Opinie

Het kan zomaar: een gratis staatsschuld

Maarten Schinkel

Wopke Hoekstra’s jaar begint goed. De minister van Financiën schreef woensdag zijn eerste lening van 2019 uit. Hij ontvangt, zoals het er nu naar uitziet, 0,34 procent rente. Ja: ontvangt. Om precies te zijn gaat het hier om een heropening van een staatslening die nog ruim vier jaar te lopen heeft. De minister wil zo’n 1,5 miljard euro extra binnenhalen. Omdat de rente op deze staatslening negatief is, krijgt hij geld van beleggers. Iets meer dan 5 miljoen euro per jaar voor de 1,5 miljard die hij leent. Dat is peanuts, maar het gaat om het idee.

Lange tijd is gedacht dat de ultralage rentes vooral een gevolg waren van het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank. De negatieve rentes die de ECB op de geldmarkt rekent zijn het belangrijkste ijkpunt. Maar ook het aankoopprogramma van de ECB, dat in 2015 begon, hielp. Dat zorgde ervoor dat de prijzen van staatsleningen stegen. En als de prijs van zo’n lening stijgt, dan daalt de effectieve rente. Voor Duitsland, het anker van de eurozone, was dat effect zo sterk dat effectieve rentes op de staatsschuld over een breed palet aan looptijden negatief werden. Nederland, beschouwd als een Duitse ‘proxy’, maakte vrijwel hetzelfde door.

Het lag in de verwachting dat, als de ECB haar opkoopprogram zou staken, dat drukkende effect op de rente zou verminderen. Maar in de loop naar 31 december, de laatste dag van het program, gebeurde er niets. En woensdag, op de eerste handelsdag van het nieuwe jaar, viel de rente op tienjarige Nederlandse staatsobligaties van een toch al zeer lage 0,37 procent naar 0,32 procent. En staatsleningen met kortere looptijden, zoals de lening die Hoekstra dus heropende, werden nóg negatiever dan ze al waren.

Er is een aantal verklaringen voor dit fenomeen. Misschien is het drukkende effect van de ECB kleiner geweest dan gedacht: hooguit 0,5 procentpunt, zo luidt het tegenwoordig in kringen van centrale bankiers. De inflatie is intussen hardnekkig laag gebleven: rond de 1 procent voor de kerninflatie (zonder voeding en energie).

Uit al deze observaties zou je de conclusie kunnen trekken dat het hele aankoopprogram van leningen van de publieke sector van in totaal 2.109 miljard euro beperkt zinvol is geweest. Maar goed: de lage inflatie zelf is natuurlijk deels een verklaring voor de lage rentes. En het momentum in de conjunctuur loopt terug, hetgeen de rente ook vaak drukt. Bovendien vluchtten beleggers in de laatste drie bange beursmaanden in staatsleningen, dreven de koersen op en daarmee de rente naar beneden.

Dat was een vraageffect. Maar er is ook nog het aanbod. Dat loopt terug. Het gemiddelde begrotingstekort van de eurozone bedraagt volgens de OESO in 2019 nog maar 0,8 procent van het bbp (tegen 6,9 procent voor de Verenigde Staten). Ja, Frankrijk heeft een tekort van 3 procent van het bbp, en Italië 2,5 procent. Maar Duitsland heeft een begrotingsoverschot, Nederland ook. Plus een flink aantal kleinere landen, die een overschot hebben of in balans zijn. Dat betekent dat het aanbod van staatsleningen terugloopt, en bij een gelijkblijvende vraag loopt de koers dan op.

Minister Hoekstra had eind vorig jaar een kasoverschot van 7,2 miljard. Denk je eens in wat er zou kunnen gebeuren als de situatie op de financiële markten blijft zoals hij is. De rente over de staatsschuld bedraagt in 2019 nog maar 0,5 procent van het bruto binnenlands product. Naarmate oudere staatsleningen, waarvoor destijds een hogere rente werd betaald, aflopen en vervangen worden door nieuwe met negatieve rentes, zal de afdracht van rente verder krimpen tot misschien wel nul. Ongelofelijk? Nee hoor. Het kan zomaar. Dit zijn vreemde tijden.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.