Het carrièrepad op de Zuidas is simpel: up or out

Afvalrace Wie eenmaal binnen is bij een groot advocatenkantoor belandt in een rat race. Maar het summum: partner worden, is slechts voor een enkeling weggelegd. De weg naar de top is bezaaid met afvallers. „Je houdt alleen de besten over en raakt de rotte appels kwijt.”

Illustratie Anne Caesar van Wieren

Binnenkomen is bijzonder moeilijk. En wie slaagt krijgt meteen een ontnuchterende boodschap te horen. „We nemen ieder jaar veertig man aan. Ongeveer de helft van hen wordt na drie jaar medewerker. En maar één van hen schopt het tot partner.” Een oud-advocaat van het grote Zuidas-kantoor De Brauw herinnert zich het welkomstwoord nog goed. „Er werd wat lacherig op gereageerd, maar de statistiek klopt.”

De Brauw, Houthoff, NautaDutilh, Linklaters en veel andere grote advocatenkantoren mogen dan gehuisvest zijn in torens, qua organisatiestructuur laten ze zich het beste vergelijken met een piramide. Verse meesters in de rechten die het strenge selectieproces doorstaan, beginnen aan de voet van de piramide als advocaat-stagiair.

Na drie jaar is er een grote schifting. Wie blijft wordt medewerker, krijgt meer verantwoordelijk en mag grotere zaken doen. Wie het vervolgens zes jaar volhoudt én genoeg klanten binnenhaalt kan partner worden: het summum. De top van de commerciële advocatenkantoren wordt namelijk gevormd door zo’n dertig tot vijftig partners in maatschapsverband die onderling de winst verdelen.

De weg naar die top is vol afvallers. „Binnen de grote kantoren wordt het carrièrepad altijd samengevat als: up or out”, vertelt headhunter Ilona Tjon Poen Gie van Legal Hunters. „Up or out is het enige model dat werkt”, vindt de oud-advocaat van De Brauw. „Je houdt alleen de besten over en raakt de rotte appels kwijt.” Na jaren op de Zuidas stapte hij over naar het bedrijfsleven, vanuit carrière-oogpunt wil hij niet met zijn naam in de krant.

Belanden in een rat race

Grote advocatenkantoren beconcurreren elkaar niet alleen om klanten, de strijd om de beste rechtenstudenten is zeker zo fel. Kantoor na kantoor benadrukt in zijn jaarverslag het belang van het aantrekken van de beste mensen. „De recruitmentafdeling is zeer actief in de markt om de top 5 procent van de studenten aan ons te kunnen binden”, schrijft het bestuur van Houthoff bijvoorbeeld.

Kosten nog moeite worden gespaard om talentvolle studenten binnen te halen. Loyens & Loeff neemt veelbelovende rechtenstudenten mee naar Zürich, Allen & Overy naar Silicon Valley. „Ze vissen allemaal in dezelfde kleine vijver”, ziet Tjon Poen Gie.

De oud-advocaat van De Brauw was een vis in die vijver. Met twee masters op zak (waarvan een cum laude), een semester aan een buitenlandse topuniversiteit én een bestuursjaar (bij zijn studentenvereniging) had hij het typische cv waar de kantoren op aanslaan en had hij ze voor het uitzoeken. „Ik ben destijds bijvoorbeeld met Stibbe naar New York geweest.” Uiteindelijk koos hij voor een baan bij De Brauw omdat hij zich door de „nerderige, academische” sfeer het meest voelde aangesproken.

Je wordt geacht alles opzij te zetten

Eenmaal binnen, begint het pas. „Je belandt in een rat race”, zegt Tjon Poen Gie. „Wie door een groot kantoor wordt aangenomen vindt dat hij het ten minste tot medewerker moet schoppen, anders is het niet goed voor je carrière.”

De jongelingen werken vervolgens extreem hard. Werkdagen van 9.00 uur ’s ochtends tot na middernacht zijn geen uitzondering. „Je wordt geacht er alles voor opzij te zetten. Advocaat-stagiairs die er helemaal in opgaan, zien in die drie jaar hun vrienden en familie nauwelijks.”

