Daniel Niessen fotografeerde de verschillende plekken en wijken in Amsterdam waar geradicaliseerde jongeren wonen of samenkomen. Amsterdam Nieuw-West.

Daniel Niessen

Hoe Amsterdam potentiële terroristen probeert bij te sturen

Deradicalisering In Nederland worden potentiële terroristen nauwlettend gevolgd en bijgestaan door tientallen instanties. Helpt die aanpak? In gesprek met henzelf, aan de deur, vanaf balkons en door intercoms. ‘Ze vallen me lastig.’

In de deuropening staat een gedrongen man. Hij kijkt woest onder de klep van zijn pet. Achter hem loopt zijn moeder huilend de keuken in. „Hulp?” zegt hij. „Jullie noemen het hulp wat ze met Khadija hebben gedaan? Ik noem het naar de tering helpen.”

We hebben aangebeld bij het huis waar Khadija met haar twee kinderen woonde, in de Amsterdamse Transvaalbuurt. Het ruikt naar soep. De ramen van de overloop zijn beslagen. Khadija was getrouwd met een jihadist uit Den Haag die in 2013 vertrok naar Fallujah, Irak, toen die stad door IS werd belegerd. Zij was toen 21. Korte tijd later kreeg ze een foto van zijn dode lichaam toegestuurd. Ze keerde terug naar haar ouderlijk huis, hier op de vierde verdieping.

Zou ook Khadija nu radicaliseren? De gemeente maakte zich zorgen en zette haar op de lijst van geradicaliseerde moslims die geholpen worden, voor hun eigen bestwil en om te voorkomen dat zij de samenleving schade toebrengen – zo heet het in interne ambtelijke documenten.

„En toen kwam een hele optocht van hulpverleners langs”, zegt de man in de deuropening. Hij is de broer van Khadija en wenkt ons mee naar buiten, naar een plein met klimrekken. „Ik zie haar nog als meisje touwtjespringen. Ik hoor de Spice Girls uit haar kamer schallen.” Hij vertelt over de mensen die zich met zijn zusje gingen bemoeien nadat ze op de lijst was geplaatst. Ambtenaren van de afdeling radicalisering en polarisatie van de gemeente, een persoonlijk begeleider, medewerkers van de kinderbescherming, politieagenten. Allemaal kwamen ze binnen onder de vlag van dezelfde aanpak – de ‘persoonsgerichte aanpak’ –, allemaal hadden ze andere belangen.

De politie wilde vooral informatie over andere jihadisten, zegt de broer. Haar begeleider probeerde Khadija te helpen haar leven op orde te krijgen. Psychologische hulp om de dood van haar man te verwerken. Een woning, omdat ze zo vaak ruzie maakte met haar ouders. Kinderopvang, zodat ze naar school zou kunnen.

Khadija ging gehuld in gewaden over straat, zegt een bekende van de familie. Maar als je je ogen dichtdeed en luisterde, hoorde je een Amsterdamse moeder die Uggs voor haar dochter wilde kopen. Was dit een jihadi? „Als je naar Syrië wilt”, zei de bekende tegen haar, „boek ik een ticket voor je. Maar je kids laat je hier.” Khadija gierde van het lachen. „Nee, dat ga ik niet doen.”

Alle hulp werd toegezegd, maar „steeds kwam er iets tussen”, zegt haar broer. „De ene keer was er een nieuwe casemanager op de zaak gezet, dan moesten we weer wachten op een geschikte psycholoog.”

In plaats van hulp kwam uiteindelijk de kinderbescherming. Die maakte zich zorgen over de mogelijke radicalisering van Khadija en dreigde haar kinderen uit huis te plaatsen. „Ze had het gevoel dat ze als herdershonden achter haar aan zaten. Ze zei steeds: ik ga naar een land waar het moslimvriendelijker is, waar mijn kinderen veilig zijn.” Dat land, dacht Khadija, zou het IS-kalifaat zijn.

Jacob Frankhof, Amsterdam Nieuw-West.
Daniel Niessen
Het Johan Schippersplantsoen, Amsterdam Nieuw-West.
Daniel Niessen
Amsterdam Nieuw-West
Daniel Niessen

Daniel Niessen fotografeerde de verschillende plekken en wijken in Amsterdam waar geradicaliseerde jongeren wonen of samenkomen. Amsterdam Nieuw-West. De man op de foto komt niet in het verhaal voor.

