Elke keer met buikpijn naar de training. Ineens is hij er klaar mee

De jeugdopleiding

In de jeugd van de Nederlandse profclubs voetballen zo’n 3.600 jongens. De stress is vaak groot, ook bij de ouders. Iedereen hoopt op een nieuwe Messi. Maar de kans om echt profvoetballer te worden is klein.

Illustratie Rhonald Blommestijn

Zijn eerste voetbalwedstrijd ooit had hun zoon nog onwennig meegehobbeld. Michel en Trudy van Pijkeren zien nog voor zich hoe hij die ochtend alleen zijn shirt had aangedaan en in zijn onderbroek het veld kwam ingelopen. Verstijfd van de spanning, beduusd van alle nieuwe prikkels om hem heen.

De creatieve acties, de scouts langs de lijn en het latere getouwtrek van drie profclubs – het lijkt allemaal nog ver weg. Dat is het niet.

De zesjarige Sven van Pijkeren is een snelle leerling. Zo vlot als hij kan lezen en schrijven (vier jaar), zo rap wordt hij meester over de bal. Hij oefent één-tweetjes met de trainer. Hij leert schieten met beide benen. Hij dribbelt opponenten voorbij in de geest van zijn voorbeeld: Messi.

Nog geen jaar na zijn eerste wedstrijd wordt hij gescout. Hij is dan zeven jaar oud en wordt begeerd door niet één, maar drie profclubs: NEC, Vitesse, PSV. Na een reeks proeftrainingen willen alle drie de clubs dat de topschutter van Arnhemse Boys F1 bij hen komt spelen. Het is voorjaar 2016.

Terwijl zijn ouders wervingspraatjes aanhoren (Vitesse: ‘Arnhemse jongens horen bij Vitesse’, NEC: ‘Wij komen niet lopend maar rennend het veld op’), is er één voetbalvader in hun omgeving die de overstap afraadt. Kinderen van acht jaar, meent hij, zijn te jong voor de veeleisende concurrentiestrijd in een betaald-voetbalopleiding. Michel en Trudy zijn geneigd te denken van niet. Als Sven voor PSV kiest, zien ze het vooral als een unieke kans om een droom te realiseren.

Nu, een kleine drie jaar later, denken ze weleens terug aan dat afwijkende advies. Het eerste seizoen verliep prima, het tweede liep uit op een mentale worsteling die eindigde in tranen. Halverwege dat jaar besloot hun zoon om weer bij zijn oude club te gaan voetballen.

Waren ze hiervoor gewaarschuwd? Was het inderdaad zo verstandig om een achtjarig kind bij een profacademie te laten spelen?

Ontnuchterd vertellen ze wat de overstap heeft betekend. Voor hun zoon, maar ook voor henzelf en de dynamiek in hun gezin. Michel is manager van een veranderteam marketeers bij een energiebedrijf. Trudy werd na haar studie pedagogie eigen ondernemer in de kinderopvang. Ze hebben drie kinderen, waarvan Sven de middelste is. Het zijn hun ervaringen, benadrukken ze, die van andere ouders bij PSV kunnen totaal anders zijn. Zoals ook die van henzelf soms verschillen.

Trudy: „Bij Vitesse kreeg ik de indruk dat de club jongetjes zo vroeg mogelijk wilde scouten, om andere clubs eventueel voor te zijn. Ik betwijfelde of dat een goede motivatie is om met jonge kinderen te werken.”

Michel: „Bij PSV zou hij sowieso vier jaar mogen voetballen. Dat zou minder druk geven. We hoopten dat hij veel zou leren en het leuk zou hebben.”

Trudy: „Pedagogisch gezien had PSV het beste verhaal. Het is toch je mede-opvoeder. Hij was er vier keer per week.”

Michel: „15.45 uur gingen we de deur uit, 19.45 uur waren we thuis. Pas achteraf besef je hoe ingrijpend het voor je leven is. Als je er middenin zit niet.”

Trudy: „Als familie hebben we er toch nooit iets voor gelaten?”

