Opinie

De euforie van een onverstandige keuze

Roken was voor mij een symbool voor het leven, voor autonomie, voor verzet, schrijft Floor Rusman, die onlangs stopte met roken. ‘Het is nee zeggen tegen saaie dingen als langetermijndenken, tegen sterfelijkheid, gek genoeg.’

Duke Harbovitch/Getty Images

Context is alles. Stel: je ziet door de regen een grauw ogende vijftiger schuilen in een portiek en elke paar seconden driftig aan een sigaret zuigen. Stel: je ziet een jongen van een jaar of twintig, type gitarist in een indieband, met openhangende lammycoat en zwarte laarzen door de stad benen, sigaret in de mondhoek, intens en nonchalant tegelijk.

De sigaret: symbool van verslaving en van joie de vivre.

Lange tijd viel roken voor mij zo’n beetje samen met de zin van het leven. Maar vanaf mijn dertigste verjaardag voelde ik me wegdrijven van die indieband, in de richting van het regenachtige portiek. Roken is een daad van verzet die alleen jongeren zich schuldvrij kunnen permitteren. „Er zijn zeer weinig serieuze rokers van boven de dertig, misschien wel geen, die zich niet schuldig voelen over de schade die zij zichzelf toebrengen”, schrijft Jonathan Franzen in zijn essay Sifting the ashes (1996).

Ik loop met een vriendin over straat en we zien een groepje begin-twintigers die hun caféstoelen de brug hebben opgesleept. Ze drinken wijn uit de fles en roken sigaretten. „Zij zijn nog in de bloei van hun rokende leven”, zegt mijn vriendin jaloers. Ze is net gestopt met roken en kan nergens anders over praten. „Het is alsof ik een goede vriend heb verloren”, zegt ze.

Grappig genoeg was juist zij degene die mij op mijn achttiende aanzette tot roken. Tot die tijd had ik, opgevoed door twee ex-rokers met een felle haat jegens tabak, roken in de categorie ‘onbevattelijke domheid’ geschaard, samen met dingen als de K2 beklimmen en motorrijden zonder helm.

Henk Hofland beschrijft in zijn essay Drank en tabak (1985) hoe betekenisvol de eerste keer roken is. Iedereen herinnert zich die nog, schrijft hij: „Stel de vraag in een gezelschap van enige omvang en binnen een minuut is een eventueel geordend gesprek vervallen tot een opgetogen, aan geschreeuw grenzend kabaal waarin niemand meer luistert. Dat bewijst het belang van het gegeven.”

Mijn eerste keer zat ik op een bankje tegenover een pittoreske kerk. We gingen blowen en van die vriendin moest ik leren inhaleren met een sigaret, „anders is het zonde van de joint”. Die joint viel uiteindelijk enorm tegen. De sigaret niet.

Je had eten, je had drinken, en geheel onverwacht was er nu een derde dimensie, die zo veel mogelijkheden opende.

De sigaret bij de koffie, de sigaret na het eten, de sigaret bij het eerste biertje. De sigaret tijdens een lome morgen, waarbij je de rook ziet opkringelen in het zonlicht. De sigaret die je achteloos uit een half verkreukeld pakje trekt aan het einde van een feestje. De sigaret bij de bushalte en bij het schrijven, de sigaret als tijdverdrijf en katalysator.

NRC-redacteur Miriam van ‘t Hek wilde stoppen en deed een oproep op Facebook: steun me, moedig me aan, help me stoppen

Elke roker voelt een diepe liefde voor de sigaret, die eenvoudig te verklaren is vanuit de verslaving. Dat is waar antirookgoeroe Allen Carr op hamert: roken is alleen leuk omdat de sigaret de verslaafde voor even van het zeurende gevoel afhelpt dat er iets mist. Voor twintig minuten klopt de wereld weer. Daarna begint het zeuren opnieuw.

Het is een aantrekkelijke theorie omdat die roken reduceert tot iets absurds: iets waar de niet-verslaafde geen enkel voordeel van zou kunnen verzinnen. Het is ook aantrekkelijk, omdat er voor wie gaat stoppen met roken niets te verliezen valt: eenmaal genezen zal de roker inzien dat die hele liefde op een misverstand berustte.

