‘Ik had gedacht dat multinationals het klimaat serieus zouden nemen’

Interview | Joris Thijssen De directeur van Greenpeace ziet twee grote problemen in het ontwerp voor een klimaatakkoord dat er nu ligt: de kostenverdeling tussen industrie en burgers en de opslag van CO2 onder de grond. „We hebben liever echt duurzame technologie als groene waterstof.”

Al ligt er nu een ontwerp voor een klimaatakkoord, de plannen om in 2030 de uitstoot van broeikasgassen te halveren, zijn nog niet af.

Maar de milieubeweging praat niet meer mee. Op 20 december, één dag voordat het ontwerpakkoord werd aangeboden aan het kabinet, maakten de milieuorganisaties bekend dat ze hun steun introkken – net als overigens vakbond FNV en twee andere organisaties voor duurzaamheid. Vooral directeur Joris Thijssen van Greenpeace klonk fel tijdens hun persconferentie. „Deze plannen zijn onvoldoende om gevaarlijke klimaatverandering te stoppen”, oordeelde hij.

Wat willen de milieuorganisaties dan wel? „We vinden een aantal keuzes fout. Maar als daarover te praten valt, willen we heel graag weer meepraten,” zegt hij in een gesprek in het kantoor van Greenpeace aan het IJ in Amsterdam-Noord.

Twee weken geleden was u nog hard. U vond de plannen niet genoeg voor het klimaatakkoord van Parijs.

„Ja. 49 procent reductie in 2030, zoals het kabinet wil, is onvoldoende voor ‘Parijs’. Dat wisten wij al op dag één van de onderhandelingen. Toch zijn we toen aan tafel gaan zitten, omdat ik denk dat zo’n akkoord doorbraken kan veroorzaken waardoor de omslag nog veel sneller kan gaan dan we nu kunnen bedenken. Kijk naar wat we bereikt hebben voor windparken op zee, door het eerste Energieakkoord uit 2013. Daarvoor is straks geen subsidie meer nodig, het is fantastisch.

„Zo’n omslag is nu weer aan een aantal tafels gemaakt. Maar voor de landbouw niet, voor mobiliteit maar ten dele, en in de industrie ook niet. De industrie is negen maanden aan het tegenstribbelen geweest. Ik had gedacht dat de multinationals hun woorden zouden waarmaken, dat ze klimaatbescherming serieus nemen.”

Het Planbureau voor de Leefomgeving oordeelde in september dat met de klimaatplannen die er toen lagen, het doel van 49 procent te halen is, ook in de industrie. Niemand heeft toch gezegd dat dat nu anders ligt?

„Maar ik zie wel twee grote problemen. Het eerste is de lastenverdeling. Er wordt voor de industrie een enorme subsidiepot opgetuigd [oplopend tot 550 miljoen euro in 2030]. Voor de bedrijven is dat heel gunstig. Die nieuwe technologie die hier straks ontwikkeld wordt, kan de wereld over. Maar toch willen de bedrijven niet meebetalen. Ik leid uit het rapport af dat meer dan de helft van die subsidie wordt betaald door burgers en het mkb. In zijn aanbiedingsbrief schrijft minister Wiebes wel dat het kabinet „ervoor staat”  dat huishoudens en het mkb niet opdraaien voor de kosten van de transitie in de industrie. Ik vind dat halfzacht.”

Op de dag na Kerst stond de milieubeweging al in Trouw met een berekening die uitwees dat de kostenverdeling tussen burgers en industrie scheef is. Daar moet toch nog aan gerekend worden?

„Nou ja, sommige stukken kennen we.”

Maar niet de hele kostenverdeling.

„Ja, dat klopt. Je kunt als milieuorganisaties aan tafel gaan zitten, of je probeert op een andere manier de mensen te overtuigen. En om te zien dat de industrie te weinig betaalt, heb ik de doorrekening door de planbureaus niet nodig. De industrie zegt steeds: als er een CO2-heffing komt, vertrekken we naar het buitenland. Toon eerst maar eens aan dat je dat niet kan dragen. Met dat ‘gelijke speelveld’ wordt elke discussie doodgeslagen.

„En mijn tweede probleem is ondergrondse CO2-opslag (CCS). Dat heeft niet onze voorkeur, want dan moet je tot het einde der dagen opletten dat het in de grond blijft zitten. We hebben liever echt duurzame technologie: groene waterstof, elektrolyse, elektrische warmtepompen.

„Met CCS houden we de oude economie in stand. De huidige installaties, zoals raffinaderijen die gebaseerd zijn op fossiele grondstoffen, maken niet echt een transitie door. Terwijl dat is wat er moet gebeuren tot 2050, dat vindt de industrie zelf ook. CCS is alleen tijdelijk nodig, en in beperkte mate.”