‘Ik weet niet waar u het over heeft’

Khadija is een van de 59 geradicaliseerde moslims, tegengehouden uitreizigers en terugkeerders die de gemeente Amsterdam nauwlettend in de gaten houdt, tot achter de voordeur aan toe. Ze worden bijgestaan met uitkeringen, schuldhulpverlening, huisvesting, psychische, pedagogische en theologische hulp en indien nodig boodschappen, winterjassen, beschermd wonen. Alles wat kan helpen een jihadist van gedachten te laten veranderen, tovert de gemeente uit haar ‘instrumentenkoffer’. Tientallen ambtenaren en veertig externe organisaties en bureaus zijn betrokken. De ‘persoonsgerichte aanpak’ bestaat niet alleen in Amsterdam. In heel Nederland wordt die toegepast op enkele honderden potentiële terroristen. Op Europese congressen presenteert de Nederlandse politie deze aanpak als schoolvoorbeeld van hoe het moet.

Wie zijn die geradicaliseerden die zo nauwlettend door de overheid worden gevolgd? En helpt de aangeboden hulp? Aan de hand van vertrouwelijke documenten en gesprekken met betrokken ambtenaren en hulpverleners, die anoniem willen blijven omdat zij geen mededelingen over cliënten mogen doen, wist NRC tientallen mensen te identificeren die zijn onderworpen aan de deradicaliseringsaanpak in Amsterdam – de stad waar de aanpak werd uitgevonden. NRC besluit ze te bezoeken en kwam in portiekwoningen in Oost, galerijflats in Nieuw-West en aan de randen van de stad, waar de gentrificatie ver weg is.

Aan de buitenkant zijn de flats netjes, van binnen zijn ze haveloos, met donkere hallen en gangen die klam zijn van het wasgoed. Een naambordje komen we zelden tegen, gesloten gordijnen en dichtgetimmerde ramen des te meer.

Als ze thuis zijn, doen bewoners gewoon open, soms staan ze ons door de intercom te woord. Vaak hebben ze „nu geen tijd” of ze vragen geschrokken hoe we aan hun adres komen. Of ze zeggen: „Ik weet niet waarover u het heeft, goedemiddag.” Een aantal vertelt dat ze „in de aanpak” zitten of waarom ze juist niet meedoen. De vrouw van iemand van wie het uitreizen werd verhinderd, roept door de brievenbus: „Ik zou maar gauw optiefen.”

Deze Amsterdammers zijn, zoals een ambtenaar het noemt, „de weg kwijt”, instabiel, labiel. Ze vertonen „destructief gedrag”. Uit een vertrouwelijke effectmonitor uit 2017 blijkt dat ze bovengemiddeld last hebben van angst- en stemmingsstoornissen. Een ervaren jongerenwerker typeert geradicaliseerden zo: „De helft heeft psychische klachten. De rest komt iets tekort. Ze zijn kwaad. Allemaal zoeken ze houvast in hun geloof.” De radicale jongeren van nu lijken in niets op de Hofstadgroep, de groep rond de moordenaar van Theo van Gogh, zegt hij. „Daar zaten mensen tussen met veel kennis van de islam. Veel jongens die ik nu spreek en die naar IS willen, hebben de Koran nooit in handen gehad. Sommigen bidden niet eens.”

Amsterdam Nieuw-West – de flats zijn gefotografeerd vanaf metrostation ‘De Vlugtlaan. Daniel Niessen

Sociaal op de been helpen

Voor de aanpak van radicalisering koos de gemeente Amsterdam een gekende leidraad: het Top-600-programma, waarmee jonge criminelen worden aangepakt die telkens weer voor de rechter verschijnen. Net als bij de Top-600 gaat het erom een „risicogroep” van radicaliserende jongeren sociaal op de been te helpen. Alleen komt dat bij deze groep niet van de grond.

Als jonge criminelen hulp weigeren, dreigt celstraf. Voor de radicaliserende jongeren in Amsterdam ontbreekt het vaak aan sancties. De overheid vreest dat ze iets strafbaars kunnen doen. Van sommigen staat hun Facebook-profiel vol filmpjes over de gewapende jihad, maar de kans is groot dat ze die zelf nooit gaan voeren. „Vanuit de gemeente gezien”, zegt een ambtenaar, „is de Top-600 een troetelkindje en de radicaliseringsaanpak een kutdossier”.

