Tahereh, Sonya en Peyman Elahi zijn als enigen van hun familie nog in Griekenland en willen herenigd worden met de rest van het gezin in Oostenrijk.

Foto's Nikos Pilos

Drie jaar later zijn bijna alle glazen kapotgegooid

Migratie

Duizenden migranten wachten in Griekenland op gezinshereniging. De Elahi’s al bijna drie jaar. Wat doet uitzichtloosheid met een moeder, met een tiener? Een portret van degenen die bleven steken.

‘Mevrouw, welke talen spreekt u?” Iman Elahi (15) loopt met een notitieblokje door een klein vluchtelingenkamp op het Griekse eiland Chios. „Ik wil in alle talen ‘hallo’ en ‘hoe gaat het’ kunnen zeggen.” De Afghaanse tiener, met grote ronde ogen, bereidt zich voor op zijn tocht naar het Europese vasteland. Ik kan het Nederlands aan zijn verzameling toevoegen. De Perzische vertaling blijkt niet nodig.

„Wat?!” zegt Iman verbaasd. „Spreekt u ook Farsi? Wij hebben jaren in Iran gewoond. Je moet mijn moeder ontmoeten!”

Het is 18 maart 2016, koel en zonnig. Iman is met zijn vier broers, zusje Sonya en moeder Tahereh aangekomen in dit kamp. Ze woonden eerst jarenlang in Iran, net als veel andere Afghanen die naar Europa zijn gevlucht. Door de bergen wandelden ze naar Turkije. Per boot bereikten ze Chios. Ze weten nog niks van de Turkije-deal die drie dagen later zal ingaan – de reden dat ik voor NRC op het eiland ben.

Tien meter verder zit Imans moeder op de grond van haar tijdelijke huis, een glimlach alsof ze met vakantie is. Op de vloer liggen dikke lagen fleecedekens. Het gezin is Hazara, de overwegend shi’itische minderheid in Afghanistan. Ze stammen af van de Mongolen en lijken meer Aziatisch dan Arabisch.

De meeste gevluchte families die ik de afgelopen jaren sprak waren stil, uitgeput. De Elahi’s doen me eerder denken aan een groep melige vrienden op avontuur. Hun gelach is buiten de tent te horen. „Al mijn kinderen hebben de vlucht overleefd”, zegt Tahereh Elahi. „In de dagen dat we onder een brug in Istanbul sliepen, had ik die hoop opgegeven.”

De volgende dag zie ik ze weer. We voegen elkaar toe op Facebook en Instagram. Vanaf die dag ga ik elke keer dat ik voor NRC in Griekenland ben, bij het gezin langs.

Moeder en zoon op bezoek bij vrienden die in vluchtelingenkamp Malakasa wonen, hun vorige woonplaats.
Sonya, Tahereh en Peyman Elahi, in hun woning in Athene. Ze delen een huis met een ander Afghaans gezin.

Mijn vrije tijd breng ik vooral door met zoon Peyman, nu negentien. Hij praat me bij over alle ontwikkelingen. Drie broers zijn inmiddels doorgesmokkeld naar Oostenrijk. Iman, die van het notitieblokje, woont in een vluchtelingenkamp in Salzburg en zit op de middelbare school. Twee oudere broers wonen en werken er. Op Instagram delen ze filmpjes van Oostenrijkse bergen met Iraanse achtergrondmuziek.

Sonya, Peyman en Tahereh zijn achtergebleven. Hun aanvraag voor gezinshereniging in Oostenrijk is al twee keer afgewezen. Iemand had moeder Tahereh in het kamp verteld dat ze moest liegen over de leeftijd van haar minderjarige kinderen, anders zou ze als alleenstaande moeder de voogdij verliezen. Ze deden zich ouder voor dan ze waren. Nu probeert hun advocaat de autoriteiten uit te leggen waarom ze die fout heeft gemaakt.

Ik was al die tijd niet per se van plan over dit gezin te schrijven, tot ik een paar maanden geleden belde en vroeg hoe het ging. „Ik heb medicijnen nodig om te slapen”, zei Tahereh. „Medicijnen om te lachen, medicijnen om mezelf niet iets aan te doen.” Peyman en Sonya zeiden dat hun moeder woedeaanvallen had en hen sloeg.

