Beurtbalkje

Mensen zitten op een bankje en kijken voor zich uit. gaat naast ze zitten en vraagt wat ze bezighoudt.

‘Je treft de verkeerde. Ik zit normaal nóóit op een bankje.” De man springt meteen op. Zaten hij en zijn hond, bijna even groot, zojuist nog naast elkaar op een bankje in een park in Haarlem, als een verliefd stel starend in de verte, nu doet de man gauw een stap opzij. Beschuldigende vinger naar de hond, die is blijven zitten. „Híj. Híj zit graag op een bankje.”

De man heet Emerson Ribeiro en is 46 jaar. Waar hij aan dacht? „Aan al die mensen die hier op een bankje zitten en in de verte staren en waar ze in hémelsnaam mee bezig zijn. Whát the fuck? Ik kom uit Brazilië en daar doen we dat niet hoor! Bóóóring. Daar gaan we naar het strand. Maar hier, wat dóén al die mensen hier? Ben je gek! Go out! Walk! Enjoy! Maar je gaat toch niet in je eentje op een bankje zitten staren?”

Wijzend naar een jongen tegenover hem die zijn fiets tegen een bankje heeft geparkeerd en een broodje eet. „Die daar is zéker Dutch. Wie anders eet zijn sandwich tussen de hondenpoep?” Emerson schudt zijn hoofd. Zelfs als het sneeuwt zitten Nederlanders op een bankje, hij begrijpt er niets van. „Dan vegen ze de sneeuw gewoon weg!” Maar als zijn hond erop gaat zitten, het is een Akita, die houden van overzicht, dan wordt gezegd: wilt u alstublieft uw hond niet op het bankje zetten? Terwijl Nederlanders wel allemaal hun fiets tegen zo’n bankje stallen. En als je dáár wat van zegt, nou, dan doen ze net of ze je niet horen. „Want Nederlanders hebben al-tijd gelijk.”

De liefde bracht hem in 1998 naar Nederland. Emerson trouwde en kwam vanuit het zonnige Santos met gratis douches en capoeira op de stranden terecht in een gehucht tussen Hoofddorp en Aalsmeer. Na elf jaar ging de relatie uit. Zijn vent ging met pensioen en wilde de zee op met een jacht, terwijl, Emerson is doodsbenauwd voor water! En zo waren er nog wat dingetjes dus toen was het „bye bye” want hij is dan wel Braziliaans en houdt van drama maar hij vindt ook: ga verder met je leven, want altijd dat gedoe met exen, het leven is te kort om achterom te kijken.

Emerson keerde terug naar Brazilië maar bleek Nederlandser dan gedacht. Hij was nogal direct geworden, vond zijn familie. Een goede eigenschap, vindt Emerson, beter dan al dat ge-jaknik in Brazilië, maar jémig wat kunnen Nederlanders ook onbeleefd zijn zeg. „Krijg je in het voorbijgaan van iemand een duw, dan klinkt hier zonder omkijken sorry. Sorry? Als je in Brazil iemand per ongeluk duwt, dan stóp je en bied je je ex-cu-ses aan.”

De hond kijkt vanaf het bankje rustig toe hoe zijn baasje maar door blijft praten, met steeds grotere gebaren. „En dan de supermarkt, oh hell, de Nederlandse supermarkt! Wil je een doosje eieren pakken, staat er iemand pontificaal voor het schap. Tien minuten lang. En als je voorzichtig vraagt of je erbij mag, word je boos aangekeken!”

Eén keer werd het Emerson allemaal te veel. Stond hij met zijn boodschappen op de loopband ingeklemd tussen twee oudere dames waarvan er één het beurtbalkje zó strak tegen zijn boodschappen aanplantte dat zijn brood eraf viel. „Don’t touch my stuff!”, riep Emerson witheet uit. „Why is my bread on the floor? Pick it up!” Iedereen lachend eromheen. Toen de vrouw weigerde, gooide hij ook háár brood op de grond.

Maar verder houdt hij van dit land hoor, zegt Emerson. „I love this shit country! Oh my god!

De vaste columnisten op pagina 2 zijn met vakantie.