Vanuit de gemeente gezien is de Top-600 een troetelkindje en de radicaliseringsaanpak een kutdossier

Tientallen extra politieagenten worden getraind in het herkennen van jihadistisch extremisme, maar hebben met hun autochtone achtergrond geen feeling met het onderwerp. „Die hadden het over jiehaat”, zegt een ingewijde.

De samenwerking tussen gemeente, politie en OM hapert. „Jarenlang wilde er geen officier van justitie aanschuiven in het casusoverleg, ook de politie liet vaak verstek gaan”, zegt een betrokken ambtenaar. Een ander zegt: „De politie weigerde onderzoek te doen naar radicale netwerken, terwijl wij juist zicht wilden krijgen op de samenhang tussen de geradicaliseerden.” De Amsterdamse driehoek van gemeente, politie en OM stelt in een gezamenlijke reactie dit beeld niet te herkennen.

Het gevolg is dat de uitvoering van het Amsterdamse radicaliseringsbeleid neerkomt op de ‘regisseurs’ en de ‘expertpoule’ van de gemeente. Iedere persoon die naar radicalisering neigt, krijgt een regisseur. Dat kan een ambtenaar zijn van de gemeente, van de reclassering of van Bureau Leerplicht, maar ook een welzijnswerker of jongerenwerker. De regisseur houdt het overzicht, de expert of begeleider – meestal jongerenwerkers, coaches of buurtbewoners met een goede reputatie bij de gemeente – heeft contact met de geradicaliseerden.

Het Arend Bontekoeplantsoen en het Sape Kuiperplantsoen, Amsterdam Nieuw West. Daniel Niessen

Nooit iets van hulp gemerkt

„Eerst kreeg ik niet te horen waarom ik in de aanpak zat”, zegt de kleine jongen met de bril uit een galerijflat in Noord, die op zijn slippers naar beneden komt. Hij werd vorig jaar opgenomen in het deradicaliseringstraject van de gemeente. „Alsof je een stempel krijgt. Ik ging om met jongens uit de buurt die naar Syrië zijn vertrokken. Maar zelf was ik nooit echt radicaal.” Hij steekt zijn handen in de zakken van zijn fleecevest. „Ik ben juist tegen ISIS. Ze doden moslims.”

Hij ging in gesprek met de regisseur, „om mijn naam te zuiveren”. Enige tijd later kreeg hij een brief dat hij weer „uit de aanpak” was. „Nooit iets van hulp gemerkt.”

„Ik ben onschuldig”, zegt Abdelhakim uit Osdorp, die eenhoog op het balkon verschijnt. Hij werkte vijftien jaar bij een garage en een supermarkt, totdat hij in 2016 werd aangehouden in Turkije, vermoedelijk op weg naar Syrië. Hij wrijft zijn hand over zijn kale schedel. Twee banen kwijt, maar hij laat de regisseur niet binnen. „Ze vallen me lastig.” Twee huizen verder hangt een vrouw uit het raam mee te luisteren. Abdelhakim trekt de balkondeur weer dicht.

Naast de voordeur van Omar in de Indische buurt staat in een nis een droogrek. Zijn oude vader doet open. Die is, maakt hij duidelijk, de taal niet machtig. Bij Omar trof de politie in 2012 een kilo aluminiumpoeder, een gasflesje en tien meter ontstekingslont aan. Hij wordt opgenomen in de gemeentelijke aanpak en krijgt een begeleider toegewezen. Desondanks vertrekt hij een jaar later naar Syrië, hij wordt in Duitsland tegengehouden. Omar krijgt een grotendeels voorwaardelijke straf om opnieuw te kunnen deelnemen aan een deradicaliseringstraject. De gemeente voorziet hem van alle hulp: 300 euro leefgeld per maand, aflossing van schulden, een psychiater om zijn slaapproblemen en stress te behandelen, een nieuwe begeleider, een baantje bij een bakker. Daar moet hij dan wel vroeg voor opstaan. Te vroeg, vindt Omar: hij komt niet opdagen.