„Mijn kinderen zijn de enige reden dat ik nog leef”, zei Tahereh. „Wij zijn niet de enige Afghanen met wie het niet goed gaat.” Een lang relaas: „Laatst is een Afghaanse man voor de trein gesprongen. Die en die gaan scheiden, er zijn steeds meer vechtpartijen. Er is een Syriër omgekomen bij een grote ruzie tussen Afghanen en Syriërs.” Op 1 oktober schrijven Griekse media dat als gevolg veertig Afghanen zijn opgepakt.

Ik besefte dat we niet weten wat een vluchteling die jarenlang wacht, meemaakt. Wat doet uitzichtloosheid met een moeder? Met een tiener?

Dit is een portret van drie Elahi’s, drie van de vele wachtenden.

Tahereh Elahi

De tatoeage van moeder Elahi staat voor „leven, hoop en vrijheid”, zegt ze. Vrienden van Peyman hebben die op haar pols gezet. Foto Nikos Pilos

Twee weken na het telefoongesprek sta ik op het vliegveld van Athene. Peyman heeft me op Facebook een bericht gestuurd. „Ik ga nu naar huis en dan stuur ik de locatie.” Net als veel andere Afghanen kunnen de Elahi’s niet wennen aan straatnamen en adressen.

Na een lange busrit kom ik aan in de Atheense arbeiderswijk Peristeri, ‘duif’ in het Grieks – het staat voor vrijheid.

„Het is hier zoveel beter dan in het kamp”, zegt Tahereh na een stevige omhelzing. In het modderige vluchtelingenkamp Malakasa, een uur buiten Athene, werd ze regelmatig onwel afgevoerd naar het ziekenhuis. Daarom hebben ze een tijdelijke woning gekregen. Een kamer van 16 vierkante meter, ze delen het huis met een ander Afghaans gezin. Er wonen geen andere vluchtelingen in de buurt. „Niemand hier vraagt waarom Sonya geen hoofddoek draagt en waarom Peyman naar de kerk gaat.”

Tahereh weet niet precies hoe oud ze is; 47 of 48 jaar, zoiets, denkt ze. Op haar veertiende is ze uitgehuwelijkt aan de vader van haar kinderen, toen veertig jaar – hij is nu al jaren dood. Tahereh is analfabeet en heeft iets stouts in haar ogen. Ze is dunner dan een jaar geleden, haar haren heeft ze donkerrood geverfd. Haar nieuwe tatoeage valt op: een hartslag die overloopt in een hart en daarna een duif. „Leven, hoop en vrijheid”, zegt ze erbij.

Meestal voelt mijn hart heel zwaar. Het liefst wil ik er een mes in steken.

We zitten, zoals altijd, op de vloer. Ze schenkt thee in een bierglas, verexcuseert zich. „De meeste glazen heb ik kapotgegooid.”

Het gezin heeft per dag 11,30 euro te besteden aan eten, kleding en andere benodigdheden. Woning en medicijnen worden vergoed. Ik vraag hoe het gaat. Haar glimlach verdwijnt. „Ik krijg soms een paniekaanval, dan denk ik dat ik gek word. Toen ik de laatste afwijzing kreeg, wilde ik heel hard mijn hoofd tegen de muur slaan. Meestal voelt mijn hart heel zwaar. Het liefst wil ik er een mes in steken.”

Alles wat ze tegenkomt gooit ze dan kapot, zegt ze. „Een telefoon. Glazen. Borden.” Oók haar kinderen, vooral dochter Sonya, kunnen dan een klap verwachten. „Zij praat als enige terug.” Op die momenten voelt het alsof ze geen lucht krijgt, alsof ze in brand staat.

De paniekaanvallen begonnen een jaar geleden, in het kamp Malakasa. De containerwoningen zijn gehorig, Tahereh was bang dat de buren het zouden horen. „Ik zei tegen Sonya: als je geluid maakt, maak ik je af.” De kampleiding hoorde dat ze haar kinderen sloeg – ze moest beloven het niet meer te doen, anders zouden ze hen afpakken.

