats aan de andere kant van de wereld van een vliegtuigtrap kunt stappen, betalen we een hoge prijs.

Vliegen raakt aan alle zeven hoofdzonden

Ooit hoefde je daar niet over na te denken (overigens had je toen weer andere bijgedachten; vliegen is sindsdien vele malen veiliger geworden). Maar de zeven hoofdzonden lijken nu geknipt te zijn voor het vliegen. Gemakzucht spreekt voor zichzelf; ijdelheid („Je raadt nooit wat ik heb gevonden toen ik even in New York aan het shoppen was”); jaloezie (dat mat-zilveren label aan de rolkoffer van de man die niet in de rij hoeft te staan); boosheid (bij degenen die wél in de rij moeten staan en daarna moeten vechten om een vrije stoel of overhead-kastje, er is zelfs een woord voor: ‘air rage’); onmatigheid („Zou ik misschien nog zo’n klein flesje…?”); hebzucht (taxfree winkelen, Delftsblauwe grachtenhuisjes) en dan ben ik wellust nog vergeten.

En toch.

Ja, wij luchtreizigers weten best dat we egoïsten zijn en de verwoesting van de planeet versnellen. We weten heel goed dat we eigenlijk geen recht hebben op wat intussen ‘luxe-emissies’ zijn gaan heten. Ja, wij steken onze kop in het zand. En ja, we hopen tegen de klippen op dat ‘ze’ er iets op zullen vinden voor het te laat is. Maar ook: wij zijn waarschijnlijk best bereid meer te betalen als dat ten slotte van ons gevraagd wordt, want wij weten heel goed dat je niet voor drie tientjes naar Barcelona kunt vliegen.

Daarom blijven we vliegen. Want we denken dat Tony Tyler van de IATA toch gelijk heeft: vliegen geeft – nog steeds en ondanks alles – vleugels aan je dromen. Die opwaartse kracht is nog altijd groter dan het gewicht van onze schuldgevoelens.

Het vliegtuig dat familie brengt

Ik heb een vriend die in zijn jeugd in Jakarta heeft gewoond. Voor hem is vliegen nog steeds die blauw-witte DC-8 die uit de wolken verschijnt en familieleden en vrienden uit het moederland brengt. Als hij nu vliegt, en dat doet hij graag, denkt hij nog steeds aan die momenten.

Ik heb een andere en toch soortgelijke herinnering. Ik vloog voor het eerst in de jaren zeventig van de vorige eeuw, in een éénmotorig vliegtuigje voor een rondvlucht boven Zeeland. Ik zie nog hoe de piloot zijn koptelefoon opzet en een paar schakelaars overhaalt. Mijn opa zit in de stoel naast hem, ook met een koptelefoon op. Als verjaarscadeau heeft hij deze vlucht gekregen, zijn kleinkinderen mochten lootjes trekken. Deinend rijden we naar de kop van de startbaan. De piloot geeft vol gas en laat dan de rem los. De Cessna schiet naar voren, rolt steeds sneller over het gras. En opeens hoor je de wielen niet langer.

Dit moment is nog geen vliegen. Je voelt de zwaartekracht nog trekken, en je voelt iets anders omhoog duwen. Het vliegtuig kreunt zachtjes, lijkt te aarzelen en is dan pas echt los van de aarde.

Lees ook: twistgesprek over de groei van de luchtvaart

Ik weet niet hoe vaak ik sinds die eerste keer in vliegtuigen heb gezeten. Kleine en grotere, met propellers en straalmotoren, voor korte en langere reizen, in lege en volle vliegtuigen, in een passagiersstoel en in de cockpit, voor plezier en voor werk. Maar de sensatie van het korte moment dat je loskomt – niet het gewichtsloze wegzweven als in een ballon, maar in iets dat zwaar is van zichzelf – en het zinkende gevoel in je maag dat dit eigenlijk onmogelijk is, blijft elke keer als nieuw.

O ja, de wellust. Het is met vliegen waarschijnlijk een beetje zoals wat een (andere) vriend zei over seks: „Ook als ze iets beters uitvinden blijf ik het er toch bijdoen.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.

    • Hans Steketee