Een toenmalige vriend herinnert zich hoe Omar het traject van de gemeente wantrouwde. Vrienden hadden hem verteld dat zijn begeleider alles zou doorvertellen aan de politie. „En dus leidde Omar zijn begeleider om de tuin; hij deed alsof hij niet meer radicaal was en zijn jihadistische vrienden vaarwel had gezegd”, zegt de vriend. „Intussen bleef hij hen zien na het gebed in de moskee.”

Omdat de aanpak vrijwillig is, gaat de gemeente op zoek naar een drukmiddel. Het toenmalige hoofd van het programma Radicalisering en polarisatie komt op het idee een ‘moreel contract’ af te sluiten. Daarin staan de voorwaarden waaraan de radicaal moet voldoen, in ruil voor hulp. Dat hij of zij binnen een jaar een startkwalificatie zal halen. Of niet langer zal deelnemen aan IS-demonstraties. Geen contact zal onderhouden met andere jihadisten. Dit om te voorkomen dat iemand wel alle hulp aanneemt, maar ondertussen blijft doorradicaliseren.

Een moreel contract – het woord zegt het al – is niet bindend. Velen die op het stadhuis kwamen kennismaken, weigerden het te tekenen. Of ze tekenden het wel, maar hielden zich er niet aan, zonder gevolgen voor de toegekende hulp.

Amsterdam-Noord, in de buurt van het Noorderparkbad waar geradicaliseerden wekelijks samenkwamen. Daniel Niessen

Zo gaat het ook met Omar. De regisseur dreigde in september 2014 met het stopzetten van de hulp. Als hij met andere jihadisten zou blijven omgaan en niet op zijn werk zou verschijnen, zou zijn leefgeld worden stopgezet. Het maakte weinig indruk op zijn familie. Ze vinden dat Omar „te streng” wordt aangepakt, staat in het gespreksverslag. Is het nou zo erg dat Omar af en toe niet komt werken? En hij mag toch zeker zelf zijn vrienden uitkiezen? Jawel, zegt de regisseur, maar liever geen vrienden die op straat zwaaien met IS-vlaggen. Dat is „een onschuldige vlag”, zegt Omars broer, eentje die „in de tijd van de profeet gedragen werd”.

„Waarom laten jullie mijn zoon niet met rust”, vraagt de moeder.

De broer: „De overheid is bezig met het afpersen van Omar.”

Om de hoek van het lage flatgebouw staan drie gehandicaptenautootjes. De familie van Omar leeft van uitkeringen. Dankbaarheid voor de overheidshulp is er allang niet meer. De moeder vindt dat alles wat met hun gezin misgaat, de schuld van anderen is, staat in de verslagen.

Een begeleider zegt dat hij probeert te voorkomen dat de gezinnen van radicaliserende personen afhankelijk worden van familie en vrienden. Dan liever van de overheid, en dus is het regelen van uitkeringen een vanzelfsprekendheid. Op het stadhuis noemen ze dat pamperen, en degenen die dat zeggen zijn zich ervan bewust dat pamperen niet de kansen vergroot, maar alleen de armoede verzacht.

Werkt het wel?

De houding van Omars familie – veel eisen, veel klagen, weinig meewerken – komen we vaker tegen in de interne documenten. Mensen die blij zijn dat de overheid hun broer, zus of kind van radicalisering heeft weerhouden, zijn zeldzaam. Regisseurs noteren: „Moeder meldt eerst dat haar zoon op het punt staat uit te reizen. Vervolgens bagatelliseren betrokkene en zijn familie de melding en komt het familiesteunpunt niet meer binnen.” En: „Vader houdt gemeente verantwoordelijk voor de dood van zijn uitgereisde zoon.”

Het doel van deradicaliseringsprogramma’s is om zelfredzame burgers te maken van jongeren die de samenleving de rug hebben toegekeerd en aansluiting zoeken bij radicale groepen. De vraag is dus: werken ze wel? Niemand blijkt het te weten. Ook de vertrouwelijke effectmonitor van het gemeentelijk Actiecentrum Veiligheid en Zorg uit 2017 geeft daar geen antwoord op. „Er is een steeds beter beeld van de personen in de aanpak”, staat er. En: „Het aantal uitreizigers is gedaald.” Maar dat aantal daalde sowieso met de steeds benarder situatie van het kalifaat. Een evaluatie van de Inspectie Veiligheid en Justitie uit 2017 stelt niet te weten of de Nederlandse aanpak terrorisme heeft voorkomen.

