Detlef van Vuuren

Lars van den Brink

Het milieu heeft méér te vrezen dan opwarming alleen

Klimaat

Detlef van Vuuren modelleert de wereld: hoe kunnen we zorgen dat er genoeg voedsel, water en energie is, en dat de aarde zo min mogelijk opwarmt?

Er spoken grote milieuproblemen door het hoofd van Detlef van Vuuren. En alles hangt met elkaar samen. Neem de opwarming van de aarde. Om die tegen te gaan, kun je massaal nieuw bos aanplanten. Want groeiende bomen halen CO2 uit de lucht. Maar meer bos, dat vraagt extra land. En dat land heb je ook nodig om meer voedsel te verbouwen voor de groeiende wereldbevolking. Dat botst, want vruchtbaar land is nu al schaars. En verbouw je meer voedsel dan heb je meer water nodig. Maar ook dat is in veel gebieden al schaars. Je kunt dan zout water ontzilten, maar dat kost weer veel energie, waardoor je meer CO2 uitstoot. „Zo gaan er constant pijlen door mijn hoofd. Als hier iets verandert, heeft dat gevolgen daar”, zegt Van Vuuren.

Gelukkig heeft hij de computer om hem te helpen. Op het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), waar hij vier dagen in de week werkt, draait een model dat de wereld verbeeldt, en veranderingen in het gebruik van land, water en energie in kaart brengt. Want om die drie dingen gaat het. En ze hangen nauw samen. Wetenschappers spreken over een nexus, van het Latijnse nectere, verbinden.

Het model van het PBL heet IMAGE. Van Vuuren won er drie maanden geleden een wetenschappelijke prijs mee. Hij kan er met zijn onderzoeksteam mogelijke toekomsten mee verkennen. Wat als bijvoorbeeld duurzame technologieën massaal doorbreken? Wat als we ons gedrag drastisch aanpassen, en bijvoorbeeld veel minder vlees gaan eten? Of als we gewoon op de huidige voet blijven doorgaan? De achterliggende vraag is: hoe kan de mens zijn wereld en zijn leven zo inrichten dat er voldoende voedsel, water en energie is, en de aarde zo min mogelijk opwarmt. Welke keuzes zijn er? En wat zijn de gevolgen?

Overheden gebruiken dit soort scenario-studies om beleid op te baseren. Op de klimaattop in Katowice in december presenteerde Van Vuuren diverse scenario’s. We spreken elkaar op het universiteitsterrein in Utrecht in een kleine vergaderkamer op de achtste verdieping. Want aan die universiteit werkt Van Vuuren ook nog één dag in de week, als hoogleraar integrale beoordeling van mondiale milieuproblemen.

Hoe ziet de wereld van 2019 eruit?

„Voor onze scenario’s is dat een veel te korte termijn.”

Oké, in 2050 dan?

„Als we zo doorgaan zal de waterschaarste zijn toegenomen. Er is meer conflict om land. En we stoten te veel broeikasgassen uit om de opwarming tot 2 graden te beperken.”

Waar zal er waterschaarste zijn?

„Op zoveel plekken. In het Midden-Oosten, delen van India en Afrika, het westen van de Verenigde Staten. Er wordt voor irrigatie meer grondwater onttrokken dan er weer bijkomt.”

Je hoort hier weinig over. De aandacht gaat vooral uit naar klimaatverandering.

„Je moet naar meer kijken. In de strijd tegen de opwarming kunnen we grootschalige oplossingen overwegen, zoals herbebossing, of het verbouwen van gewassen om biobrandstoffen van te maken, zodat je minder fossiel nodig hebt. Maar qua land heeft dat risico’s in zich. Want de wereldbevolking groeit naar schatting naar 9,5 miljard in 2050. En de welvaart groeit ook. De voedselproductie moet met zeker de helft omhoog. De vraag is: hoeveel extra land en water vraagt dat? De afgelopen decennia kwam de toename in productie voor het overgrote deel uit een verbeterde opbrengst per hectare. Een kleiner deel kwam door uitbreiding van land. Maar dat was nog steeds een gebied ter grootte van India. Hebben we de komende dertig jaar weer zo’n stuk land nodig om de productie te verhogen? Dan zal er nog meer regenwoud verdwijnen. Maar dat hebben we ook nodig om klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit tegen te gaan. Je moet steeds naar die nexus kijken.”

Zijn er meer van die haken en ogen?