‘Helemaal de ziekte werken’

Herkenbaar, voor de oud-advocaat van De Brauw die zich in de meer dan vijf jaar bij het kantoor ook „helemaal de ziekte” werkte. Hij bewaart er echter warme herinneringen aan. Als advocaat-stagiair doorliep hij de interne opleiding ‘De Brauwerij’. Voor je aan de bedrijfsovernames mag ruiken, word je bij De Brauw het eerste half jaar achter een bureau gezet met een stapel dossiers van rechtsbijstandsverzekeraars. „Vanaf dag een is het: ‘dit is je winkel, veel succes. Je weet ons te vinden als je vragen hebt’.”

Jongelingen van De Brauw krijgen zaken van rechtsbijstandsverzekerden van Achmea op hun bord. Opeens hebben ze te maken met een burenruzie over een schutting of een ontslagzaak. Kwesties die niet complex en lucratief genoeg zijn voor De Brauw, maar dienen als training voor de verse advocaat-stagiairs. „Je stukken worden nagekeken door ervaren medewerkers en die proberen echt een huisstijl erin te rammen en te leren: hoe schrijf je een brief, hoe schrijf je een correct processtuk?”

Bijkomend voordeel is dat de advocaat-stagiairs met dit rechtsbijstandswerk meteen hun procespunten halen. De regels van de Orde van Advocaten schrijven namelijk voor dat om na drie jaar als advocaat-stagiair tot advocaat (medewerker) benoemd te worden, je ten minste vijf rechtszaken gevoerd moet hebben. „Als je zoals veel Zuidas-kantoren in de fusies en overnames zit, zie je geen rechtszaal vanbinnen”, legt Tjon Poen Gie uit. Vandaar dat verschillende grote kantoren voor een dergelijke constructie met een verzekeraar kiezen.

Ze wijst erop dat er in de drie jaar als advocaat-stagiairs van de Orde van Advocaten ook een verplicht opleidingsprogramma geldt. Omdat zestien ‘Zuidas-kantoren’ dat opleidingsprogramma niet goed genoeg vonden aansluiten op hun praktijk, richtten ze een eigen opleidingsinstituut op: The Law Firm School dat alleen voor hun advocaten in opleiding toegankelijk is.

Na de burenruzies van de rechtsbijstandsverzekeraars, begint het ‘echte werk’. Advocaat-stagiairs worden ondergebracht bij een sectie waar ze aan de hand van een partner en medewerkers bijvoorbeeld het fusie- en overnamegeweld inrollen.

Bij de grote kantoren zoals De Brauw worden de advocaat-stagiairs elk half jaar beoordeeld. Na drie jaar besluiten de partners gezamenlijk in een besloten partnervergadering of diegene medewerker mag worden. „Daar gebeuren soms onverwachte dingen. Soms heeft iemand de uitnodiging voor de borrel al verstuurd, maar blijkt hij of zij toch niet goed te liggen bij een bepaalde partner en dan gaat het niet door”, herinnert de oud-De Brauw’er.

Hij benadrukt dat op kantoor naast de inhoudelijke en commerciële kant ook het sociale aspect erg belangrijk is; geregeld een biertje drinken, meegaan met ski-weekend. „Ergens bij willen horen wordt als belangrijke waarde omschreven. Ik vind dat goed voor een groep mensen die lang met elkaar moet werken.”

Forse uurtarieven

Niet iedereen is zo positief. Naast kritiek op de werkdruk, klinkt geregeld de kritiek dat de advocatenkantoren te veel op geld gericht zijn. Advocaten van de grote kantoren vragen forse uurtarieven. Gewerkte tijd wordt in eenheden van zes minuten via tijdschrijfsoftware bijgehouden. Een advocaat-stagiair kan zomaar voor 250 euro per uur (exclusief btw) op de factuur verschijnen, een medewerker die vijf jaar uit de collegebanken is kost al 450 euro.

De duurdere partners declareren voor twee uur werk meer dan het minimummaandloon van een schoonmaker (1.600 euro bruto). Dat tikt snel aan. Zo constateerden de curatoren van het failliete installatiebedrijf Imtech in de zomer van 2015 enigszins verbouwereerd dat de adviseurs van Imtech (waaronder huisadvocaat De Brauw) 18 miljoen euro hadden gedeclareerd voor vijf weken werk.

Wijlen Mic van Bremen, partner bij Houthoff en daarna Baker McKenzie, sprak in 2010 aan tafel bij Astrid Joosten op televisie van een „graaicultuur” en noemde de zakelijke topadvocatuur „een omgeving waar het niet om inhoud, maar alleen om geld draait”. Als voorbeeld gaf hij een – volgens hem – gangbare praktijk onder advocaten: het ‘uitbenen van een cliënt’. Indien er niets te doen is nodeloos werk adviseren om maar te kunnen factureren.