Maar dit lijkt me toch te veel vanuit Allen Carr zelf geredeneerd. Hij rookte, voordat hij zichzelf met zijn eigen methode verloste, honderd sigaretten per dag. Dit betekent dat hij elke tien minuten een sigaret opstak. Voor zo iemand is het logisch om roken te zien als een gevangenis, maar Carr vergeet dat er miljoenen rokers zijn voor wie er dagen voorbijgaan zonder trek in een sigaret.

De aantrekkingskracht moet dus in elk geval deels door iets anders verklaard worden.

Literatuurwetenschapper Richard Klein doet in Cigarettes are Sublime (1994) een poging. Waarom, vraagt hij zich af, blijven zo veel mensen dagelijks sigaretten opsteken terwijl ze weten hoe fataal die kunnen zijn? Zijn antwoord: sigaretten zijn juist aantrekkelijk, ja zelfs subliem, vanwege hun dodelijkheid. Het verleidelijke van de sigaret „bevindt zich precies in de ‘slechte’ smaak waarvan een roker snel leert te houden”, schrijft hij. Zo zijn sigaretten immuun voor „alle argumenten die tegen hen worden gemaakt vanuit de perspectieven van nut en gezondheid”.

Iets soortgelijks overkwam mijzelf. Mijn eerste pakje kocht ik samen met een vriendin in Praag, in de zomervakantie na het eindexamen. Ik herinner me nog precies de opwindende mengeling van gevoelens bij het opentrekken van dat pakje en het inhaleren van de eerste teug: schuldgevoel jegens mijn longen en al mijn principes, en tegelijk de adrenalinerush die het maken van onverstandige keuzes je kan bezorgen.

Er was geen weg terug: na de zomer was ik een roker. Tegelijk ging ik uit huis en studeren, waardoor roken verweven raakte met de nieuw verworven vrijheid.

Roken werd een symbool voor het leven, voor autonomie, voor verzet.

In werkelijkheid is roken natuurlijk precies het tegenovergestelde. Het is een symbool voor de dood, voor afhankelijkheid, voor capitulatie.

Maar ja, zo voelt het niet, zeker niet als je achttien bent en nog geen last hebt van hoestjes en rimpels. Het was precies zoals Richard Klein het beschrijft: juist het subversieve van roken maakt het zo aantrekkelijk. Omdat je nee kunt zeggen tegen je ouders, tegen saaie dingen als langetermijndenken en tegen de mensen die je onbevattelijk dom vinden. Tegen ouderdom en sterfelijkheid zelf, gek genoeg.

En ‘nee’ tegen een samenleving die steeds meer draait om beheersing en gezondheid. Dit maakt roken ook zo geschikt als groepsactiviteit: rokers vormen een samenzwering tegen de verstandige, veroordelende buitenwereld.

Daarbij had roken voor mij ook met esthetiek te maken. Niet voor niets begon ik met blauwe Gauloises: die pasten het beste bij mijn zelfgekozen imago van intellectuele vrijbuiter. Daar horen nog wat andere slordige associaties bij, zoals kaarslicht, vergeelde boeken, fluwelen gordijnen en platenspelers, allemaal gehuld in slierten rook.

En zo komen we bij de kern van de verslaving: de sigaret bevindt zich, voor mij en ongetwijfeld voor alle hartstochtelijke rokers, middenin een wijdvertakt web van associaties.

Bankjes doen me denken aan roken, net als veranda’s, waar je buiten kunt roken terwijl het regent. Overdekte terrassen zijn ermee verbonden, bushokjes en natuurlijk het klassieke rookobject, de asbak. Ik heb thuis zo’n tien asbakken staan, van een idiote schelp tot een lief klein schoteltje, en als pièce de resistance de zware glazen asbak met vier gleuven in de hoeken.

En dan muziek! De sigaret is een middel om het luisteren naar muziek te sublimeren. Er is een live-opname van Rhiannon van Fleetwood Mac die ik nog nooit heb beluisterd zonder te roken. Sommige nummers vragen er letterlijk om, denk aan Cigarettes and Coffee van Otis Redding. „Please, darling, help me smoke this one more cigarette, now”, kreunt hij tegen zijn geliefde. Otis ging trouwens op z’n zesentwintigste dood bij een vliegtuigongeluk, het is maar goed dat hij tot die tijd lekker heeft genoten van z’n sigaretjes.

