De gipskamer is het vrolijkste hoekje van het ziekenhuis

Polsen, pinken en enkels

Een dagje op de afdeling waar van alles in het gips gezet wordt. Waar de van de fiets gevallen student een klassieker is – en zestigplussers tegenwoordig met sport- en fitnessblessures binnenkomen.

Elianna Musanda viel van de bank en brak haar arm, ter hoogte van haar elleboog.
Elianna Musanda viel van de bank en brak haar arm, ter hoogte van haar elleboog. Foto Niels Blekemolen

Nou, welke kleur?” Gipsmeester Lenny Keylard, een breedgeschouderde dertiger met getatoeëerde biceps, vouwt de kleurenwaaier uit. Groen, blauw, zwart, rood, paars, roze, geel.

„De blauwe en de roze heb ik al gehad”, zegt de fragiele vrouw op een stoel. Haar gebroken pink rust op het ziekenhuisbed. „Nou neem ik geel. Het moet wel gezellig wezen hoor.”

Direct vertelt ze over haar man, twee jaar geleden overleden. Tranen in de ogen. En toen die val. „Eerst dorste ik niet meer te strijken en te breien. Maar ik doe alles weer hoor, met m’n linkerhand.”

„Hoe oud bent u?” Uit zijn holster trekt Lenny intussen een schaar en verwijdert het oude gips.

„83.”

„O, dat moet ik nog maar zien te halen.”

„Welnéé, gaat vanzelf.”

Voorbij de ingang, einde hal rechtsaf, links, rechts, dubbel links en dan de schuifdeur door. Route 6 van OLVG West in Amsterdam. Zo kom je bij de gipskamer, een van de meest optimistische afdelingen van het ziekenhuis. Hier gaat niemand dood. Hier staat de polsbreuk op één. Op twee de enkelbreuk. In de wachtkamer heerst dikwijls een uitgelaten sfeer - „Stom! Gestruikeld over een drempel” - en eenmaal binnen wint de opluchting het van de angst.

Lenny’s collega Peter Kok, 31 jaar in het vak, heeft de patiëntenpopulatie zien veranderen. „De lallende student die van de fiets valt is van alle tijden”, zegt hij met een blik op de röntgenfoto van een gebroken middenhandsbeentje. Ook tijdloos: de jeugdige brokkenpiloot, meestal van het mannelijk geslacht, liefdevol begeleid door vader of moeder. Maar de populatie zestigplussers is radicaal getransformeerd. Vroeger kwamen ze met versleten knieën en heupen, nu met een sportfractuur, opgelopen bij hardlopen of fitness.

De geest wil wel

„De zestigers van nu zijn vitaler”, zegt de 60-jarige Peter, zelf fervent hardloper, leesbril op zijn grijze gekortwiekte haren. „Hoewel, vooral in hun geest.” De moderne mens, denkt hij, is zijn evolutie vóór. De geest wil wel, het lichaam nog niet altijd. Voorbeelden van zelfoverschatting ziet hij dagelijks. Vooral in het vroege voorjaar, als iedereen weer „huppelend het veld” betreedt. Enkelfracturen door vroege recreatie, heet zoiets.

Behandeling vindt plaats in de gipskamer van het ziekenhuis, vijf aparte ruimtes met elk een bed. Hier zorgen drie gipsmeesters samen met een arts voor de anatomisch perfecte stand. 26 patiënten per ochtend, tien minuten voor elke afspraak.

„Draai de klok eens vijftig jaar terug”, zegt Peter overpeinzend. „Toen zag je in het straatbeeld bochels, stijve knieën, stijve schouders, aangeboren afwijkingen, te korte benen. En nu? Overal de ideale mens. Rechtopstaand.”

„Kijk, ik heb kromme pinken hoor”, zegt de 83-jarige patiënt als Lenny het gips heeft verwijderd. „Maar dat was al. Van onze moeder.” Ze was één van de oudste thuis, in een gezin van tien. Er was veel vrijheid en binnen de parochie richtte ze de padvinderij op.

„Bestond dat nog niet voor vrouwen?” Lenny trekt een pakje geel gips open en doopt dat in een teiltje met water. Ze krijgt een afneembare brace op advies van de arts.

„Niet zo.”

„Dus u was wel vooruitstrevend?”

„Dat heb je, met een heleboel kinderen thuis.”

Zeven jaar geleden leerde Lenny, ooit veelbelovend kandidaat bij The Voice of Holland, de kneepjes van het vak bij Peter. Lenny zag ’m snel en ontspannen gipsen en dacht: simpel. Maar dat viel tegen. Pas na veertig, vijftig patiënten vond hij zijn eigen creaties acceptabel.

