Recensie

Niemand in het Westen zal nog gelukkig zijn

Michel Houellebecq

Met een vooruitziende blik verbeeldt Houellebecq in zijn nieuwe roman de protesten in zijn land. Zijn Frankrijk ontploft, uit onbehagen over de EU, de elite en de globalisering. (●●●●●)

Illustratie: Anne Ceasar van Wieren

Twee weken geleden schreef Michel Houellebecq in Harper’s Magazine dat hij president Trump een van de beste presidenten ooit vond. Trump houdt niet van de EU, net zomin als Houellebecq. De Europese landen hebben niets gemeen, schreef hij, geen waarden, geen taal, geen belangen, laat staan dat ze een democratie vormen. Europa is een nachtmerrie, hoe eerder de EU uit elkaar valt, hoe beter.

In zijn nieuwe roman Sérotonine zoekt de verteller, Florent Claude Labrouste, zijn oude vriend Aymeric d’Harcourt-Olonde op. Ze studeerden samen, werden beiden landbouwkundigen. Aymeric, afkomstig uit een eeuwenoude aristocratische familie, runt al jaren een boerenbedrijf in het dun bevolkte, uiterste westen van Normandië. Hij heeft honderden koeien, boert biologisch en bewoont een familiechâteau, dat langzaam door onkruid wordt overwoekerd. De plannen van zijn vrouw om van de veertig leegstaande kamers een ‘hôtel de charme’ te maken liepen spaak toen de overheid geen subsidie verleende. Ze ging ervandoor met een pianist en nam hun dochters mee.

Financieel zit Aymeric aan de grond. De melkprijzen dalen door de buitenlandse concurrentie en volgens Europese standaarden moet het aantal boeren nog gehalveerd worden. De landbouw in Frankrijk is ‘een sociaal plan’, schrijft Houellebecq, ‘maar wel een onzichtbaar sociaal plan, waarbij iedereen individueel verdwijnt’ zonder dat er een haan naar kraait. De leden van de boerenbond pikken het niet langer, ze bewapenen zich, vullen jerrycans met benzine en installeren een raketinstallatie. Bij de geweldsexplosie vallen doden, de beelden gaan de wereld rond. De dag erna worden de koeien van Aymeric niet meer gemolken.

Gele hesjes

De protesten die Houellebecq in zijn recente roman met vooruitziende blik verbeeldt, zijn nog vele malen grimmiger dan die van de gele hesjes die we de afgelopen weken daadwerkelijk in Frankrijk zagen. Zijn boeren voelen zich niet gehoord, niet gezien, wanhopig en woedend. Hun onbehagen, door ‘Brussel’ en door ‘de elite’ weggezet als irrationele angst voor de globalisering, ontploft. Frankrijk desintegreert, Europa wankelt.

Illustratie: Anne Ceasar van Wieren

Het is maar één van de actuele elementen uit Houellebecqs nieuwe indrukwekkende roman. Een ander is zijn aanklacht tegen de schending van het dierenwelzijn. Bij zijn beschrijving van een industriële legbatterij in Normandië word je bijna spontaan vegetariër. De stagiaire van de verteller, in opleiding tot dierenarts, bezoekt ‘een enorme kippenfokkerij met meer dan driehonderdduizend kippen [...] In felverlichte hangars proberen duizenden kippen, uitgemergeld en kaal, te overleven, op hun opperhuid krioelt het van de rode luizen, ze zitten hutje mutje tussen de ontbindende lijken van hun soortgenoten en kakelen onophoudelijk van pure angst [...] met paniek in hun ogen’. ‘Hoe kunnen mensen dit doen?’ vraagt de jonge dierenarts in opleiding geschokt. Ze drinkt vijf martini’s achter elkaar, alvorens in de armen te vallen van de verteller. Die weet niet wat te antwoorden, ‘hoogstens wat oninteressante algemeenheden over de menselijke natuur’. Dat het met varkens en koeien niet beter is gesteld houdt hij wijselijk voor zich. De stagiaire wordt de liefde van zijn leven.