„Het ís ook bijna niet te onderzoeken”, zegt terrorismewetenschapper Jelle van Buuren van de Universiteit Leiden. „Je zou een nulmeting nodig hebben, de hele groep langdurig moeten volgen en toegang moeten krijgen tot álle strikt geheime data. Dat is tot nu toe nooit gelukt.” En dan nóg, zegt Van Buuren: „Je kunt nooit aantonen dat het door een interventie beter met iemand gaat. Als je diegene met rust had gelaten, had dat misschien net zo goed een positief effect gehad.” Daarom zit er voor gemeenten niets anders op dan uitproberen. „Het is eigenlijk één groot experiment.”

Geblinddoekt, vastgebonden, geschopt

Lahsan (34) woont met zijn vrouw in industrieel Nieuw-West op de bovenste verdieping van een sombere portiekflat uit de jaren vijftig. Voor zijn huis dendert verkeer. In 2013 had hij vrienden gemaakt in de Haagse Schilderswijk. Ze hadden elkaar ontmoet via de radicaal-islamitische organisatie Behind Bars.

Toen Lahsan dat voorjaar met zijn moeder naar Marokko ging, werd hij daar aangehouden op verdenking van ronselen voor de jihad. Aan de telefoon vertelde hij journalisten dat hij was geblinddoekt, vastgebonden, geschopt en geslagen met stokken, verkracht met een colaflesje. Hij zat twee jaar in de gevangenis.

In de zomer van 2015 keert Lahsan terug naar Amsterdam en zoekt zelf contact met een begeleidster die zijn Haagse vrienden had geholpen. De vrouw komt wekelijks langs, inventariseert zijn schulden, zoekt een sportschool en noteert in haar verslag dat hij „op oorlogspad” is tegen de Nederlandse overheid, volgens Lahsan verantwoordelijk voor zijn arrestatie in Marokko.

De begeleidster biedt Lahsan ‘soul searching’ aan – „waarin meneer zal leren wie hij echt is, waarom hij reageert zoals hij reageert en hoe hij negativiteit om kan zetten in positiviteit”, zo staat in het wekelijkse verslag. Hij is bang daaraan te beginnen, omdat er verdriet zal loskomen, schrijft zij. Hij kan nauwelijks lezen en schrijven. Intussen wordt hij gebeld door zijn Haagse vrienden, die zelf met tegenzin in deradicaliseringstrajecten zitten. Ze zien Lahsan als leider, staat in het wekelijks verslag. „En ze belasten hem heel erg.”

Van haar werkzaamheden – „therapiesessies, budgetcursus, gesprekken schuldhulpverlening” – stuurt de begeleidster facturen, à 80 euro per uur exclusief btw, naar de directie Openbare orde en veiligheid van de gemeente.

Amsterdam Nieuw-West. Daniel Niessen

Als Lahsan uiteindelijk aan zijn soul searching is begonnen, schrijft ze op 14 augustus 2015: „Het doel was dat hij erachter moest zien te komen waar het extreme gevoel tegen onrecht vandaan kwam. We kwamen bij zijn jeugd uit. Dat was de bron. Er was toen niemand om hem te leren hoe daarmee om te gaan. De pijn, het verdriet, ene ellende na het andere, het ene onrecht na het andere, waar hij ook om zich heen keek, hij kon nergens terecht voor ondersteuning. Hij moest het alleen doen, overleven. Daarom is hij nu zoals hij is. Hij ziet in mij de moeder die hem nu leert hoe daarmee om te gaan.”

Lahsan heeft een woning nodig, een behandeling voor zijn trauma’s, en vooral rust. Met de politie wordt afgesproken dat die hem niet lastig zal vallen als het niet dringend nodig is. Dat gebeurt even later toch: de afspraak is niet doorgegeven aan de wijkagenten, die onverwachts voor zijn deur staan. Sommige begeleiders noemen dat ‘treiteren’.

Lahsan heeft een afspraak voor psychologische hulp, maar de psychiater belt twee dagen voor de intake af. De begeleider krijgt schriftelijk uitleg van aanbieder PsyQ: „De behandelaar die toegewezen was, heeft in het verleden zelf met terrorisme te maken gehad.” Even later besluit de begeleider er ook mee te stoppen, mede omdat ze kwaad is dat haar verslagen over Lahsan bij de politie terechtkomen.