Ze haalt een tasje met medicijnen te voorschijn. De psychiater die ze nu wekelijks spreekt, met hulp van een vertaler, geeft haar antidepressiva. Ze slikt zo veel medicijnen, zegt ze, dat ze de twee keer dat ze alcohol dronk – een keer vier biertjes, een keer een glas raki – niks voelde.

Waarom slaat ze? Werd ze zelf als kind mishandeld?

„Eén keer”, zegt ze. „Iemand had vanuit Kabul rode poederverf meegenomen naar ons dorp. We hebben toen al dat poeder in de rivier gegooid zodat mensen in de dorpen beneden dachten dat het bloed was.” Haar pretogen lichten op. „Ze schrokken zich kapot.” Ja, die dag kreeg ik een pak slaag van mijn moeder, zegt ze lachend. Ze was een jaar of zes. „Weet je wat gek is? Ik voel me nooit schuldig als ik ze sla. Alsof ik het nodig heb om rustig te worden.”

Tahereh heeft haar problemen te lang opgestapeld, zegt ze. Ze wist al die tijd niet waar ze moest beginnen. „Bij hoe ik als meisje werd uitgehuwelijkt aan een volwassen man?” Toen haar man overleed, eiste zijn broer haar kinderen op. Ze vluchtte met haar kinderen naar Iran. Als vergelding vermoordde hij haar broer, zegt ze. Het is een van de redenen dat ze weggingen uit Iran; ook daar werden ze gezocht door haar ex-familie. „Ze hebben mijn broer met een touw om zijn nek in de rivier gegooid.”

Of moet ze praten over hoe moeilijk het is wanneer je kinderen in een ander land wonen, vraagt ze. Laatst belde Iman huilend op vanuit Oostenrijk. „Een klasgenoot had gezegd dat het nu wel een keer tijd was om bij hém thuis te spelen. Hij moest vertellen dat hij in een kamp woonde.” Tahereh begint te huilen. „Weet je hoe moeilijk het is om langer dan een jaar weg te zijn van je kind?”

Laatst was Imans neus gebroken. Op een van zijn Instagram-foto’s is de opgezwollen neus te zien, sneeuw op de achtergrond, met als bijschrift: ‘The rule of the world is not to be with who you want to be.’ Hij wil zijn neus niet laten opereren, pas als zijn moeder erbij is.

Sonya Elahi

Sonya Elahi heeft een angststoornis en durft niet alleen naar buiten. Foto Nikos Pilos

Sonya Elahi is zestien jaar oud, maar ze ziet eruit als twaalf. Kort, tenger. Drie piercings in haar rechteroor, één gaatje is ontstoken. „Ik vind niets leuk aan het leven hier”, zegt ze. Het is vrijdagochtend, Peyman zit op school, moeder Tahereh loopt ongedurig van de woonkamer naar de keuken.

Sonya wil eigenlijk op yogales, zegt ze. Ze wil Duits leren, een app downloaden waarmee ze films kan bekijken – maar ze doet het allemaal niet. „Als we in Oostenrijk zijn”, herhaalt ze steeds. Alles stelt ze uit. Sonya heeft donkere kringen om haar ogen. Als ze praat, fluistert ze.

Vroeger ging ze nog weleens met Peyman mee naar Engelse les in de kerk. Maar toen werd haar telefoon gestolen in de bus. Nu durft ze niet meer naar buiten en gaat ze dus ook niet meer naar school. Ze brengt hele dagen thuis door.

Sonya wil advocaat worden en sportinstructeur. „Dit heb ik nog nooit aan iemand verteld.” Ze wil niks jinxen – het onheil afroepen door erover te praten. „Toen we net in Griekenland waren dacht ik dat alles beter zou worden dan vroeger. En kijk nu.”

Ze zit op haar bed in het hoekje van de kamer met haar benen naar de zijkant gevouwen, urenlang, op haar telefoon. Ze volgt Oostenrijkse Instagram-modellen, jonge vrouwen die in Salzburg wonen. „Ik zie mezelf dan ook daar zitten, op het terras, in de bergen.”