„Heel veel. Dat maakt het juist zo complex. In veel gebieden kun je de gewasopbrengst per hectare nog fors verhogen, bijvoorbeeld door meer kunstmest te gebruiken. Maar de productie daarvan kost veel energie. En eenmaal op het land zorgt het voor uitstoot van lachgas. Het draagt ook bij aan watervervuiling. Of je kunt massaal elektrische auto’s invoeren. Maar dan krijg je een olie-overschot. Een een prijsdaling ervan. Wordt die olie dan alsnog ergens anders gebruikt?”

Is het allemaal wel te verenigen?

„De uitdagingen zijn groot. De jaarlijkse toename van de gewasopbrengsten is gedaald naar ongeveer 1 procent. Hoe kunnen we die verhogen om aan de stijgende voedselvraag in arme regio’s te voldoen terwijl we tegelijkertijd de landbouw radicaal duurzamer maken. Wij zien dat het kan, en langs verschillende routes.”

Minder vlees eten kan een belangrijke sleutel zijn?

„Minder vlees eten zou veel land besparen. Landbouw neemt zo’n 35 procent van al het land op aarde in beslag, waarvan driekwart voor de veesector, voor het vee zelf dan wel voor het voer. Vleesconsumptie is een heel inefficiënte manier om met ruimte om te gaan. We hoeven niet naar nul, maar minderen zou al veel helpen. Niet alleen voor land, maar ook voor water en klimaat.”

Wat is beter: minder vlees eten of minder vliegen?

„Als je naar wereldgemiddelden kijkt is het logisch om te zeggen: dat eerste. De veesector stoot 12 tot 15 procent van alle broeikasgassen uit, het vliegverkeer 2 tot 3 procent. Maar voor een Westerse consument die veel reist, levert minder vliegen al snel een vergelijkbare bijdrage op als minder vlees eten.”

Bent u zelf eigenlijk vegetariër?

„Onze dochters van 10 en 14 jaar hebben mijn vrouw en mij de afgelopen jaren geholpen minder vlees te eten. Zij doen het niet alleen voor het milieu, ze denken vooral aan de dieren en hun welzijn. Verschuiven van het eetpatroon bleek veel eenvoudiger dan we dachten. Vleesvervangers worden beter, en we eten ook regelmatig kaas.”

Serieuze zorgen over het milieu begon Detlef van Vuuren zich te maken aan het eind van zijn middelbare schooltijd. Hij woonde toen met zijn ouders in Beverwijk. Sinds de lagere school was hij WNF-ranger, vertelt hij. „Halverwege de jaren 80, ik was denk ik 16, hoorde je in de media steeds meer over zure regen. Ik las het boek Grenzen aan de groei, van de Club van Rome, over dreigende uitputting van grondstoffen. Dat was alarmerend.”

Detlef van Vuuren

Lars van den Brink

Van Vuuren wilde milieukunde gaan studeren, maar dat was er toen alleen als specialisatie. „Ik ben daarom met scheikunde begonnen, in Utrecht.” Na een jaar ging hij er bestuurskunde bij doen. „Ook omdat ik wist, dat hele technische van scheikunde wil ik niet.” Hij haalde zijn propedeuse bestuurskunde, en studeerde later, in 1995, zowel in milieukunde als in scheikunde af. Het is een belangrijke mix gebleken, zegt Van Vuuren. „Inhoudelijk heb ik aan mijn scheikundekennis niet veel, maar wel qua abstract denken.” Terwijl bestuurskunde meer in de richting van sociale wetenschappen zit, zegt hij. „Je kunt als bèta denken dat je een objectieve oplossing voor een probleem hebt, maar ik ben steeds meer gaan beseffen hoe waardegebonden keuzes vaak zijn.” Waarom geloven mensen wel of niet in klimaatverandering, waarom zijn mensen wel of niet bereid hun eetpatroon aan te passen. „Er is veel subjectief wensdenken.” Daarom is hij ook anders tegen zijn scenariostudies aan gaan kijken. „Niet alleen meer om dé oplossing aan te dragen, maar ook om discussie over mogelijke richtingen te ondersteunen.”

Wat is zo bijzonder aan IMAGE? Er zijn toch meer van zulke modellen?

„Wereldwijd zijn er vijf andere groepen die soortgelijke geïntegreerde analyses draaien. Elk model heeft zijn sterktes en zwaktes. Dat van ons is sterk door zijn detail van de geografie en het energiesysteem. Geografisch hebben we de wereld opgedeeld in gridcellen van 10 bij 10 kilometer. Voor elke cel omschrijven we het landgebruik. Dus als je een gridcel gebruikt voor bio-energie is-ie niet meer beschikbaar voor herbebossing. Daaroverheen leggen we andere gegevens. We delen de wereld daarvoor op in 26 regio’s die economisch en politiek vrij uniform zijn. De VS zijn een regio, West-Europa is er een, Centraal-Europa ook, Brazilië, Rusland. Afrika is opgedeeld in vijf regio’s. Van al die regio’s kennen we de trends in bevolkingsgroei, de economische ontwikkeling, energiegebruik, noem maar op. Alle regio’s staan met elkaar in verband, via handel en prijzen.”