Michel: „De spanning bij Sven straalde af op ons hele gezin. Er draait wel erg veel om de ontwikkeling van één kind. Terwijl dat kind nog zo jong is.”

Kans van 2 procent

Volgens de KNVB spelen er in Nederland zo’n 3.600 kinderen bij een betaald-voetbalopleiding. Daarvan vallen er jaarlijks ruim zeshonderd af; evenzoveel komen erbij. Wie op zijn achtste bij een profclub terechtkomt, heeft gemiddeld 2 procent kans om zo’n tien jaar later daadwerkelijk profvoetballer te zijn.

Tim Choy deed de afgelopen twee jaar onderzoek naar de slagingskansen bij een aantal profclubs. Choy, oprichter van het in voetbal gespecialiseerde wetenschapsbureau Maradata, vergeleek het aantal jeugdspelers binnen de club met het aantal dat de afgelopen tien jaar is doorgebroken. „Circa acht procent haalt zijn debuut in het eerste elftal, doorgaans ook het percentage bij andere profclubs. Simpel gesteld haalt anderhalve speler per jeugdteam het eerste elftal.”

De percentages zijn niet in marmer gebeiteld. Per club, per jaar en per lichting zijn er soms verschillen. Feit is: het is dringen in de trechter. Wie uiteindelijk overblijft, stelt Choy, heeft een complex proces achter de rug waarbij de omgang met stresssituaties cruciaal is.

Choy: „Opleidingen brengen pareltjes voort, maar het zijn ook teleurstellingenfabrieken. Ze investeren zo’n tachtig procent in tactische en technische vaardigheden. Van de rest gaat bijna alle aandacht naar het fysiek gestel. Slechts een paar procent gaat naar mentaal welzijn, terwijl dáár de sleutel ligt. Er gaan ook parels verloren.”

„Ervaart een kind tegenslag, dan knaagt dat onbewust aan hun zelfbeeld. Als ze vaak reserve zijn, bijvoorbeeld, wat kan leiden tot negatieve emoties als angst en schaamte. Hoe gaat een kind daarmee om? Het effectiefst is het probleem oplossen. Zelfregulatie, noemen ze dit in het voetbal. Harder trainen, nog eerder naar bed. Maar als de trainer je blijft passeren is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Bij het aanhoudend passeren, blijven het probleem en dus ook de negatieve emoties bestaan. Eerst boosheid en verdriet, dan angst en onzekerheid over de voetbaltoekomst. Om daarmee minder geconfronteerd te worden, gaan ze het wijten aan de trainer of de drukte van hun school. Ze duwen het probleem letterlijk naar iets of iemand anders en duwen zo ook de emotie weg. Of ze vermijden de emotie door overmatig te gamen en Netflix te kijken.”

Dat de weg naar de schijnwerpers een overlevingstocht zou zijn, wisten Michel en Trudy ook toen Sven naar PSV ging. Maak vooral plezier, zeiden ze thuis. Geen druk, geen verwachtingen. Al fantaseerden ook zij weleens over een carrière in het Philips Stadion. Welke ouder zou dat niet doen?

Trudy: „Het was ook leuk om te vertellen dat mijn zoon bij PSV speelde. En het deed me pijn om te zeggen dat hij was gestopt. Sven vond het ook moeilijk. Ook aan zijn opa, een van zijn grootste fans, heb ik het uiteindelijk verteld. Vond hij moeilijk.”

Michel: „Stel je toch eens voor… dacht ik weleens. Je zet er ook veel voor opzij. Vier keer per week ben je een halve dag kwijt.”

Hun bestemming was Nijmegen, een van de vier locaties waar PSV jonge talenten opleidt. Elke afdeling – de andere zijn Gilze, Helmond en Eindhoven – telt drie teams: onder-10, onder-11 en onder-12 jaar. Worden spelers rond hun achtste gescout, dan doorlopen ze alle drie de elftallen. Daarna selecteert PSV op alle vier de locaties de beste spelertjes voor PSV onder-13, waarvan maar een elftal is. Circa 60 procent van alle talenten valt af.

Illustratie Rhonald Blommestijn

Michel: „Aan de oppervlakte zie je die concurrentiestrijd niet. Maar die is er wel, ik voelde dat, ook bij ouders.”