Houellebecq richt zijn pijlen dit keer niet op de islam, sekstoerisme, de universiteit of de jaren zestig. Hij observeert de uitwassen van het kapitalisme, fileert, becommentarieert, analyseert met een omweg, met zwarte humor, via de literatuur. Het is afgelopen – niet alleen met de boeren en de kippen. Ook met degenen die nog weten dat er vroeger zoiets was als ‘sociale stijging’. En met het ‘contingent gewone, moedige bewonderenswaardige mensen in ziekenhuizen’. Geen specifieke provocatie dit keer, maar een politiek getoonzet boek over depressie en uitzichtloosheid: ‘niemand zal meer gelukkig zijn in het Westen, het geluk is een oude droom, de historische voorwaarden ervoor zijn gewoon niet meer voorhanden’. Hier echoot de gelatenheid die ook al uit zijn roman Onderworpen sprak.

Lees ook het interview: Houellebecq: ‘Zonder religie gaat het niet’

In onze tijd van morele verontwaardiging en publieke veroordeling, presenteert Houellebecq ons een verteller als een stervend dier, op zoek naar een hol waarin hij zijn einde kan afwachten. Florent-Claude, in vele opzichten verwant aan Houellebecqs eerdere hoofdpersonen, is een gespierde, gedrongen alcoholist, een gefrustreerde 46-jarige man, teleurgesteld in zijn werk, ‘zonder redenen om te leven en evenmin om te sterven’. Hij weet dat zijn leven één grote mislukking is, dat alle energie al lang geleden uit zijn hart, zijn hoofd en – erger – uit zijn penis is weggevloeid. Dat hij nog ademt en niet ergens ongewassen ligt te stinken in de goot, is alleen te danken aan een wit tabletje dat het serotoninegehalte verhoogt, een ‘gelukshormoon’ dat een kettingrokende arts hem heeft voorgeschreven. De pil behoort tot een nieuwe generatie antidepressiva en zorgt ervoor dat de patiënt in ieder geval enig zelfrespect kan opbrengen. Daardoor kan hij tenminste de gewone dingen des levens doen: opstaan, zich wassen, boodschappen doen. Het heeft twee bijwerkingen: misselijkheid en impotentie. Van het eerste heeft de verteller geen last.

Afscheid van de libido

Florent-Claude maakt de balans op van zijn leven. Als landbouwkundige schreef hij rapporten over de abrikozenproductie in de Roussillon (ten dode opgeschreven) en over de promotie van de Camembert in de VS (mislukt). Zijn aanbevelingen verloren het altijd van de door ‘Brussel’ verordonneerde wet van de vrije markt – niets heeft hij eraan kunnen veranderen, hij heeft zijn idealen ‘verraden’.

Hij wist in een paar muiskliks de sporen van zijn bestaan en neemt zijn intrek in een Mercure Hotel.

Bij deze ‘mini-afscheidsceremonie van zijn libido’ hoort, zo besluit Florent-Claude, een bezoekje aan de vrouwen ‘die hij eventueel gelukkig had kunnen maken’. Vol weemoed, zelfmedelijden en spijt denkt hij terug aan de prettige manier waarop Camille, Claire en Kate hem ooit bevredigden – zo vol liefde, toewijding en overgave. Maar ja, de een bedroog hij, de anderen liet hij los. Hij was tenslotte ‘een moderne man’, schrijft Houellebecq vals, niet ‘geformatteerd’ om een werkende vrouw een huwelijksaanzoek te doen, ’voor hem was de professionele carrière van de vrouw iets wat voor alles gerespecteerd moest worden’. Yuzu tenslotte, zijn recente Japanse vriendin, aan wie hij inmiddels zo’n hekel heeft dat hij haar het liefst van het balkon (op de 29ste etage) zou gooien, redt het wel zonder hem, als escort kan ze met haar seksuele vaardigheden een flink bedrag per avond vragen. Dus besluit hij gewoon te verdwijnen. Hij wist in een paar muiskliks de sporen van zijn bestaan en neemt zijn intrek in een Mercure Hotel.

