Recensie

Recensie Uit eten

Voor het eten hoef je niet meer naar The Suicide Club

Foto Suicide Club
    • Wim de Jong

Rotterdam telt een paar restaurants die tegelijk een club zijn, wat zoveel wil zeggen als dat het nachtleven er ter plekke in alle hevigheid losbarst wanneer het laatste dessert eenmaal is uitgeserveerd en naar binnen gelepeld. Wie nog onder de 30 is, zal die vibe dan zonder al te veel moeite oppikken, maar voor de iets oudere en bedaagdere gast blijft het wennen. Zo ben je in The Suicide Club nog in een vrolijk tête à tête verwikkeld met je gezelschap, en zo word je koeltjes verzocht af te rekenen en je biezen te pakken, omdat er ruimte moet worden gemaakt voor een dansvloer. Opstaan is dan ook meteen plaats vergaan: onze eettafel wordt een statafel, waarop prompt twee bordjes ‘Gereserveerd’ prijken - en niet voor ons.

Best begrijpelijk, al die kordaatheid, als je luttele minuten later ziet hoeveel jongeren de rooftop bar op een uitgaansavond trekt. Op het binnenterrein van het Groothandelsgebouw wacht een meterslange rij op de lift naar het dakpaviljoen op de achtste verdieping, waar The Suicide Club is gevestigd. Maar ook al gelet op de prijs die er voor een menu (57 euro p.p.) van opeenvolgende kleine gerechtjes wordt berekend, had er in culinair opzicht dan wel wat meer tegenover kunnen staan.

Weinig over

Je voelt je toch behoorlijk bij de neus genomen door wat de huidige kookploeg voor dat bedrag heeft te bieden. Van het lef en de inventiviteit waarmee toenmalig chef Marnix Benschop het restaurant in 2015 op de kaart zette, is vier jaar later te weinig over. Het wekt de indruk dat The Suicide Club tegenwoordig toch maar liever een eigentijdse disco is dan een spraakmakende eetgelegenheid.

Aan ons menu gaat een oester vooraf, die met sambal zo superheet is gepeperd dat we pas na twee blusrondjes (een hoorntje gevuld met zalm, een ‘steak tak-taro’ met rode curry en een fles sauvignon à 55 euro) opnieuw over onze smaakpapillen menen te kunnen beschikken. Ze veren weer even op na een kommetje met fijngesneden paddenstoeltjes en reepjes gedroogde shiitake, dat het verder niet van enig ander verrassingseffect hoeft te hebben. Dat effect hebben de in caramelbeslag gepresenteerde Noorse garnaaltjes wél, maar eerst en vooral dan toch door de wijze waarop ze worden opgediend. De timmerman van het huis heeft lange spijkers door een plankje geslagen, waarop ze een voor een als een soort ministeck zijn opgeprikt. De voorspelling van een vijftal koks (Rotterdambijlage 22 december) dat 2019 in de horeca het jaar wordt van de ‘nieuwe kneuterigheid’ is hiermee alvast deels ingelost.

Vleeswafel

Het hoofdgerecht is een eendenborst die vergezeld gaat van een mango-chutney, gebakken rijst, een schaaltje woest-zure kimchi en merkwaardig genoeg ook van een stoommandje met flensjes. Het zal de bedoeling zijn dat we de dikke stukjes filet er ‘op zijn Pekings’ inwikkelen, maar al doende ben je geneigd die ‘timmerman’ en zijn bankschroef erbij te roepen. De vleeswafel waarmee je uiteindelijk in je handen zit, lijkt in niets op de even simpele als subtiele delicatesse van de Chinezen. De twee eenzame dimsums die we bij wijze van troost dan nog onder in het mandje aantreffen, versterken het gevoel dat er in de keuken maar wat lukraak bij elkaar is gezocht.

Punt eraf ook voor een ander onderdeel van ons menu: geen van de bij de prijs inbegrepen glazen wijn verscheen op tafel. Toen ik de reservering plaatste, was dat arrangement door mij over het hoofd gezien, maar niemand van de bediening die me er de avond zelf op attent maakte. Achteraf verklaarbaar allicht: men was met het hoofd mogelijk al helemaal bij de hottest party die weldra opnieuw moest aanbreken.

Wim de Jong is culinair recensent.