Trudy: „Er wordt ook gelachen, maar het gaat altijd om jezelf ontwikkelen. Dat kun je uitleggen als iets positiefs. Het brengt ook druk met zich mee.”

Michel: „Elke maandag trainden ze een nieuw tactisch concept. Woensdag oefenden ze dat in een wedstrijdje tegen amateurs, donderdag trainden ze weer en zaterdag moesten ze het concept in de competitiewedstrijd laten zien.”

Hun eigen ritme verandert mee. Ze rijden Sven naar trainingen, proberen achter hun laptop te werken in de kantine, „slepen” hun jongste zoon mee en zetten hun eigen hobby’s even opzij. Vader Michel zat tien uur per week op zijn racefiets. Toen Sven bij PSV speelde, was dat slechts één keer per jaar, al slokte zijn afstudeerscriptie indertijd ook veel tijd op.

Michel: „Wij probeerden het vooral als een leuk avontuur te zien.”

Trudy: „Je zag Sven ook wel verder komen.”

Michel: „Die stille hoop heb je wel.”

Trudy: „Hij had best spelinzicht toch.”

Zelfs de scout raadde het af

Net als Trudy en Michel denkt ook Frank Abbenhuis weleens terug aan het advies dat hij in 2016 gaf. Hij was de voetbalvader die de familie Van Pijkeren de stap naar een profclub afraadde. Hij kent het gezin goed. Hun jongens trainden geregeld samen op de club en zaten bij elkaar in de klas. Hun andere kinderen zaten bij elkaar op school. Zijn mening is onveranderd. „Als een kind echt goed is, komt een club wel een keer terug.”

Hoewel zijn boodschap vaker wordt verkondigd, klinkt het uit zijn mond net wat opmerkelijker. Abbenhuis is zélf scout bij een profclub.

En wat het nog opvallender maakt: toen zijn eigen zoon Bas op de radar van NEC verscheen, in hetzelfde jaar dat Sven van Pijkeren naar PSV ging, hield Abbenhuis de club op afstand. Tegen Bas zei hij niets. Zolang hij niet van de interesse wist, zou hij niet teleurgesteld zijn als hij wist dat zijn vader de overstap niet zou toestaan.

Wacht even. De talentenjager die zijn eigen zoon niet naar een profclub stuurt?

Zwart-witdenkers zouden het hypocriet noemen. Maar Abbenhuis, sinds zijn 24ste jeugdcoach, schetst liever een genuanceerder beeld. Hij is niet per se tegen het scouten van de allerkleinsten. Hij pleit vooral voor meer bewustwording in het opleidingstraject. Bij ouders én bij clubs. Want is iedereen zich wel bewust van de gevolgen wanneer een kinderdroom onverhoopt eindigt met een rood kruisje in het jaarlijkse spelersrapport?

Abbenhuis weet het antwoord wel. Nee.

In zijn ogen zijn de meeste pupillen nog niet klaar voor de ratrace op weg naar de top. „Je kunt zeggen dat een kind van negen zich makkelijk over een teleurstelling heen zet. Vergeet alleen niet hoe belangrijk school op die leeftijd is. Groep zes, groep zeven, dat zijn jaren dat vriendschappen zich vormgeven. Speelt je kind bij een profclub, dan moet hij na school meteen trainen. Afspreken met vriendjes? Geen tijd. Ze dreigen aansluiting te verliezen, zitten tijdens vakanties alleen thuis. Is jouw kind weerbaar genoeg om dat aan te kunnen?”

Bijna twintig jaar is hij nu actief in de zorg. Hij werkte met verstandelijk gehandicapten, met tbs’ers, met ontspoorde jongeren. De een brengt hij zelfredzaamheid bij, de ander neemt hij mee voor een ijsje op het terras. En maar praten. Als geen ander weet hij hoe belangrijk een luisterend oor kan zijn. Orde scheppen in het leven van kwetsbaren, dát is waarom hij zijn werk doet.

