Opinie

De euro is groot goed, maar vergt solidariteit

Europa

Commentaar

Hij is vrijwel geruisloos voorbijgegaan, de twintigste verjaardag van de euro op 1 januari van dit jaar. Geen grote publiciteitscampagne, geen festiviteiten van betekenis. En dat terwijl de euro, geliefd of niet, toch een van de belangrijkste projecten is die de Europese integratie heeft voortgebracht.

Begin 1999 werd de gemeenschappelijke munt geïntroduceerd als antwoord op de onderlinge valutafluctuaties die de gemeenschappelijke markt in Europa teisterden. Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot 1971 was de Amerikaanse dollar de spil in een systeem van vaste wisselkoersen, dat uiteindelijk bezweek. De daarna zwevende wisselkoersen van alle verschillende Europese munten werden met tal van experimenten bezworen. Een slang, waarmee de munten min of meer aan elkaar vast zaten. Een tunnel, die de bandbreedte moest aangeven waartussen zij mochten fluctueren, en in combinatie het Europese Monetaire Stelsel, dat in 1992 bezweek toen het Britse pond en de Italiaanse lire er uit werden gespeculeerd. Een aanval op de Franse franc kon een jaar later alleen worden afgewend door de bandbreedtes waartussen de munten mochten fluctueren zodanig op te rekken dat het hele systeem zijn betekenis verloor.

De euro, giraal geïntroduceerd in 1999 en drie jaar later in munten en biljetten, is daar een antwoord op geweest. Sindsdien hebben er, per definitie, geen wisselkoersfluctuaties, meer kunnen ontstaan tussen de deelnemende landen in wat de eurozone is gaan heten. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: binnen een muntunie waar voor de rest te weinig gemeenschappelijk economisch beleid wordt gevoerd, liepen de spanningen vanzelf op nu het ventiel van wisselkoersaanpassingen was dichtgedraaid. In de eurocrisis van 2010 en later, waarbij vooral de zuidelijke rand van de eurozone moest worden gesteund, kwam de ontlading alsnog, en in één klap.

Dat onderstreept de prijs die moet worden betaald voor een gemeenschappelijke munt: méér gemeenschappelijk beleid, en alternatieve mechanismen om optredende verschillen te mitigeren. Kortom: de creatie van een ‘optimaal valutagebied’, waarin een gemeenschappelijke munt goed functioneert.

Het belang van de euro moet niet worden onderschat. Voor de psychologie van alledag, waarin Europa voor zijn inwoners meer is gaan voelen als hun thuis. Voor het bedrijfsleven dat niet langer hoeft te leven met wisselkoersfluctuaties. Voor een eigen, diepe kapitaalmarkt waar burgers en bedrijven goedkoper terecht kunnen. En voor Europa als machtsfactor in een steeds complexere en onberekenbare wereld.

De afgelopen twintig jaar hebben laten zien dat een gemeenschappelijke munt even goed kan verenigen als splijten. De munt is in de jaren negentig haastig ingevoerd, het ontwerp was onaf. In wat een traditie van de Europese integratie kan worden genoemd, is verwacht dat de eerste stap naar een gemeenschappelijke munt onontkoombaar zou leiden tot de volgende stappen die de munt zouden vervolmaken.

Daar is, bijvoorbeeld met een bankenunie en zeer voorzichtige voorstellen voor een iets hoger gemeenschappelijk budget, een begin gemaakt. Maar niet vergeten mag worden hoe groot de crisis is geweest die daarvoor nodig was. En hoe lichtzinnig er twintig jaar terug met dit project is begonnen.

Een gemeenschappelijke munt is een groot goed, maar heeft een prijs: méér lotsverbondenheid. Méér onderlinge solidariteit. En vooral méér onderling vertrouwen tussen de deelnemende landen. Dat zijn, niet toevallig, ook de voorwaarden om van Europa überhaupt een speler te maken die niet versplinterd of vermorzeld wordt in de wereld van morgen. En die van de komende twintig jaar.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.