Ik vind niets leuk aan het leven hier

Broer Iman stuurt haar filmpjes onderweg naar school: „Als je hier bent lieve Sonya, dan lopen we samen deze weg.” Ze denkt veel aan haar toekomst, maar ook aan haar verleden. De Elahi’s werkten allemaal bij een Iraanse boer, zodat ze de hoge schoolkosten voor Afghaanse kinderen in Iran konden betalen. „In de ochtend liep ik een uur langs de snelweg naar school. Op school zag ik hoe mijn Iraanse klasgenoten koekjes kochten en opaten in de pauze.” Ze kijkt soms filmpjes van de dorpskinderen uit haar oude streek. In Iran wonen een paar miljoen Afghaanse migranten. Zelfs als Afghaanse kinderen er geboren zijn, is het lastig om de Iraanse nationaliteit te krijgen: hun school is duurder, aangifte doen is moeilijk, ze mogen veel studies niet volgen, ze worden genegeerd door taxi’s.

Sonya slaat vaak haar hand voor haar mond, slikt woorden in. Drie keer zag ze het echt niet meer zitten. „Nee, laat maar, ik wil er niet over praten”, zegt ze als dat ter sprake komt. Haar moeder loopt de kamer uit en huilt in de keuken boven een pan rijst.

Van haar hoort Sonya tijdens haar driftbuien dat ze niks waard is, niks kan. Ze gelooft het soms. Al meer dan drie jaar lang geen geschiedenisles, geen wiskunde. „Ik word steeds dommer.” Ze wil van haar moeder horen dat het goedkomt met haar, dat ze bijzonder is. ‘I’m gonna be the best lawyer and pianist’, schrijft Sonya in haar schrift, ‘just do it babe, you can do it.’

Net als haar broer en moeder wil Sonya een tattoo. Aan de zijkant van haar middelvinger de woorden ‘Ready to die’. En daar dan recht tegenover, aan de zijkant van haar wijsvinger, een tatoeage van een traantje.

„Die neem ik als we in Oostenrijk zijn.”

Peyman Elahi

Peyman Elahi is een paar keer per week in de protestantse kerk voor Afghanen in Griekenland. „De kerk houdt me van de straat.”. Foto Nikos Pilos

Precies op deze plek, zegt Peyman Elahi, vond ik dat briefje van twintig. We staan voor een kiosk naast het Alexanderpark, in het centrum van Athene. „Mijn vrienden en ik waren zó blij. We hebben wiet gehaald, nog wat drank en zijn toen in het park gaan zitten.” Z’n vrienden praten over meisjes, hij over muziek.

Peyman weet niet wanneer hij is geboren, zijn moeder zegt dat het in de winter was. In Griekenland besloot hij zijn verjaardag iedere Kerstavond te vieren – dan is het toch al feest. Net zoals veel andere weekenden hangen ze dan op een pleintje – niet meer in het Alexanderpark, dat is ontruimd omdat er te veel migranten en verslaafden zaten. „De verslaafden zitten nu een straat verderop.” Dronken Afghanen en Iraniërs hangen in een van de zijstraatjes. „Ik heb veel vrienden zien aftakelen in Griekenland. Als je niks te doen hebt, ga je maar de hele dag drinken. Het erge is dat je zelf niet kunt zien dat het slecht met je gaat. Als ik mijn broers spreek, zeggen ze dat ik stiller en dunner ben.”

Terwijl moeder en dochter binnen blijven, wil Peyman buiten zijn. De straten van Athene kent hij alsof hij er is opgegroeid. Hij heeft grote ronde ogen, is lang en dun – ondanks alle 1-euro-souvlaki’s die hij haalt bij de Pakistaan.

Hij komt elke paar minuten wel een bekende tegen. Mensen uit het kamp, van de boot of uit de tijd vóór hun oversteek, toen ze onder de brug in Istanbul sliepen. Vaak ook zijn het mensen uit de kerk, waar hij een paar keer per week te vinden is.