Daarbij stuitte hij steeds vaker op een speciaal soort probleemgevallen: de drop-outs. Jongens die als tienertalent op een voetstuk stonden, werden opgehemeld als profvoetballer van de toekomst, maar die vervolgens hard vielen toen de club hen toch niet meer nodig had. Niet goed genoeg. Te licht bevonden. Pats. Het opgeblazen ego als een luchtbel uiteengespat.

„Dan komt de schaamte. Soms ook bij de ouders. Hoe moeten ze dit uitleggen in hun omgeving? Er zijn spelers van zestien en zeventien jaar die meteen met voetbal stoppen.”

Hij kwam erachter dat clubs zich nauwelijks voor zulke spelers inzetten. Heus, niet elke speler behoeft nazorg. Maar, zegt hij: de kunst is dat clubs zelf ontdekken wie dat wél nodig heeft. Wie heeft zijn school verslonsd? Wie is er door zijn ouders als prins behandeld? Tragisch voorbeeld is de dakloze en alcoholverslaafde oud-speler van NEC die dit jaar voor de rechter stond wegens diefstal.

Abbenhuis heeft wel een oplossing. Laat spelers en hun ouders praten met een jeugdcoach als hij. „Op school heeft een kind een mentor. Kinderen zijn haast vaker op school dan thuis. Waarom hebben profclubs die niet? Ze moeten met onafhankelijke mensen kunnen praten. Stel dat een kind zijn zwakte toont tegenover een trainer. Wie zegt dat er dan geen kruisje achter zijn naam verschijnt: mentaal niet sterk.”

Als scout kan hij bij De Graafschap van binnenuit pleiten voor meer begeleiding in het voetbal. Hij voerde ook gesprekken met PSV, Vitesse en NEC. „De meeste clubs zijn het ermee eens. Maar het blijft vooralsnog bij woorden. Geld gaat eerder naar een nieuwe speler dan een jongen die het niet heeft gered. Wie gaat er budget vrijmaken?”

Kosten: „45 euro voor een gesprek van een uur.”

Scheenbeschermers vergeten

In zijn tweede jaar bij PSV zien Michel en Trudy dat Sven minder gemotiveerd raakt. Anderen, merken ze, zijn meer gefocust. Altijd volle bak op de training. Een extra paar voetbalschoenen in de tas. Thuis extra oefeningen. Altijd vroeg naar bed. Modelprofs in de dop.

Hun zoon, zeggen ze, is een slim, pezig ventje, dat in het veld zodanig doordenkt over de aanwijzingen van zijn trainer dat het hem eerder bemoeilijkt dan helpt. Hij heeft er moeite mee als teamgenoten elkaar schreeuwend oppeppen. Bij de maandelijkse wedstrijdjes tegen de andere drie opleidingsstations, op het complex van PSV, speelt hij fletser dan op ‘bekend terrein’ in Nijmegen. Om zich heen telt hij meerdere goede spitsen. Kan hij dan wel een van de twee spitsen bij PSV onder-13 worden?

Michel zag „het breekpunt” na een wisselbeurt in een competitiewedstrijd. „Sven zat er die ochtend niet lekker in. Na zijn wissel vroeg de trainer na elk kwart of hij al een goede reden had om hem er weer in te zetten. Nee, zei Sven dan. Hij wist geen reden waarom hij erin moest. Die dag voelde ik dat het klaar was.”

Steeds vaker vergeet Sven zijn spullen. Scheenbeschermers, voetbalschoenen. Kan gebeuren als je negen bent. Althans, dat denken zijn ouders. Later herkennen ze de parallellen met een eerdere gebeurtenis op school. Trudy: „Belde zijn juf om te zeggen dat hij zijn zwemspullen was vergeten. Wat vreemd was, we hadden ze ingepakt. Bleek dat hij ze op school eruit had gehaald en verstopt. Omdat hij niet wílde zwemmen.”

Illustratie Rhonald Blommestijn

Er volgt een gesprek bij PSV. Daarin vertelt Sven dat hij het vervelend vindt dat hij telkens zijn tas moet inpakken. Hij moet veel meenemen en mag niks vergeten. „Negen van de tien keer deed ik dat voor hem”, zegt Trudy. „De tas was puur het symbool. Het werd hem gewoon te veel. Altijd op tijd naar bed, gelijk uit school naar trainen, meteen honderd procent geven.”

