Al die kennis was bijna weg

Oral history Den Haag organiseert ‘verhalentafels’ om de historie van de stad vast te leggen. Op stap met kenners van het Laakkwartier.

De herinneringen komen vanzelf boven, al lopend door het Laakkwartier in Den Haag. „Dáár”, wijst Loura Huizenga (76). „Daar zat de ladderwinkel. Voor 10 cent liet je een ladder ophalen.” Niet een trapladder, maar een ladder in je kousen. Een gaatje stoppen kostte 15 cent, herinnert zus Marianne (69) zich.

Voor 5 cent kocht Riet van Es (77) bij de waterstokerij een emmer heet water voor de was. Wil Smulders (80) heeft het over „het waterbaasje” waar haar moeder water haalde „om ons in de teil te doen”. Ze legt uit: „Niemand had gas.”

Het zijn het soort herinneringen waar de Haagse bibliotheek, het Haags Gemeentearchief en het Haags Historisch Museum al een aantal jaar actief naar op zoek zijn: de geschiedenis van gewone Hagenaars en Hagenezen, door henzelf verteld. Oral history, of zoals het project in Den Haag heet: verhalentafels.

Arbeiderswijk

Juist de vroege geschiedenis van het vooroorlogse Laakkwartier, ten zuidoosten van station Hollands Spoor, is interessant, omdat de voormalige arbeiderswijk de afgelopen decennia zo snel veranderde. De bakens van Laak – de petroleumhaven, het slachthuis, het melkuitgiftepunt en de fabriekjes – kregen een andere bestemming of verdwenen, en met hen de arbeiders. Studenten kwamen in de wijk wonen nadat De Haagse Hogeschool er zich halverwege de jaren negentig vestigde. Kleine winkels zijn er nog volop, maar nu veelal met Turkse of Poolse namen. Driekwart van de bewoners van het Laakkwartier heeft een migratieachtergrond.

De oorspronkelijke bewoners verhuisden naar Voorburg of Zoetermeer en zijn nu zeventigers en tachtigers. Als hun verhalen niet worden opgeslagen, dreigen ze verloren te gaan.

Dus leiden tien zeventigplussers elkaar op een koude vrijdagochtend langs hun geboortehuizen. Doel is om na een aantal bijeenkomsten onder leiding van iemand van de bibliotheek een filmpje – een digi-tale – op te nemen met geluid, beeld (foto’s) en voorwerpen. Eerder werd dit onder meer al gedaan in Bezuidenhout, waar bewoners vertelden over het geallieerde bombardement van 3 maart 1945 en de 550 doden die daarbij vielen.

Die dag kunnen ze zich ook in Laak nog herinneren. Richard Starrenburg (84) kon de bommen in de verte zien vallen. Vanuit zijn geboortehuis zie je nu de hoge torens van ministeries. „Ik vluchtte het portiek in. Dat had natuurlijk helemaal geen zin gehad als ze ook hier waren gevallen.”

Het Laakkwartier. De Trekvliet met de Laakmolen rond 1950 en nu.
Historische foto: Jos Pé/Haagse Beeldbank. Moderne foto: David van Dam

Hij vertelt over het voortdurende zoeken naar eten tijdens de oorlog. Dat is wat anderen zich ook kunnen herinneren. Jean Smulders (84): „Als je de hongerwinter hebt overleefd, gooi je nooit meer eten weg.” Hij wijst naar de overkant van de Trekvliet, naar het industrieterrein Binckhorst, waar nu ook woningen worden gebouwd. Twee oude banken staan op straat. Smulders: „Dat is typerend voor nu in Laak.” Riet van Es zegt: „Ze wachten niet eens op de asman.”

Wil Smulders vertelt over stiekem asfalt hakken, waarmee het majokacheltje kon worden gestookt – een noodkacheltje voor toen er geen steenkool of petroleum was. Over de razzia, waarbij haar vader bijna werd opgepakt en hoe hij en een kennis daarna ondergedoken zaten bij de voordeur. Als ze bij haar geboortehuis aankomt, nodigt de huidige bewoner haar binnen uit. „Het luikje is er nog”, zegt ze. „Onder de mat. Hij wist er niets van.”

De tien zeventigplussers hebben ook vrolijkere herinneringen. Philip van Rijkhuizen (83) vertelt – nog altijd grinnikend – over een koe die ontsnapte uit het slachthuis en over een hekje in een tuin sprong. Er wordt schalks gelachen als iemand het Haags Tehuis voor Ongehuwden bij de bijnaam „bananenpakhuis” noemt. Omdat het vol vrijgezelle mannen zat.

Het Slachthuis in 1911 en nu
Historische foto: Jos Pé/Haagse Beeldbank. Moderne foto: David van Dam

Wil en echtgenoot Jean hebben het over verkering, over het stevig uur lopen – op hakken – naar de dansles op de Laan van Meerdervoort, en over Laurel en Hardy in de Rembrandtbioscoop (nu een Albert Heijn).

Het Laakkwartier, met nog altijd veel werklozen en laaggeletterden, was een arme wijk. Loura Huizenga vertelt dat haar moeder wilde dat ze de slager vroeg de papiertjes tussen het vlees uit te halen: „Dat woog allemaal mee.” Maar ze durfde niet.

Bij een buurvrouw mochten de zusjes tv-kijken: „Zij hadden een herenkledingzaak: het was het rijkste gezin in de straat.”

An van der Born (77) vertelt: „We hadden thuis niets. Een keer per week mochten we warm eten bij de groenteboer. Maar alleen twee van ons. De andere twee aten er de week daarop.” Maar ze vertelt het ook als voorbeeld van de grote saamhorigheid in de wijk. Ans moeder overleed toen zij vijftien was en haar vader haalde haar van school om het huishouden te runnen. „Alle buurvrouwen hielpen mee.”

Niet iedereen vindt zijn geboortehuis terug. De wijk, door architect H.P. Berlage ontworpen, bestaat nog uit de oorspronkelijke in de Nieuwe Haagse School gebouwde rijtjeshuizen. Maar tussen de Rijswijkseweg en de Trekvliet viel het Laakkwartier ten prooi aan de stadsvernieuwing van de jaren zeventig en tachtig. „Moet je nou eens kijken: paarse deuren!”, roept iemand. „Ik word er triest van”, zegt Richard Starrenburg.

Dan gaat het gesprek snel weer terug naar vroeger. Naar vloerkleden kloppen op de brug, schaatsen in de Laak en zwemmen in het kanaal. „Zwemles was er niet bij hoor”, zegt Starrenburg. „Als je de Vliet overstak, kreeg je van je vrienden je diploma.” En de Trekvliet was „véél breder”.