Ambacht

Het gipsmeesterschap is een ambacht. Dóórgaan, dat is de kunst. Zodra je het pakje gips opent, begint dat al te reageren. Mineralisatie. En na een dompeling in het water versnelt de reactie. Je móét handelen. Wikkelen, wrijven, wikkelen, wrijven. Niet te slap en niet te strak. Niet te hoog, niet te laag. Is de stand goed? Hoe zit het met de randjes? Zodra je begint te twijfelen, linksom of rechtsom, ben je te laat. Dan krijg je plakjes zoals met bladerdeeg, niet één geheel. En intussen praten met de patiënt. Informatie inwinnen, ook over de breuk. Niet alles staat in het dossier.

Het gipsmeesterschap is binnen het ziekenhuis een gewilde discipline, vooral onder verpleegkundigen. Vandaar dat Peter Kok uit een ruim aanbod interne sollicitanten kon kiezen voor de samenstelling van zijn „dream team”. Hij koos de breedgeschouderde Lenny Keylard, „een mensenmens”, en de lange Pim Telleman, „een topverpleegkundige die tot het gaatje gaat”. ’s Zomers vind je ze in de pauze frisbeeënd op de parkeerplaats achter de psychiatrie en als er tijd is maken Pim en Lenny met stift creaties op het gips van de patiënt. Logo’s van Batman, Ajax, Nike, soms zonder dat de patiënt het doorheeft. „Merkenrechtschending!” kreeg Lenny eens het verwijt.

Zelf is Peter „de lijm” in het team. De schakel met de artsen, bewaker van het overzicht en van de sfeer. Hij zorgt dat er elke dag iets lekkers bij de koffie ligt. Stroopwafels, heel veel stroopwafels.

„Hoe is het gekomen?”, is de vraag die Lenny elke nieuwe patiënt stelt. „Tja, ik drukte te hard op het gaspedaal van m’n auto en toen reed ik zo die pui in”, hoorde hij laatst. Hoe kán zoiets, vraagt hij zich dan af. Soms komt het verhaal in brokken naar buiten. Zoals met een Australisch meisje dat vlak voor haar terugkeer naar huis binnenkwam met een enórme snee in haar kuit. „Gesneden bij een val in de badkamer”, zei ze. Meer wilde ze er niet over kwijt. Even later werd Lenny op de uitslaapkamer aangesproken door een jongen geopereerd aan zijn achillespees. Of zijn vriendin er nog was. Het Australische meisje, zo bleek. „Samen gevallen?” vroeg Lenny. „Ja, ja, uitgegleden in de badkamer.” Ook hij hield zich op de vlakte. „Heb je het niet gehoord?” hoorde hij pas later van de spoed. „Afscheidsseks op de wastafel.”

Bonnen bij de Praxis

De dag dat ze viel had de 83-jarige vrouw bonnen gekregen voor de Praxis, voor gratis zeepsop. Ze was er al bijna en wilde oversteken en toen viel ze zomaar plat op de weg. Geen idee waarom. Daar lag ze een poosje. En toen kwam er een jongeman. Hij stapte uit de auto. Hij zag bloed en zei: we gaan meteen naar het ziekenhuis. Ik laat je niet alleen. De jongeman bracht haar naar het ziekenhuis en al die tijd is hij bij haar gebleven. Zes uur lang, op de eerste hulp. „En hij bracht me nog thuis ook.”

„Kom mee naar boven, dan schrijf ik je adres op”, had ze tegen hem gezegd. Ze heeft de jongeman, nu ja, een vijftiger, nog een bloemstuk gestuurd.

Lenny wikkelt nieuw gips om de gebroken pink.

Het gips van nu is niet meer van kalk maar van polyester. Dat witte gips, schrééuwend om beschilderd te worden, bestaat haast niet meer. Op het gekleurde kunststof is tekenen veel lastiger, zegt Peter. „De creativiteit van de mens wordt bruut ondermijnd.” Maar de kalk mist hij niet. „Dat was vochtig, klam, en de waterkraan moest altijd open staan. De hele gipskamer rook ernaar. Drie keer per dag kalk van de grond vegen en altijd kloven in je handen, ontstoken nagelriemen. Gips onttrekt vocht. Ik had er een hekel aan.”

Ach, die pink, mevrouw kan er wel mee leven. Alléén zijn, zegt ze tegen Lenny, dat is het moeilijkst. „Er zijn dagen dat ik denk: wat zal ik doen? Gelukkig heb ik het breien, dat gaat altijd door. Voor mijn dochter in Engeland, mijn achterkleinkind.

„Doet u weleens skypen?”

„Wat is dat? Nee, nee, ik ben helemaal niet zo computerachtig.”

„Ik ga ’m even netjes voor u afwerken”, zegt Lenny. „Kom zo bij u.”

De oude vrouw bekijkt de kleurenwaaier nog eens goed. „Ach, dat is toch ook mooi hè. Kun je de andere kleuren erbij zoeken. Voor mijn breiwerk.”

    • Freek Schravesande