Ik snapte het wel, toen die vriendin zei dat het voelde alsof er een vriend was overleden. Want stoppen met roken voelt inderdaad als rouw, zelfs als liefdesverdriet. Maar net als met slechte relaties is het ook met roken het beste om totaal te stoppen. Terugvallen en schipperen maakt het afscheid alleen maar moeilijker. Een schrikbeeld is de hoofdpersoon uit Italo Svevo’s Bekentenissen van Zeno, die het hele boek lang de ene na de andere laatste sigaret rookt. Grappig, romantisch ook wel, maar ook vreselijk pijnlijk.

Cold turkey stoppen klinkt wreed, maar ik weet inmiddels dat het mogelijk is. Het enige dat ik ervoor nodig had, was een grondige mentale voorbereiding.

Lees ook: De slag om de roker die niet kan of wil stoppen

Eerst kwam de motivatie. Die drong zich zoals gezegd vanzelf op na mijn dertigste verjaardag. De belangrijkste gedachte die ik voortaan had wanneer ik buiten bij een feestje met alle leuke mensen stond te kettingroken: nu is het gezellig, maar wie van deze mensen komt me later opzoeken in het ziekenhuis?

Dit was een goed begin, want het betekende dat roken een nieuwe associatie kreeg.

De kunst was vervolgens om alle draadjes door te knippen, door de associaties op te pakken, van alle kanten te bekijken en te vragen: waarom is het essentieel dat hierbij gerookt wordt?

Het hielp ook om tegenvoorbeelden te zoeken, bijvoorbeeld om te lezen dat Johnny Marr, ex-gitarist van onder andere The Smiths, is gestopt met roken en drinken en nu marathons loopt. En hij is nog steeds een rockster!

Inmiddels heb ik bijna zeven weken niet gerookt. De asbakken heb ik afgewassen en omgetoverd tot borrelbakjes: kleine olijfjes in de sierlijke porseleinen asbak en chips in de grote kelk. Elke keer dat ik bij een liedje, feestje of ruzie geen sigaret opsteek wordt er weer een draadje doorgeknipt.

Toch is roken niet terug in de categorie onbevattelijke domheid. Ik heb er geen spijt van dat ik gerookt heb. En daarom ben ik het toch niet helemaal eens met Richard Klein. Hij zegt: wanneer roken gezond zou zijn, zouden weinigen het nog doen – dan is het immers niet meer subliem. Daar geloof ik niks van. Ik heb wel eens gefantaseerd over wat ik zou kiezen als ik één wens mocht doen, en dan zou het jammer genoeg niet zijn dat er wereldvrede komt, maar dat roken gezond is.

Roken is namelijk de perfecte manier om even stil te staan met jezelf. Tuurlijk, je kunt ook 15 euro betalen om in een propvolle gymzaal aan yin yoga te doen met andere overprikkelde stadsbewoners, maar waarom die moeite nemen als je voor een fractie van de prijs en in de beslotenheid van je eigen huis tot jezelf kunt komen?

Sommige ex-rokers ontwikkelen een afkeer van het fenomeen, zij willen niet herinnerd worden aan de tijd dat zij zich ertoe verlaagden. Jonathan Franzen, ten tijde van z’n essay nog een roker, beschrijft hoe hij zich sinds zijn laatste stoppoging al niet meer als roker identificeert – sterker nog, hij vindt het walgelijk. Ik daarentegen zou graag een trui dragen met de tekst ‘Roker in Ruste’ erop.

Er is een mooi verhaal van Julian Barnes getiteld 60/40 (2008) dat helemaal bestaat uit een gesprek tussen een groep vrienden van middelbare leeftijd aan de dinertafel. Ze hebben het over de tijd dat ze nog rookten: wat er heerlijk aan was, waarom rokers zo leuk zijn. Het verhaal eindigt met de mijmering „dat er, naar alle waarschijnlijkheid, voor de rest van het leven van de planeet, altijd ergens mensen zullen zijn die roken, de lucky buggers”.

Deze vriendengroep heeft goed begrepen wat de remedie is tegen rookverlangen: zwelgen in nostalgie. Zolang het verlangen aanhoudt, erover praten. Het helemaal kapot analyseren. Woorden gebruiken waar je vroeger rook uitblies.

Dat deed me weer denken aan de hilarische ex-roker Clive James, die in 2007 beschreef hoe hij – na zijn hoogtijdagen van tachtig sigaretten per dag – van het roken afkwam. „Ik leerde de herinnering te roken”, schreef hij. „Wanneer het verlangen je treft, onderdruk het dan niet. Koester het. Het werkelijke ding zal niet beter zijn.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.