Een tijdelijke oplossing – niet drie maar twee keer trainen – helpt niks. De buikpijn die hij soms voor trainingen heeft, blijft. En nog steeds zit hij met zichtbare tegenzin in de auto op weg naar de training. Kom op, denkt Trudy als ze in de auto stappen, even doorzetten. Maar ook bij haar knaagt het. Is dit dan de manier om een kind aan te sporen? Nu zegt ze: „Wat was ik eigenlijk aan het doen?”

Michel staat er op dat moment nuchterder in. „Als het klaar is, dan is het klaar.”

Trudy: „Dit was zijn droom. Ik gunde het hem zo dat hij alle mogelijkheden kreeg om die te realiseren. Al kwam dat misschien ook doordat ik zelf ooit dromen had die ik niet heb waargemaakt. Ik wilde ontwikkelingswerk in Afrika doen, maar daar is het nog nooit van gekomen. Betekende dit dan dat mijn zoon zijn droom niet mocht opgeven?”

In de vakantie rond Kerstmis in 2017 weten ze het zeker. Hun zoon is helemaal relaxed. Geen seconde taalt hij naar een bal. En jawel, op de laatste zondag voor de hervatting van het voetbalseizoen is het er weer. Buikpijn. Sven is er klaar mee. En zij ook.

Michel: „Er waren mensen die zich afvroegen of je een kind van negen zo’n besluit kan laten nemen. Wij hebben er uitgebreid met hem over gesproken. Daarbij is zijn gevoel doorslaggevend.”

Trudy. „Het deed me verdriet. Maar wat mij hielp was een gesprek met mijn coach. Ik had het gevoel dat hij zijn voetbaltalent weggooide. Mijn coach opperde dat hij een deel van zijn voetbaltalent misschien wel op een andere manier kan benutten, in een ander vak.”

Michel: „Ik heb gezien en gemerkt dat het verleidelijk is om je eigen adoratie en je verlangens op een kind te projecteren. Wij dachten het beste te doen toen Sven bij een profclub ging spelen, maar dat was een misvatting. Om zo’n traject op die jonge leeftijd in te gaan, dat past niet bij ieder kind. Niet voor niets slaagt slechts een paar procent.”

Trudy: „Wij verwijten niemand wat. Met zijn karakter was het waarschijnlijk bij een andere profclub net zo gelopen.”

Een dag na hun besluit hing Vitesse weer aan de lijn. Nu hij weg was bij PSV, wilde Sven dan bij Vitesse komen spelen?

Freerunnen op straat

Wie eenmaal op de radar van een profclub staat, verdwijnt niet zomaar uit beeld. Net als Vitesse heeft ook De Graafschap Sven van Pijkeren op de radar. Al heeft scout Frank Abbenhuis intern gemeld dat de familie gebaat is bij rust. „Zijn status is: alleen volgen van afstand.”

Bij zijn eigen zoon heeft de sociaal werker inmiddels over zijn hart gestreken. Dit seizoen heeft hij toegestaan dat NEC zijn zoon voor een stage uitnodigde. Bas kreeg naderhand twee aandachtspunten mee als feedback. Hij moet meer ‘in beweging zijn zonder bal’ en ‘agressief zijn in het verdedigen’. Hij mag voorlopig blijven meetrainen.

Wie is er beter af? Het talent dat niet naar een profclub ging of het talent dat wél ging. „Over een jaar of vijf zouden we daar een idee van kunnen hebben”, zegt Abbenhuis: „Wat je je moet afvragen: welk kind zit er beter in zijn vel?”

Sven van Pijkeren speelt sinds een jaar weer in de jeugd van Arnhemse Boys. Onbezorgd. Al weet hij niet of hij blijft voetballen. Hij is tegenwoordig meer van het freerunnen, een combinatie van turnen en acrobatiek op straat. De filmpjes ervan post hij op Instagram.

    • Fabian van der Poll