Uit de notulen van het driewekelijks Regieoverleg blijkt dat behalve de gemeente ook politie, Openbaar Ministerie en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) van alle persoonlijke details van de cases op de hoogte zijn. Volgens betrokken ambtenaren weten alle begeleiders daarvan: „Ze zitten soms zelfs aan tafel bij overleggen met de politie over degene die zij begeleiden.”  Verschillende begeleiders zeggen dat ze van NRC voor het eerst horen dat de politie op de hoogte was van hun rapportages over de jongeren. „Kwalijke zaak”, zegt een van hen.

Terwijl de begeleiders de jongeren zorg en steun verlenen, is het de politie ergens anders om te doen, zegt een ambtenaar. „Als de politie naar het casuïstiekoverleg kwam, brachten ze bijna nooit informatie in. Ze zaten er alleen maar om informatie te halen.”

Als de politie naar het casuïstiekoverleg kwam, brachten ze bijna nooit informatie in

Het viel de ambtenaren op dat veel radicalen ‘in de aanpak’ met elkaar bevriend zijn, of familie zijn. Zolang die netwerken niet in zijn geheel worden aangepakt, is alle individuele hulp verspilde moeite, vond de gemeente. Zij wilde dat de politie zou optreden tegen hardnekkige ronselnetwerken.

Zo was het zwembad waar Lahsan ging zwemmen jarenlang de ontmoetingsplaats van een radicaal netwerk in Noord. De deelnemers vertrokken een voor een naar Syrië, maar deze ‘Noorderparkbadgroep’ bleef actief. De gemeentelijke radicaliseringsafdeling eiste dat de politie ingreep. Het gebeurde nooit.

Terrorismebestrijders vermoeden dat de AIVD een informant in de zwembadgroep had, en dat er daarom niet mocht worden ingegrepen. De zaak tegen verschillende vermeende ronselaars werd door de politie ‘on hold’ gezet, dat betekent dat de gemeente zich er niet mee mocht bemoeien. Intussen keken ambtenaren gefrustreerd toe hoe steeds weer nieuwe jongens in het extremistische netwerk werden gezogen. „Als er al een mol was, dan heeft die buitengewoon slecht werk geleverd”, zegt een betrokken ambtenaar. „De ene helft van die jongens is vertrokken naar Syrië, de andere helft loopt nog steeds vrij rond.”

De Amsterdamse driehoek wil niet inhoudelijk reageren, omdat het om vertrouwelijke „casuïstiek” gaat. Maar iedereen „mag er op vertrouwen” dat de driehoek „het maximale doet om de risico’s te verkleinen”.

Het Noorderparkbad, Amsterdam Noord. Daniel Niessen

Geen goede moslim

De eerste middenklassewoning waar de bel wordt beantwoord, is die van de stille jongen en zijn moeder. Zij wonen in een nieuwbouwhuis in de wijk Nieuw-Sloten. Zwarte berken voor de deur. Zijn moeder staat te koken, maar zet het vuur even uit. De jongen zelf is niet thuis.

Vanaf het moment dat hij zich in zijn kamer terugtrok, begon te snauwen tegen zijn moeder en beweerde dat zij geen goede moslim was, zocht ze contact met de wijkagent en de gemeente. Dat was in 2013, hij was zeventien. „Hij raakte in een depressie nadat zijn opa in Marokko overleed”, zegt ze. Zijn vader zag hij zelden.

Eerst ging hij naar het speciaal onderwijs en kreeg hulp van een psychiater. Hij lijdt volgens zijn moeder aan een autismespectrumstoornis. Hij werd uit huis geplaatst in een behandelcentrum voor kinderen met gedragsproblemen. Het hielp niet.

Weer terug in huis zocht de jongen vanachter zijn computer zijn broeders op. Hij had geen vrienden, staat in zijn gemeentelijk behandelplan uit 2016. De wijkagent zag hem nooit buiten. De jongen verweet zijn moeder hem uit huis te hebben laten plaatsen. „Hij eist van zijn moeder dat zij het huis uit moet”, schrijft de regisseur, een ambtenaar van Bureau Leerplicht. „Als ze dat niet doet, wordt hij verbaal agressief, waardoor moeder het huis uitvlucht.”