Onuitstaanbaar negatief

Zo treffen we in deze roman opnieuw een hoofdpersoon die snakt naar liefde, beter gezegd, naar een dienstbare vagina. Weer schrijft Houellebecq – #MeToo of niet – onuitstaanbaar negatief over vrouwen. (Zelf trad Houellebecq in september overigens wederom in het huwelijk, met de Chinese Lysis, het was Carla Bruni die er middels een tweet bekendheid aan gaf.) In zijn boek geeft Houellebecq ook homo’s een sneer, verkettert hij hotels waar je niet mag roken en vindt hij God maar ‘een heel middelmatige scenarioschrijver’. De verteller bezingt zijn liefde voor de supermarkt, dit keer onder andere de Carrefour City, ‘het laatste restant van de beschaving’, ‘met een voorraad van wel ‘acht variëteiten humus’. Hij oordeelt fluks over andere nationaliteiten: Hollanders? ‘Een ras van polyglotte en opportunistische handelaren’. Holland? ‘Geen land, hoogstens een bedrijf.’

Op iedere pagina variëren zijn humor en zelfspot van onderkoeld ironisch (‘ik simplificeer maar je moet simplificeren anders kom je nergens’) tot hilarisch (‘de bureaucratie heeft tot doel om je mogelijkheden in het leven maximaal te reduceren en je die het liefst helemaal te ontnemen’) en cynisch (‘ik zat in een slechte fase van mijn leven, maar ach, er zijn mensen die zich om minder van kant maken.’)

Ook is Houellebecq trouw aan zijn hinkstapsprongen tussen verhaal en kritische analyse van onze tijd. Als zijn verteller op een vliegveld geen kruier kan vinden, leidt dat bijvoorbeeld tot een korte beschouwing over een ‘dodelijk proces van productiviteitsverhoging in Spanje, en in West-Europa’, alle ‘niet-gekwalificeerde banen die het leven vroeger een beetje minder onaangenaam maakten zijn wegbezuinigd’, en dus werd ‘het grootste deel van de bevolking in één klap werkloos.’ Nieuw in deze roman zijn de hele lange zinnen die door een komma aan elkaar worden gesmeed, waardoor je nog meer in het hoofd van de verteller zit.

Uiteindelijk belandt Florent-Claude, aan het eind van zijn zwanenzang, in een uitzichtloos en gevoelloos vacuüm, ‘een vredige, stabiele triestheid’. Zijn vrijdenkende arts stelt vast dat hij zo depressief is dat ‘als hij in België of Nederland euthanasie zou aanvragen, zijn verzoek zonder probleem zou worden ingewilligd’. Hij halveert de dosis captorix en adviseert Florent-Claude naar de hoeren te gaan.

‘Zijn we gezwicht voor de illusie van de individuele vrijheid’, laat Houellebecq, de felle criticus van de jaren zestig, zijn hoofdpersoon denken, voor ‘de illusie van het vrije leven, de oneindige mogelijkheden? Die ideeën ademden de tijdgeest van toen. [...] We hebben ons erin geschikt, we hebben ons erdoor laten vernietigen – en sindsdien lijden we.’ In de bundel Rester vivant (uit 1991), stak Houellebecq de beginnende dichter een hart onder de riem: hij zou lijden, maar dat was niet erg, lijden is goed, hoe intenser hoe beter. Hij voorspelde dat de jongeman bevangen zou worden door angst en verbittering, en zijn bestaan als pijnlijk zinloos zou ervaren. In zijn zevende roman schotelt Houellebecq – consequent in zijn denken – ons een man van middelbare leeftijd voor die in absolute eenzaamheid lijdt aan de tijd. En die uiteindelijk verandert in een man zonder verlangens.

    • Margot Dijkgraaf