Zit er in IMAGE ook een klimaatmodel? Alleen al om zo’n model te draaien heb je toch een supercomputer nodig?

„We hebben een vereenvoudigd klimaatmodel geïntegreerd. Het doet het gedrag van de complexe klimaatmodellen na wat betreft de relatie tussen broeikasgasuitstoot en temperatuur, maar dan in een paar seconden. We zijn dus geen maanden kwijt aan één analyse, zoals bij de complexe modellen het geval is.”

Hoe nauwkeurig zijn de voorspellingen van IMAGE?

„We zijn geen waarzeggers, maar kaartenmakers. Met onze kaarten willen we laten zien hoe het landschap er ongeveer uit gaat zien op basis van beslissingen. Welke paden zijn er, wat zijn de gevolgen als je ergens links of rechts afslaat. Die paden moeten we voortdurend aanpassen. We kunnen namelijk de uitkomst van de volgende verkiezing in Amerika niet voorspellen, of zo’n Brexit. We zullen nooit volledig zijn. Maar de kaarten bevatten wel zoveel mogelijk de informatie die we hebben.”

U heeft dit jaar gerekend aan het effect van gedragsverandering. Wat was de aanleiding?

„De modellen à la IMAGE hebben een evolutie doorgemaakt. In eerste instantie keken we naar het effect van technologieën: wind- en zonne-energie, elektrische auto’s, ondergrondse opslag van CO2. In 2007 kregen we de vraag van het IPCC of het 2 graden-doel nog haalbaar was. En hoe dan?

„Wij voerden als eersten negatieve emissies op in de scenario’s. Dat wil zeggen dat je je doel even voorbijschiet, maar er uiteindelijk toch op uitkomt, doordat je CO2 actief uit de lucht gaat halen en daar de concentratie ervan vermindert. Dat kan bijvoorbeeld door massaal gewassen voor bio-energie te verbouwen, en vervolgens de CO2 die bij de verbranding vrijkomt weg te stoppen onder de grond. In 2013, bij het vijfde rapport van het IPCC, rekenden van de 114 2-graden-scenario’s er 110 met die negatieve emissies. Daar kwam groeiende kritiek op. Je neemt namelijk nogal een hypotheek op je toekomst. Is het land voor bio-energie of herbebossing er wel? Wat als de pogingen om de voedselopbrengst per hectare te verhogen tegenvallen, en je voor landbouw veel meer land in gebruik hebt moeten nemen? Wat als de wereldbevolking toch niet stabiliseert, zoals aangenomen, en de voedselvraag harder stijgt? Bovendien, al dat land dat je voor bio-energie in gebruik neemt, gaat ten koste van de biodiversiteit. In antwoord daarop zijn we naar gedragsverandering gaan kijken. Kunnen we het Parijsdoel nog halen als we ons gedrag aanpassen? En het kan. Maar alleen als de aanpassingen drastisch zijn. Minder vlees, minder reizen.”

Is dat reëel?

„Eerlijk gezegd denk ik dat we het 1,5 gradendoel amper nog kunnen halen. En 2 graden wordt ook heel lastig.”

Dat klinkt toch vrij somber.

„Het Parijsakkoord geeft hoop, maar het internationaal beleid schiet totaal niet op, zoals we in Katowice zagen. Daar ben ik negatief over. We schetsen wel allerlei scenario’s om doelen te halen, maar de wereld is altijd veel complexer. Het energiesysteem in China en India is erg inefficiënt, dus het zou een groot effect hebben als wij als westen investeren in een omslag in die landen. Maar hoe leg je dat de burger uit? Er zijn ook allerlei industriële en politieke belangen die op korte termijn voorgaan.

„Toch zie ik lichtpuntjes. De prijs van wind- en zonne-energie is de afgelopen tien jaar veel sneller gedaald dan gedacht. En we zien nu hetzelfde gebeuren met de batterijtechnologie. En kijk naar de discussie rond vlees. In 2008 hebben we al gerekend aan alternatieve dieetscenario’s. Maar ons rapport daarover werd op het NOS-journaal door een slager demonstratief in stukken gehakt. Nu is dat idee van minder vlees eten al veel minder omstreden.”

    • Marcel aan de Brugh