Sinds ze in de duivenbuurt wonen, gaat hij naar een Griekse school. „Omdat ik de taal nog niet zo goed spreek, gaat het grootste deel van de stof langs me heen.” Dan staart hij naar buiten. Straks in Oostenrijk wil hij een simpele baan, in de supermarkt of zo, en in zijn vrije tijd muziek maken.

Peyman vindt de Grieken aardig. „Toen ik zei dat ik niet meeging op schoolreisje, dachten ze dat ik de 16 euro niet kon betalen, toen heeft mijn school het betaald.” Hij lacht. „Maar ik had gewoon geen zin.”

Na school wandelt hij door de stad en bedenkt teksten voor zijn raps. Soms heeft hij al kilometers gelopen en baalt hij dat het pas net avond is. In het begin vond zijn moeder het maar niks dat hij zo met rapmuziek bezig was. Dat was voor gespuis. Toen hoorde ze zijn eerste nummer.

Als je eenmaal in vrijheid leeft, kun je niet meer terug de kooi in

Peyman zingt over het leed van Afghanistan, de pijn van het migrant-zijn. Eén nummer eindigt met de woorden van een klein Afghaans kindje dat haar familie smeekt haar niet uit te huwelijken. Urenlang stroomden de tranen langs Tahereh’s wangen.

Mijn leven in Griekenland voelt als militaire dienst, zegt de 19-jarige Peyman. Maar dan een jaar langer. „Ik weet nu dat je als mens veel moet vallen om op je eigen benen te kunnen staan. Voordat ik kwam, kon ik mijn rechterhand niet van mijn linker onderscheiden”, zegt hij. „Hier ben ik volwassen geworden.” Hij leerde met vrouwen te praten. Eerst waren het de vrouwelijke vrijwilligers op Chios die hun handen naar hem uitstaken. Dan trilde zijn hele lichaam. Na een paar maanden was dat weg. Nu omhelst hij in de kerk ook meisjes die hij net kent.

We staan in het centrum van Athene, voor een groot gebouw, in de commerciële buurt van de stad. Zoals iedere zondagochtend wacht Peyman minutenlang op de langzame lift die veel stops maakt. Op de zevende verdieping zit de geheime locatie van de protestantse kerk van de Afghanen in Athene.

Al meer dan twee jaar is Peyman kind aan huis in deze kerk, die uitkijkt op de Acropolis. Hij krijgt er gitaarles, taalles, er is een tandarts, en hij vindt er zijn individualiteit terug. „Ik groeide op in een land waar van alles verwacht werd van jongens”, zegt hij. „Ik moest zijn wie anderen wilden dat ik was. In Griekenland leerde ik Peyman kennen.” Hij kreeg ook een keyboard in de kerk. Er is zelfs een studio waar hij zijn raps zou kunnen opnemen. „Ik durf niet”, fluistert hij na het gezamenlijke gebed. „Er komt veel fuck in voor en ik wil blowend mijn muziek opnemen.” Hij grijnst.

Dat verstikkende van de Afghaanse cultuur, dat was hij zat. Mensen die elkaar constant in de gaten houden, elkaar het leven zuur maken. Dat wraakzuchtige, dat zijn oom het leven heeft gekost. „In de Bijbel staat dat je bescheiden moet zijn, tussen de mensen moet staan, jezelf niet groot moet wanen.” Een tijdlang gaf hij iedere zondag bijbelles aan de meer dan honderd Afghanen die zich in Athene aansloten bij de kerk.

Als ik Peyman en de familie de vrijdag na Kerst bel, klinken ze weer net zo vrolijk als de dag dat ik ze op Chios ontmoette. Ze denken dat ze nu eindelijk toestemming hebben om naar Oostenrijk te gaan, al is dat nog niet bevestigd. De vertaler van de advocaat liet vallen dat het goed zou komen. Of het hoop of realiteit is, moet nog blijken. Wegens de vakantie krijgen ze hun advocaat niet te pakken.

„Ik danste van vreugde toen ik het hoorde”, zegt Tahereh. „Als je eenmaal in vrijheid leeft, kun je niet meer terug de kooi in.”

    • Maral Noshad Sharifi