In de scenario’s van het VN-klimaatpanel IPCC is CCS waarschijnlijk nodig tot zeker 2050 om de opwarming in te dammen, en niet op beperkte schaal.

„Maar dat is wel wat de Nederlandse industrie zegt. Hun opgave voor 2030 is 14,3 miljoen ton CO2 besparen. Dat kan zonder CCS.”

Dat staat echter niet in het rapport dat de klimaatonderhandelaars dit najaar schreven over CO2-afvang en -opslag. Er was zoveel onenigheid rond het thema dat zij besloten tot een gezamenlijke ‘joint fact finding’ over CCS in Nederland. Die werd in december afgerond, maar is niet openbaar gemaakt. Volgens het rapport is CO2-opslag juist wel een optie voor bepaalde fabrieken, zoals bij de productie van staal, ammoniak en – al op korte termijn – waterstof.

Vooral op waterstof spitst de discussie zich nu toe. Voorzien wordt dat het gas een sleutelrol gaat spelen in de energietransitie: bij industriële processen zoals raffinage, voor voertuigen en zelfs voor verwarming. Waterstof wordt nu gemaakt uit aardgas, waarbij veel CO2 vrijkomt. Het levert veel op voor het klimaat, en het is relatief goedkoop om die CO2 af te vangen en ondergronds op te slaan: ‘blauwe waterstof’, in jargon. In de Botlek worden daar nu plannen voor gesmeed.

Er is ook een alternatief: waterstof maken uit water, met elektriciteit. Dan komt er helemaal geen CO2 vrij. Maar dat proces, ‘groene waterstof’, is nu nog heel duur. Juist die techniek moet daarom gestimuleerd worden, vindt Thijssen. „Maar als ik de industrie vraag: wat heb je nodig voor groene waterstof? Dan geven ze niet thuis.”

Lees meer over de ondergrondse CO2-opslag: Wat in Noorwegen kan, kan ook bij Rotterdam

In de joint fact finding staat dat niet te voorzien is wat in 2030 het goedkoopst is, groene of blauwe waterstof.

„Ja. Dus waarom besteden we dan heel veel geld aan blauwe waterstof waarmee je duurzame technologie uit de markt drukt? Ja, zeggen ze dan: CCS is op dit moment nog tien keer zo goedkoop! Maar kijk naar wind op zee: dat was ook duur. Juist doordat we doelen stelden, het stimuleerden, werd het goedkoper. Ik vind dat we pas met CO2-opslag moeten beginnen als in 2025 zou blijken dat het zonder echt niet gaat lukken, in 2030. Dat is voor fabrieken nog op tijd om een investering te doen.”

Wat u voorstelt, leidt ertoe dat de industrie de komende jaren CO2 uitstoot die anders onder de grond zou zitten.

„Ja, maar als je nu blauwe waterstof toestaat in een raffinaderij, gebeurt er de komende vijftien jaar helemaal niets.”

Er gebeurt toch wél iets? Er komt geen CO2 meer uit de schoorsteen.

Fair enough, maar er gebeurt het verkeerde. In het najaar van 2019 zal de subsidiepot worden leeggevroten door CCS-projecten. Daar ga ik de naam van Greenpeace niet aan meegeven.”

U noemde twee bezwaren. Maar niet het boetesysteem voor de industrie dat in de plaats komt van een CO2-heffing?

Thijssen zucht. „Een gewone CO2-heffing is verreweg de meest eenvoudige en effectieve maatregel. Maar als de industrie daar dogmatisch over is en een paar politieke partijen dat geen goed idee vinden, oké. Zo principieel zat ik er niet in. Dus we dachten mee over het systeem dat nu op tafel ligt, waarin iedere fabriek een individueel duurzaamheidsplan moet maken.

Lees ook het interview met voorzitter Ed Nijpels van het klimaatberaad na het weglopen van de milieubeweging : ‘Als je dit pakket klimaatmaatregelen doorvoert, is er geen weg terug meer’

Ik vind dat uiteindelijk niet hard genoeg is opgeschreven dat [subsidiegever] RVO snoeiharde wettelijke bevoegdheden krijgt om die plannen te beoordelen en boetes op te leggen. Maar als de planbureaus doen wat ze de afgelopen jaren hebben gedaan, zakt dit plan door het ijs. Ze zullen zeggen: dit is niet hard genoeg.”

Maar u sluit niet uit dat u toch weer aan tafel gaat als de doorrekeningen van de planbureaus binnen zijn?

„Alleen als over onze pijnpunten gepraat kan worden. De industrie, hervorming van de landbouw, meer geld voor ov en fiets.”

En dan gaat u weer aan tafel, en dan valt het straks weer tegen…

„Ja, it’s messy. Het is veel gemakkelijker om aan de gevel te hangen en te zeggen dat je het er niet mee eens bent.”