Als de stille jongen een nieuwe begeleider krijgt, gaat er een wereld voor hem open. Het is een kickbokstrainer die ‘sleutelfiguur’ werd na trainingen van de gemeente. Sleutelfiguren zijn burgers die de gemeente helpen bij het voorkomen van radicalisering of spanningen binnen hun gemeenschap. De trainer spreekt hem meerdere keren per week, neemt hem mee uit vissen, stuurt hem naar kickboksen. „Het was soms heel spannend, dan leek het erop dat hij zou uitreizen”, zegt een kennis van de jongen. Tot hij uit eigen beweging naar de psychiater ging om van zijn angsten af te komen. Hij „geeft aan dat hij graag iets van zijn leven wil maken”, noteert de regisseur.

De jongen begint aan een opleiding informatietechnologie en krijgt een bijbaan in het magazijn van een supermarkt. Zijn oom en neef nemen hem af en toe mee uit eten. Zijn moeder zegt: „Ik leer hem ruimte te geven.” De stille jongen zegt tegen haar: „Mama, ben je blij als ik mijn diploma haal?”

Een sociaal werker die meerdere jihadisten heeft begeleid, vertelt hoe ingewikkeld het is om geradicaliseerden te doorgronden. „Jongeren die radicale dingen roepen, hoeven niet radicaal te zijn.” Ze zijn vaak beïnvloedbaar, en ronselaars weten precies wie ze moeten hebben. „Het redden van die kwetsbare jongeren is een worsteling tussen jeugdwerkers en ronselaars.”

Tunnel tussen Amsterdam Oost en Watergraafsmeer. Daniel Niessen

Fragiel staketsel

Dit is de praktijk van de Amsterdamse radicaliseringsaanpak: een fragiel staketsel van honderden overheidsdienaren, hulpverleners, maatschappelijk werkers, jongerenwerkers en coaches. Het geheel wordt aangestuurd door een gemeente die geen dwangmiddelen tot haar beschikking heeft en terrorismebestrijding uitbesteedt aan goedwillende maar niet altijd bekwame regisseurs en begeleiders met een inhuurcontract. Soms lijkt dat enig effect te hebben, even vaak leidt de aanpak tot wantrouwen of hulp die niet van de grond komt.

„Wat je hier ziet, zijn de grenzen van wat sociaal beleid vermag”, zegt terrorismeonderzoeker Jelle van Buuren. „Op zo’n beetje alle terreinen hebben we het maakbaarheidsidee achter ons gelaten, behalve als het om veiligheid gaat. De politieke druk om dit ‘op te lossen’ is enorm, waardoor we vergeten nuchter te bekijken wat wel en niet werkt en wat nu eigenlijk het doel is van zo’n aanpak. Het gaat om jongeren die om een veelvoud aan redenen een middelvinger naar de samenleving hebben opgestoken. Wat wil je nu precies? Die jongeren allemaal omturnen tot model D66-burgers? Dat gaat dus niet werken.”

Ze schijnt nog te leven

Khadija, het meisje van het touwspringen, de echtgenote van de gesneuvelde strijder, is terwijl zij in de aanpak zat naar het kalifaat vertrokken. Kort nadat de kinderbescherming dreigde haar kinderen uit huis te plaatsen, nam ze hen mee naar het oorlogsgebied. Haar familie heeft al vier keer bericht gekregen dat ze is overleden. „Vier keer rouwen, dat is niet niets”, zegt haar broer. „Maar ze schijnt nog te leven.”

Waar de voormalig jihadverdachte Lahsan verblijft, is onbekend. Aan de doorgaande weg in Nieuw-West waar hij zou wonen, hebben buren hem al lang niet gezien.

Na het gesprek eind 2014, waarin zijn familie klaagde over de strenge aanpak van de gemeente, reisde Omar met succes uit. Naar verluidt is hij omgekomen tijdens gevechten met Koerdische PKK-strijders. Zijn familie ontving in april 2015 zijn overlijdensbericht van medestrijders.

De stille jongen is niet uitgereisd. Met andere jihadisten lijkt hij geen contact meer te hebben. Hij zit in zijn examenjaar. En dat gaat goed, zegt zijn moeder onder het koken. „Hij gaat lekker zijn diploma halen.”

Amsterdam Nieuw-WestDaniel Niessen