Opinie

    • Martijn Katan

Vee is tóch bron van resistente bacteriën

Martijn Katan

Hoe meer antibiotica we gebruiken, hoe meer bacteriën daar resistent tegen worden. Daarom zijn er zorgen over antibiotica in de veehouderij. Ontstaan daardoor resistente bacteriën die gevaar opleveren voor de mens?

Veetelers deden in de vorige eeuw massaal antibiotica door het voer omdat kalveren, kippen en varkens dan sneller groeiden. Doordat de dieren op elkaar gedrongen in de poep staan, worden ze misschien vaker ziek, zieke dieren groeien slechter en antibiotica voorkomen mogelijk die ziektes. In 1998 waarschuwde de Gezondheidsraad dat antibioticagebruik bij dieren het ontstaan bevorderde van bacteriën die met antibiotica niet meer konden worden bestreden. Die bacteriën konden vermoedelijk worden overgedragen naar de mens. Het gebruik van antibiotica bleef echter groeien, niet meer als ‘groeibevorderaars’ maar als ‘diergeneesmiddelen’. In 1998 ging er 300 miljoen gram antibiotica per jaar naar de veeteelt, tien jaar later 500 miljoen gram. Geen land gebruikte zoveel antibiotica per dier als wij.

Dieren krijgen nog steeds meer antibiotica dan mensen

In januari 2010 overleed er iemand aan een resistente bacterie die in de darmen van kippen had geleerd hoe je je voor antibiotica immuun kunt maken. Nu greep de overheid in: er werd een Autoriteit Diergeneesmiddelen opgericht en er kwamen wetten die het gebruik van antibiotica bij dieren inperkten. Daardoor gebruikt de veeteelt nu iets minder dan 200 miljoen gram per jaar. Ook worden antibiotica die het laatste redmiddel zijn voor mensen steeds minder bij dieren toegepast. Dat ging allemaal niet vanzelf; de Autoriteit Diergeneesmiddelen verdient groot respect voor de manier waarop ze met een mengsel van zachte en harde maatregelen het antibioticagebruik in de veeteelt hebben weten terug te dringen.

Leveren de middelen die nu nog bij dieren worden gebruikt gevaar voor ons op? Steken antibiotica-resistente bacteriën over van dieren naar mensen? Ja: van MRSA-bacteriën (de ‘ziekenhuisbacterie’) in de longen, blaas of wondvocht van patiënten had in 2013 gemiddeld over heel Europa 4 procent zijn oorsprong in dieren. Maar in Nederland, waar honderd miljoen kippen en twaalf miljoen varkens op grote schaal antibiotica krijgen, was dat ruim 20 procent.

Ik schreef onlangs in de Telegraaf over de nadelen van het gebruik van antibiotica bij dieren en kreeg op Twitter prompt een stroom boze boeren over me heen. Zij beriepen zich op een nieuw onderzoek naar een andere categorie antibioticaresistente bacteriën: de zogenaamde ESBL-bacteriën, resistent tegen penicillines en vele andere antibiotica. Volgens de boeren liet het onderzoek zien dat mensen die besmet zijn met ESBL-bacteriën die niet of nauwelijks uit de veehouderij kregen. Inderdaad zei het persbericht van de onderzoekers dat de kans op besmetting met ESBL vanuit de veehouderij klein was en dat mensen het vooral van andere mensen krijgen. Dat persbericht was echter niet stevig onderbouwd en liep ook vooruit op ongepubliceerde uitkomsten. Zou dat de invloed zijn van de financiers, die vooral uit de landbouw en de vleesproductie kwamen?

Tegelijk met het persbericht verscheen een populair-wetenschappelijk rapport dat benadrukte hoezeer het allemaal meeviel. Er staat echter ook in dat vermoedelijk 10 tot 30 procent van de ESBL bij patiënten afkomstig is van vee, vooral van kippen. Die 10 tot 30 procent wordt verder niet toegelicht, maar ik vind het plausibel en niet verwaarloosbaar. Wel ben ik het ermee eens dat het grootste deel van de ESBL ergens anders vandaan komt. Niet uit onze ziekenhuizen, Nederlandse dokters zijn heel terughoudend met het voorschrijven van antibiotica en juist daardoor is er bij ons weinig antibioticaresistentie. De ESBL die er is kan, behalve van vee, komen van andere mensen, van paarden, katten en honden, van voedsel of uit het milieu. Een flink deel komt uit het buitenland; binnen Europa is vooral Griekenland berucht. Van de Nederlandse reizigers naar Aziatische landen kwam zelfs tweederde terug met ESBL-bacteriën in hun darmen. Bij een op de tien sprongen die na thuiskomst over op huisgenoten.

We moeten andere landen dus zover krijgen dat ze even zuinig worden als wij met gebruik van antibiotica bij mensen. Maar onze veehouders moeten ook meewerken om die 10 tot 30 procent van de ESBL die uit hun stallen afkomstig is omlaag te krijgen. Dat kan. Dieren krijgen nog steeds meer antibiotica dan mensen; de gemiddelde Nederlander wordt er vier dagen per jaar mee behandeld, kippen en varkens negen dagen en kalveren en kalkoenen twintig dagen. Van de kippen is 70 procent besmet met ESBL en die gaat over op de kippenhouders, van wie 20 procent met kippen-ESBL rondloopt. Ook hun gezinsleden raken besmet. In de loop van 2019 wordt bekend hoeveel procent van de ESBL in de algemene bevolking afkomstig is uit de veehouderij. Als dat inderdaad 10 tot 30 procent is, is dat te veel.

Wat doen we ertegen? We kunnen minder vlees kopen, of biologisch vlees; biologische veehouders gebruiken heel weinig antibiotica. Maar uiteindelijk is het een politiek probleem. Antibioticagebruik in de veeteelt levert inderdaad risico’s op voor mensen en alleen wetgeving en handhaving kunnen er iets tegen doen.

Martijn Katan is biochemicus en emeritus hoogleraar voedingsleer aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Bronnen: mkatan.nl