Ruim een jaar geleden bracht voormalig topnotaris Hubert-Jan van Boxel het boek De Groenteboer uit Den Haag, de littekens van een kwart eeuw juridische ‘bovenwereld’ uit. Van Boxel bracht twintig jaar door in de top van Nederlandse advocatenkantoren, onder meer als partner bij Loyens & Loeff en AKD. In zijn veelbesproken boek (en in een interview met NRC) legt hij uit dat de partnerstructuur voor „een pervers” verdienmodel zorgt. „In mijn tijd was de target een miljoen winst, per partner per jaar. Daarvoor moest je drie miljoen aan omzet binnenhalen.”

Ergens bij willen horen is een belangrijke waarde

oud-advocaat , De Brauw

Advocaat-stagiairs en medewerkers krijgen targets mee over hoeveel uren per jaar zij declarabel moeten zijn, denk bijvoorbeeld aan 1.250 uur per jaar. Voor partners ligt die target hoger, bijvoorbeeld rond de 1.600 of 1.750 uur per jaar (zo’n 35 uur per week).

Van Boxel memoreert hoe in zijn tijd de partners wekelijks een overzicht kregen toegestuurd van hoeveel uur iedereen „declarabel” had gedraaid en hoeveel men voor of achter liep op de targets. „Het draait allemaal om geld, geld, geld.” En daar is volgens Van Boxel ook de cliënt de dupe van: die krijgt geflatteerde rekeningen, omdat er door menig advocaat „met een vork uren worden geschreven”: er meer gedeclareerd wordt dan er gewerkt is óf onnodig werk gedaan wordt.

Vanuit de advocatuur werd ontkennend gereageerd op Van Boxels verhaal. „Schrijven met een hark was misschien in het verleden zo, maar nu niet meer”, zei de Amsterdamse deken Evert-Jan Henrichs (afkomstig van De Brauw) bijvoorbeeld in maart tijdens een debat in Spui25 naar aanleiding van het boek.

Lang niet iedere medewerker wordt partner. Ter illustratie: NautaDutilh had in 2017 65 partners, terwijl het totale personeelsbestand 682 fte groot was, zo leert het jaarverslag. De ‘up or out’-structuur van een kantoor betekent in principe dat wie negen jaar na binnenkomst geen partner is geworden, moet vertrekken. Vertrek gebeurt sowieso gedurende alle fases van de medewerkerperiode: naar het bedrijfsleven om als bedrijfsadvocaat te werken bijvoorbeeld, naar middelgrote of gespecialiseerde ‘boutique-advocatenkantoren’ waar een betere work-life balance is.

Of iemand partner kan worden is afhankelijk van hoe diegene als senior-medewerker financieel presteert. „Je wordt partner als je het winstaandeel in stand houdt of verbetert, dat is het basisidee”, vertelt Jan Loorbach, voormalig landelijk deken, tegenwoordig adviseur bij NautaDutilh waar hij voorheen partner en bestuurslid was. Gangbaar is dat partners in spe zich in de maatschap inkopen en met een procentueel lagere winstuitkering beginnen en in een aantal jaar toegroeien naar 100 procent.

Er moet bovendien ‘plek’ zijn. Te veel partners met hetzelfde specialisme is onwenselijk omdat dan de gewenste omzet niet gehaald kan worden. „Ik zie geregeld dat senior-medewerkers overstappen naar een ander kantoor, omdat er bijvoorbeeld al drie relatief jonge partners op finance zitten. Dan weet je dat het in jouw tijd niet gaat gebeuren dat je die partners vervangt, dus stap je over”, zegt Tjon Poen Gie.

Eenmaal toegelaten als partner, dan is niet gezegd dat je dat ook de rest van je leven blijft. Een advocatenkantoor wordt gerund door een uit het midden van de partners gekozen dagelijks bestuur: de managing partners. Zij houden in de gaten of partners hun omzetdoelen wel halen.

„Je moet stevig presteren”, zegt Loorbach die veel als bemiddelaar optrad bij partnerconflicten bij andere advocatenkantoren. „Bij moeilijke privé-omstandigheden is er coulance. Maar als die er niet zijn dan wordt er met je gepraat en dat kan ertoe leiden dat je wat anders moet gaan doen.”

    • Camil Driessen